DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2a

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING +HOOFDSTUK 1, ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash.org ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 2a

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

1. De geboden voor de ‘zonen van Noach’

In de inleiding hebben we gesproken over noachidische geboden, noachidische opdrachten, noachidische voorschriften of regels en noachidische richtlijnen. Enige terminologische opheldering is op zijn plaats. Overigens wordt niet alleen het woord noachidisch gebruikt, maar ook – hoewel taalkundig minder juist – noachitisch. Het gaat tenslotte – hoe mythisch dit ook moge zijn – om de ‘nakomelingschap’ van Noach en een ‘noachide’ is een op het grieks gebaseerde aanduiding van een ‘zoon -‘ of ‘nakomeling van Noach’. Terwijl ‘noachitisch’ eerder de indruk wekt als zou het gaan om een volks-, een cultuur- of een stamverband. In de term ‘noachide’ wordt de mens aangesproken op zijn gemeenschappelijke afkomst, op het gemeenschappelijke in alle mensen, en niet op een toebehoren tot een beweging of sectie.

In de Talmoed wordt gesproken van de ‘mitswot b’nee Noach’, de opdrachten of geboden van de zonen van Noach.

Het woord ‘mitswa’ (meervoud mitswot) betekent zoveel als (goddelijke) opdracht. Het is een in de Thora beschreven verplichting voor de jood, een gebod waarvan wordt verwacht dat de jood het uitvoert. Zo is het een mitswa een zieke te bezoeken. Het woord ‘benee’ is afkomstig van ‘ben’ dat zoon betekent. Vandaaruit heeft het ook de betekenis van kind en van nakomeling en kan het de betekenis krijgen van lid van een beweging of groepering en van volgeling. Bekeken vanuit de bijbelse geschiedenis horen zowel de joden als de niet-joden tot de zonen van Noach.

Allen zijn we nakomelingen van Noach.1 In de Talmoed wordt dit bijvoorbeeld erkend wanneer over de zonen van Jacob wordt gesproken als ‘zonen van Noach’. (‘b’nee Noach’: bChoellin 100b).

Eerst de gebeurtenissen in Sinaï met het schenken van de Thora en de acceptatie ervan door de Hebreeën hebben dit volk gemaakt tot het verbondsvolk Israël. Sindsdien neemt het Volk Israël een aparte positie in temidden van de geslachten van Noach en daarmee in de geschiedenis van de mensheid.

In Genesis 6:9ev dat handelt over de geslachten van Noach wordt in de letterlijke betekenis van het woord over de zonen van Noach’ gesproken. Er staat daar onder andere: ‘En Noach verwekte drie zonen: Sjem, Cham en Jafet’. De vraag is of, als wordt gesproken over de geboden van de zonen van Noach, (ook) deze drie zonen worden bedoeld. Het antwoord is bevestigend, maar de uitdrukking is tegelijk veel meer omvattend: de geboden van de zonen van Noach hebben immers betrekking op de gehele nakomelingschap van Noach en de gehele mensheid wordt geacht tot die nakomelingschap te behoren. Het gaat dus om voorschriften met een universele betekenis. De extra dimensie is echter dat de geschiedenis van de geslachten van Noach begint met een beschrijving van Noachs rechtvaardigheid (Gen 6:9). Eerst daarna acht de Thora het van belang te spreken over de zonen van Noach (Gen 6: 1 0). Dit betekent dat rechtvaardigheid behoort tot de geslachten van Noach. Niet dat iedereen rechtvaardig is. Zelfs de zonen van Noach handelden niet altijd juist. Maar de mogelijkheid en dienovereenkomstig de opdracht tot rechtvaardig handelen is aanwezig.

De Midrasj Tanchoema ontleent aan het feit dat Noach beschreven wordt als een rechtvaardig man vóórdat zijn zonen worden genoemd, de gedachte dat van een mens die geen zonen maar wel goede daden heeft diens goede daden (ma’asim tovim) zijn werkelijke nakomelingschap zijn. En de Midrasj gaat nog verder door Noachs rechtvaardigheid door te trekken naar zijn nakomelingen, zodat men kan zeggen: Rechtvaardigheid is de werkelijke nakomelingschap van Noach.2

Een andere Midrasj verwijst naar Spreuken 11:13, waar staat: ‘De vrucht van de rechtvaardigen is een boom des levens’. De vraag wordt gesteld: wat is de vrucht van de rechtvaardige? De Midrasj antwoordt: leven, religieuze handelingen en goede daden.3

Noach was, legt de Talmoed uit, rechtvaardig in zijn daden en volmaakt in zijn eigenschappen (bAvoda Zara 6a). Overigens moet men aan deze kwalificaties geen absolute, statische betekenis toekennen, maar moet men ze relateren aan de situatie. ‘In zijn generatie, die zeer verdorven was, sprong Noach er in positieve zin uit.’ En ook zelfs dat kan nog in minder positieve zin worden uitgelegd: ‘Was hij in een andere generatie geboren, die minder verdorven was, dan zou hij er niet uitgesprongen zijn’ (Midrasj Tanchoema-Buber).4

2. Een noachide is een rechtvaardige

Rechtvaardigheid behoort dus tot de primaire nakomelingschap van Noach. Met Noach en zijn nakomelingschap begint de persoon van de noachide gestalte te krijgen. Het begrip ‘ben Noach’,’noachide’ begint een ideële meerwaarde te krijgen. Met de ‘zonen van Noach’ worden de ‘b’nee Noach’, de noachiden bedoeld, d.w.z. degenen die zich aan een bepaalde code houden en door rechtvaardig te handelen uitsteken boven hun omgeving. Aanvankelijk gaat het nog om rechtvaardigen onder alle mensen, naderhand, sinds het joodse volk door de gebeurtenissen in Sinaï een ‘status aparte’ heeft gekregen, worden met noachiden of zonen van Noach de Godvrezenden onder de heidenen bedoeld (bAvoda Zara 51 a). Een vreemdeling die zijn oude heidense levenswijze – afgodendienst in de ogen van de joden – heeft afgezworen, wordt een ‘zoon van Noach’ genoemd (bMakkot 9a).

Wij zouden het voorlopig zo kunnen formuleren: Een noachide is dus een niet-jood die niet alleen rechtvaardig leeft, maar die ook een oriëntatie in zijn leven heeft gevonden. Een noachide is iemand die de Thora en de traditie tot uitgangspunt en richtlijn voor zijn leven heeft genomen. De rechtvaardige levenswijze wordt ondersteund door studie van de Thora en de joodse traditie. De Thora en – sinds haar ontstaan – de joods traditie vormen dus de levensoriëntatie van de noachide.

In het voorgaande is impliciet ook de relatie van joden met niet-joden aan de orde. Het jodendom heeft zich sterk bezonnen op zijn relaties met de niet-joodse wereld. Het heeft echter nooit de behoefte gehad zijn visies op missionaire wijze uit te dragen. Aan de andere kant dwong zowel het leven onder niet-‘oden in de diaspora als het leven in eigen land tezamen met niet-joden van ver voor het begin van onze jaartelling tot in de jongste tijd het jodendom zich rekenschap te geven van die relaties. Die konden naar gelang van de groepering waar deze niet-joden deel van uitmaakten nogal van kwaliteit verschillen. Het had dus zin zich in die verschillen te verdiepen. Een noachide, d.w.z. een ‘ben Noach’ (zoon van Noach), was in het oude Israël een ‘geer-tosjav’, een inwonen vreemdeling: (bAvoda Zara 64b; vgl. Lev. 25:35 en bChoellin 114b).5 De noachidische voorschriften werden geacht van toepassing te zijn voor de heidenen (= niet-Joden) die destijds woonden in het land Israël en zich in hun levenswijze lieten leiden door de opvattingen van de Thora en de traditie. Naderhand werd de term ‘ben Noach’ ook gebruikt voor anderen (buiten Israël) die leefden overeenkomstig de zeven voorschriften. Noachiden zijn dus blijkbaar onder meer mensen die zich met het jodendom verwant voel(d)en. De minimum verplichting bestond hierin dat zij de geboden hielden die de zonen van Noach op zich hadden genomen.

Het houden van de noachidische geboden werd beschouwd als een minimum-voorwaarde wanneer men juridisch (halachisch) erkend wilde worden als zoon van Noach. Deze erkenning vond plaats doordat de niet-jood voor een joods gerechtshof van drie leden verklaarde zich niet met afgodendienst af te geven.6 Een noachide valt, zo is in de Talmoed de opvatting van Rabbi Meir (Tann. rond 150), onder de jurisdictie van de joodse traditie. Maar de ‘wijzen’, aanduiding voor de tannaïetische geleerden (tot 200) waren het niet met Rabbi Meir eens en namen een minder streng standpunt in dan Rabbi Meir. Zij stelden dat een noachide iemand is die de zeven opdrachten op zich heeft genomen (bAvoda Zara 64b). En het standpunt van de ‘wijzen’ is bepalend.

Het strengere standpunt is mogelijk het gevolg van bittere ervaringen die men had opgedaan met proselieten en inwonende vreemdelingen die al te gemakkelijk de weg naar het Christendom hadden gevonden.

De uitdrukking zonen van Noach of noachiden is voor de rabbijnen de terminus technicus geworden die betrekking heeft op de als zodanig halachisch erkende rechtvaardigen onder de niet-joden (oorspronkelijk de gerim-tosjavim, noachiden in strikte zin). De uitdrukking wordt in ruime zin ook gebruikt voor alle mensen die zichzelf als rechtvaardigen beschouwen. Belde groepen moeten echter onderscheiden worden van de ‘geree tsédeq’, de ‘rechtvaardige vreemdelingen’, d.w.z. diegenen die halachisch als jood worden beschouwd.7

3. Drie categorieën niet-joden

Volgens de jongste halachische jurisprudentie8, die zich overigens baseert op de grote autoriteiten van het verleden, dient men te onderscheiden tussen drie typen van niet-joden: de geer-tosjav, de noachide en de afgodendienaar.

1. De geer-tosjav, de ‘in- of bijwonende vreemdeling’. Het woord ‘geer’ wordt niet helemaal terecht ook wel eens met ‘proseliet’, d.w.z. ‘hij’ die naderbij komt’, vertaald. Een proseliet is iemand die tot het jodendom toetreedt. Volgens de Halacha is zo iemand een jood. (vgl. bJevamot 48b). In zekere, maar zeer beperkte mate is dat maar het geval met de geer-tosjav. Hij blijft niet-jood, maar hij neemt officieel voor een rabbinaal gerechtshof de verplichting op zich naar de zeven noachidische geboden te leven.9 Hij wordt dus met betrekking tot de naleving van deze geboden beschouwd ‘alsof’ hij een jood is, maar niet met betrekking tot de overige van de 613 mitswot. Maimonides (Mosje ben Maimon, 1135~1204) in zijn Misjnë Thora, Hilchot Melachim Regels voor Koningen) 8: 1 1 zegt: leder die de zeven geboden op zich neemt en zich erop richt ze te houden hoort tot de vromen uit de volkerenwereld (Chassidei Oemot ha’Olam) en hij heeft deel aan de toekomstige wereld; dit wil zeggen dat hij ze op zich neemt en ze doet omdat God ze in de Thora bevolen heeft en ons heeft bekend gemaakt aan Mozes onze leraar omdat ze aan de zonen van Noach altijd al bevolen zijn. Maar als hij ze doet op grond van logische overweging, dan is hij niet slechts een geer tosjav en evenmin een van de vromen uit de volkerenwereld, maar zelfs een van hun wijzen.10 ” Volgens Rasji (naar de beginletters van zijn naam Rabbi Sjlomo ben Jitzchaq, 1040-1105) op bAvoda Zara 64b is de geer~tosjav verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Aqiva (ong. 50-135) in bkeritot 9a is een geer-tosjav niet verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Jeroecham Perlow bedoelt Rabbi Aqiva daarmee dat hij slechts verplicht is op shabbat die dingen na te leven waartoe een jood verplicht is op de zogenaamde ‘Chol haMo’ed’, de weekdagen van een feest.11 In Israël betekent dit dat er ruimte ontstaat voor niet-joden om op shabbat toch bepaalde werkzaamheden te doen en bijvoorbeeld op zondag niet te werken.

2. De ben-noach, de ‘zoon van Noach’ oftewel de noachide. Dit is degene die wel de zeven noachidische voorschriften onderhoudt maar zich daar niet officieel toe verplicht heeft door middel van een verklaring voor een rabbijnse rechtbank. Noachiden zijn geen afgodendienaars, maar zij hebben zich aan de andere kant ook niet formeel voor een rabbijnse rechtbank verplicht tot de naleving van de noachidische geboden en staan dus niet onder rabbijnse jurisdictie. Volgens sommige Thora-autoriteiten mogen noachiden bepaalde voorschriften niet naleven, omdat ze specifiek alleen maar voor Israël gelden:

a. De sjabbat houden zoals de joden die houden;

b. De joodse feestdagen vieren zoals joden dat doen;

c. De Thora bestuderen op die punten die niet van toepassing zijn op de noachiden;

d. Het schrijven van een Thorarol, of het opgeroepen worden voor de Thora;

c. Vervaardigen, schrijven of dragen van gebedsriemen;

f. Bevestigen van een Mezoeza aan hun deurposten of zijkanten van hun poorten.12

3. De ovdei avoda zara, ‘degenen die avoda zara (= afgodendienst) plegen’, kortweg afgodendienaars. Een afgodendienaar is iemand die aan enig menselijk wezen of natuurverschijnsel goddelijke eer bewijst. jezus is voor joden een mens. Hem goddelijke eer bewijzen staat dus gelijk aan afgoderij. Toch wordt in het jodendom deze conclusie niet algemeen getrokken.

Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen avoda zara (afgodendienst) en sjittoef (polytheïsme of samenwerking; hier: het associëren van God met een sterfelijk wezen). Maimonides die leefde in een moslim-omgeving is zeer streng op dit punt. Christenen zijn volgens hem afgodendienaars, maar de moslims, die immers streng monotheïstisch zijn, niet.13 Meïri (Menachem Ben Silomo Meïri, 1249-1316) die in een christelijke omgeving leefde, is veel gematigder. Volgens hem is sjittoef geen afgoderij. Volgens Maimonides, zo is de consequentie van diens opvatting, mag men de shabbat niet ontheiligen om het leven van een christen te redden, volgens Meïri wel. De laatste stelt de christenen bijna gelijk aan de gerim-tosjavim.14

Toch gaat Maimonides in de praktijk niet zover dat hij hulp aan christenen uitsluit. In zijn Misjné Thora, Hilchot Melachim (= Regels voor de Koningen) 10, 12 stelt hij op basis van bGittin 61a dat men vanwege de ‘darkei sjalom’ Wegen des Vredes, vreedzame coëxistentie) de zieken van de afgodendienaars moet verzorgen, hun doden begraven en hun armen moet helpen.

4. Verfijningen in de onderscheidingen

De onderscheidingen die wij hierboven getekend hebben, worden in de halachische jurisprudentie nog verfijnd doordat men de bepaling of een niet-jood in een bepaalde categorie ondergebracht moet worden, relateert aan bepaalde verboden en geboden die aan het jodendom zijn opgelegd met betrekking tot hun verhouding tot niet-joden. Bijvoorbeeld: mag men wijn kopen van een niet jood? Een jood mag wel wijn verhandelen met een moslim, omdat een moslim met betrekking tot wijn geldt als een geer-tosjav. Een moslim mag ook tussen joden wonen (‘verblijf’) om dezelfde reden. Dergelijke detailleringen hebben in het verleden vreedzame coëxistentie in het land Israël mogelijk gemaakt.

Het is interessant dat het collectieve engagement met betrekking tot de Tien Geboden in de christelijke wereld soms bijna de Juridische waarde krijgt van een officiële verklaring voor een rabbinaal gerechtshof, dit ondanks het feit dat zij volgens de rabbinale jurisprudentie eigenlijk niet het recht hebben de eerste drie geboden (in de rabbijnse telling) als op zichzelf betrekking hebbend te onderhouden.

Toch zijn er (ook nu nog) stemmen die zeggen dat christenen met betrekking tot ‘wijn’ en tot ‘verblijf’ de status hebben van afgodendienaars.

Aantekeningen

1.Vgl. ook de verklaringen van Rasji op bAvoda Zara 5 1 a. Met betrekking tot wijze van citeren van beide talmoedim zij verwezen naar aantekening 1 van de inleiding.

2. Midrasj Tanchoema (ed. Lublin 1893), parasjat Noach II, 8b; zie: Zlotowitz, Rabbi Meir & Scherman, Rabbi Nossom, A traditional commentary on the Books of the Bible. Artscroll Series, Vol.I, Bereshis. New York, Mesorah Publications Ltd., 1977, p222. Hier verder aan te halen als ‘Artscroll’. Vgl. ook: Leibowitz, Nehama, Studies in Bereshit (Genesis). Jerusalem, World Zionist Organisation, Department for Torah Education & Culture in the Diaspora, 1976, p59-66.

3. Beresjiet Rabba XXX,6. – De Midras’ Rabba bestaat uit een verzameling aggadische (= verhalende) literatuur op de vijf boeken van de Tora (Beres)’let, Sjemot, Waj’jiqra, Bamidbar, Devarim) en op de vijf Megillot (de zgn. ‘rollen’: Roct, Ester, Sjier hasjlerim, Kohelet, Eecha).

4. Midrasj Tanchoema, ed. Buber, Wilna, z.’., Repr. Jerusalem 1964, p31; vgl. Artscroll, p222-224.

5. Op deze talmoedplaatsen is echter geen sprake van de technische term ‘Ben Noach’, (noachide). Wel is sprake van ‘geer’ (vreemdeling), kennelijk in de zin van ‘geer- tosjav’ (inwonende of bijwonende vreemdeling van niet-joodse huize, en dus noachide).

6. Flusser, David, Het schisma tussen jodendom en Christendom. In: id., Tussen oorsprong en schisma. Artikelen over jezus, het jodendom en het vroege christendom. B. Folkertsma-stichting voor Talmudica. Hilversum 1978 4, p327; Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de joodse gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed. B. Folkertsma- stichting voor Talmudica. Hilversum 1978, p277.

7. Berman, Encyclopaedia Judaica. Keter Publishing House. Jerusalem 19784. Artikel van Saul Berman, in dl 12, p1190/91, hierna geciteerd: 12:1190/91.

8. Gershuni, Yehuda, Minority Rights in Isra21. In: Crossroads, Halacha and the Modern World. Zomet, Torah and Science Research Teams, Alon Shvut-Gush Etzion. Jerusalem 1987, p19-34.

9. Rabbi jomtov ben Avraham Isibili (Spanje, 1250-1330), de Ritva, in zl’n kommentaar op bMakkot 9a).

10. Aldus R. Avraham van Wllna, geciteerd door Gershuni, a.w..

11. In: Sefer hamitswot leRasag, Mitswot As@ 35~37.

12. Vgl. Clorfene & Rogalsky, p41,42; zie hieronder aantekening 31.

13. In: Mlsj’n6 Tora, Hilchot Avoda Zara (= Regels met betrekking tot afgodendienst).

14. M6iri, geciteerd door Gershuni, a.w..

Geef een reactie