HOOFDSTUK 1B

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING 1+2 + HOOFDSTUK 1a ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash.org ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 1B

7. Prometheusen Adam

Hoe groot het verschil in fundamentele attitude is met betrekking tot mens en de wereld tussen joodse traditie enerzijds en de op het griekse denken gebaseerde westelijke wetenschap anderzijds moge blijken ult enkele verhalen uit de griekse mythologie en in contrast daarmee uit de bijbel. Door de vergelijking van die verhalen wordt ook duidelijk welke houding men vanuit de Halacha zou kunnen aannemen ten opzichte van wat de griekse cultuur ‘hubris’, overmoed, heeft genoemd.

Een klassiek verhaal uit de griekse mythologie is dat van Prometheus. Prometheus en Epimetheus waren broers. Prometheus betekent zoveel als ‘die vooruitdenkt’, Epimetheus ‘die achteraf denkt’. Prometheus en Epimetheus waren de zonen van Titan, die tegen Zeus gestreden had. Prometheus was de mensen goedgezind en wilde hun het vuur verschaffen dat Zeus de mensen onthouden had omdat hij en zijn broer onder hen leefden. Hij steelt het vuur in een rietstengel. Zeus is razend. Hij stuurt Pandora met een doos met onheilen naar Epimetheus, die weliswaar gewaarschuwd was door zijn broer geen geschenken aan te nemen maar voor haar charmes bezwijkt. Hij neemt Pandora bij, zich in huis. Maar Pandora is nieuwsgierig: zij kijkt stiekem in de doos en alle onheilen, ziekten en rampen stormen eruit en verbreiden zich onder de mensen. Alleen de hoop bleef in de doos. Prometheus wordt voor straf aan de Kaukasus geketend en op gruwelijke manier gemarteld. Elke dag wordt zijn lever door een adelaar uit zijn lijf gescheurd, elke nacht groeit die weer aan.

Het verhaal is ontleend aan de griekse dichter Hesiodos en is duidelijk een uitgewerkte metafoor. Prometheus en Epimetheus zijn typologieën van de mensheid. Prometheus is het type van de geleerde, de wetenschapsman; Epimetheus van de mens die te laat nadenkt of helemaal met nadenkt bij wat hij doet, de zorgeloze mens. Pandora is het type van de bevallige, nieuwsgierige vrouw, maar ook van de mens die zich door geheimen tot onderzoek uitgedaagd voelt. Samen vertonen zij trekken die aan de mensheid eigen zijn. Wat in het verhaal van Hesiodos, zoals in vele griekse mythen, opvalt is de vijandschap tussen goden en mensen. De goden staan voor de natuur, maar ook voor de kosmische krachten. Vuur staat voor cultuur. Cultuur is datgene wat de mens op de chaos verovert. Maar met dat de mens zijn veroveringen doet groeit in hem de onzekerheid of hij dat wel mag. Hij voelt zich bedreigd. Hij beleeft de kosmische krachten, de krachten van de natuur als afgunstig. Zeus is de vader der goden, maar ook de projectie van alles waarvoor de mens in een in koortsfantasieën eindeloos uitgegroeide vaderfiguur bang is. Hij vertegenwoordigt de WET die de mens beperkt, waaraan de mens zich kan onderwerpen of waartegen hij in opstand kan komen wil hij uitgroeien tot volwassenheld. Maar dat kan vader Zeus – in de kinderlijk narcistische beleving van de mythenverteller – niet tolereren. Hij straft de menselijke overmoed op genadeloos wrede wijze.

Want het is in de griekse visie ‘hubris’, overmoed om het geluk, het succes of de kundigheld van de goden te benaderen. Nemesis, de wraakgodin is de personificatie van de wraakzucht van de goden als een mens te gelukkig, te succesvol of te kundig wordt. Een totaal ander beeld treffen wij aan in de bijbel. In de eerste plaats ontbreekt hier ten enenmale die afgunst en die vijandschap van de goden ten opzichte van de mensen die zo sterk aanwezig is in de griekse mythe. Maar er is een tweede aspect dat hier voor een goed verstaan van waar het in de halacha om gaat, aan de orde moet komen, een aspect dat te maken heeft met het westers-christelijke verstaan van de scheppingsverhalen.

De negentiende-eeuwse christelijke exegese heeft bedacht dat het boek Genesis ult verschillende bronnen moet samengesteld zijn, enerzijds vanwege het voorkomen van verschillende godsnamen in verschillende verhalen anderzijds doordat er hier en daar parallelle verhalen voorkomen. Zo worden vergelijkbare verhalen verteld over Abraham en over Isaak. En zo zijn er ook twee scheppingsverhalen. Bovendien komt in het zo-genaamde eerste scheppingsverhaal uit Gen 1 de godsnaam ELOHIM ( spreek uit ELOKIM, bhm) voor, in het tweede de combinatie JHWH ELOHIM (spreek uit: Adonaj ELOHIM) (spreek uit: HASHEM ELOKIM, bhm). Dat er twee scheppingsverhalen zijn was de rabbijnen ook al opgevallen, dat de godsnamen erin verschillen ook. Maar is het dan nodig een ‘scheikundige behandeling’ in de zin ‘van een bronnentheorie’ erop toe te passen?

De rabbijnse traditie kent de exegetische formule: ‘davar acheer’, ‘een andere zaak’ of ‘een andere benadering’. Als er van een bepaalde tekst meer dan een uitleg bestaat dan worden de ‘andere benaderingen’ of variante uitleggingen opgevoerd met de woorden ‘davar acheer’. Maar rabbijnse technieken en methoden zijn niet zomaar uit de lucht komen vallen. Zij hebben een lange voorgeschiedenis in de bijbel. 9

Het is heel goed mogelijk dat wij in Genesis 1 en 2 een voorbeeld voor ons hebben van wat in later tijd met ‘davar acheer’ aangeduid zou worden.In feite biedt een grote orthodoxe rabbijnse autoriteit uit onze dagen, Rav Joseph Baer Soloveitchik ult de Verenigde Staten ons in een opstel ‘De eenzame gelovige’ (The lonely man of faith) 10 een dergelijke interpretatie van beide scheppingsverhalen. Hij windt er geen doekjes om: er is sprake van twee verschillende scheppingsverhalen. Hij historiseert de verhalen niet en hij speelt ze niet uit tegen deontwikkelingen in de wetenschap. Hij verklaart met zoveel woorden: ‘Ik ben nooit ernstig verontrust geweest door het vraagstuk van de bijbels scheppingsleer versus het wetenschappelijke verhaal van de evolutie op zowel kosmisch als organisch niveau. 11Beide verhalen hebben hun eigen functie en betekenis. Het gaat om een tweevoudige typologie van de mens. Wat Soloveitchik in feite doe is belde verhalen als metaforen Iezen, waarbij ‘teken’ en ‘betekende’ niet persé hoeven samen te vallen en meestentijds niet samenvallen. Het teken verwijst naar het betekende.12

Adam verwijst naar ons. Wat in Adam leeft, leeft in ons. Soloveitchik spreekt over ‘Adam de eerste’ en ‘Adam de tweede’ en laat zelfs zien dat ook het gebruik van de verschillende godsnamen volledig functioneel is. Het gaat in het eerste scheppingsverhaal om een ander aspect van de mens dan in het tweede.

Gen 1:26-28:

En ELOHIM zei: Laat Ons een mens maken naar Ons beeld en Onze gelijkenis en zij zullen heersen over de vissen der zee en over het gevogelte van de hemel en over het vee en over de hele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt. En ELOHIM schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld van ELOHIM schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. En ELOHIM zegende hen en ELOHIM sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde en verovert haar en heerst over de vissen der zee en over het gevogelte van de hemel en over al het wild gedierte dat kruipt over de aarde.

Gen 2:7:

En JHWH (spreek uit: Adonaj) ELOHIM boetseerde de mens uit stof van de aardbodem en Hij blies in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd tot een levend wezen.

Gen 2:15:

En JHWH ELOHIM nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te dienen (bewerken) en te onderhouden (bewaren).

Gen 2:18-22:

En JHWH ELOHIM zei: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal voor hem een hulp tegenover hem maken. En JHWH ELOHIM boetseerde uit de aardbodem al het wild gedierte van het veld en al het gevogelte van de hemel en hij bracht ze tot de mens om te zien hoe hij die ging noemen. En zoals de mens elk levend wezen zou noemen zo zou diens naam zijn.

Maar voor zichzelf vond hij geen hulp tegenover hem. Toen deed JHWH een diepe slaap op de mens vallen en toen hij sliep nam Hij een van zijn ribben (of: zijden) en sloot de plaats ervan met vlees. En JHWH ELOHIM bouwde de rib (of: zijde) die Hij van de mens genomen had tot een vrouw en Hij bracht haar tot de mens.( …)

Het is duidelijk dat beide verhalen elkaar op wezenlijke punten lijken te weerspreken. Wij noemen er enkele:

a. In Gen 1 brengen de elementen de dieren voort maar neemt ELOHIM de schepping van de mens voor zijn rekening. In Gen 2 boetseert JHWH ELOHIM de mens en de dieren uit (het stof van) de aardbodem.b. In Gen 1 wordt de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen,in Gen 2 wordt de vrouw niet geboetseerd maar uit een zijde of rib van de man gebouwd.

c. In Gen 1 krijgt de mens de opdracht vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen en de aarde te veroveren en over de dieren te heersen. In Gen 2 plant God een hof en plaatst de mens daarin en geeft hem de opdracht die te dienen en te onderhouden, anders vertaald: te bewerken en te bewaren.

In de lijn van Rav Soloveitchik is het niet nodig daar absolute tegenstellingen van te maken. Het gaat in belde verhalen om polaire aspecten in het mens~zijn zelf. Hij meent dat het in Gen 1 gaat om de majestueuze mens, geroepen om te heersen en om zijn kundigheden te ontplooien. In Gen 2 gaat het om een ander aspect, het relationele: mens en mens zijn op elkaar aangelegd (de sociale dimensie) en God en mens gaan op intieme voet met elkaar om (de religieuze dimensie).In Gen 1 klinkt als het ware: Het is niet goed als de mens alleen werkt en daarom wordt de mens niet alleen geschapen. Hij moet medewerkers hebben. In Gen 2 wordt gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is.

8. Halacha als intoming van de menselijke hubris

Gen 2 is dus een aanvulling en een correctie op Gen 1. De mens is meer dan uit Gen 1 zou kunnen blijken. Vandaar dat de bijbel in Gen 2:4, 5 – als het ware – zegt: ‘ ‘Davar acheer’ (= ‘nu een andere kant van de zaak’ of ‘nu een andere benadering’): Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden ten tijde dat JHWH de aarde en de hemel schiep. (…) En er was nog geen mens om de aardbodem te dienen (of: bewerken)….’En dan komen onder meer de bovengeciteerde verzen. Soloveitchik legt er de nadruk op dat het zowel in Gen 1 als in Gen2 om een goddelijke opdracht én een menselijke mogelijkheid gaat.Ook het majesteiteitelijke, de verovering van nieuwe werelden en de heerschappij over de schepping – dat wil zeggen alles wat daarmee samenhangt als de ontplooiing van de wetenschap. het beleid van een regering, de handel, enz. behoort geheel en al tot een door God gewilde zijde van de mens, waarvan Gen 1 zegt: Zie het was zeer goed.

Maar als het daarbij blijft voldoet de mens niet aan zijn totale goddelijke opdracht. Hij verschraalt, hij vermaterialiseert. Vandaar ‘davar acheer’: de aanvulling en correctie van Gen 2. De verovering moet tot dienen leiden en het heersen moet bewaren worden. In Gen 2 blijkt de mens niet alleen te zijn. Niet alleen is daar de vrouw, de partner van de mens. Daar is ook God die de vrouw aan de mens voorstelt en die zich als de gevende openbaart. Hij schenkt (BARA = scheppen = schenken) mens en schepping aan elkaar en man en vrouw aan elkaar. De naam van God in Gen 2 verwijst naar de openbaring op Sinaï. JHWH (spreek uit: Adonai) is zijn verbondsnaam. Het gaat in Gen 2 om een verbond: tussen mens en mens en tussen God en mens. God is hier niet de vijand, de afgunstige, maar vader en vriend. De relatie met God behoort tot de gegeven (geschapen, geschonken) mogelijkheden: de mens heeft het in zich om naar die mogelijkheden te leven. De weg daartoe is – zoals in de inleiding gezegd – voor de joodse mens de halacha. Want halacha is dienen en bewaren. In de halacha wordt de wandel van de mens (HaLaCH = wandelen) tot dienst aan God, mens en wereld.

Adam is niet de bijbelse Prometheus en God niet de bijbelse Zeus. Het mag zijn dat er trekken van overeenkomst zijn tussen Gen 3 en het verhaal van Pandora. In Gen 3 weet de slang Eva’s nieuwsgierigheid op te wekken en daar leidt Adams zwakheid tot hun zonde, maar wellicht ook tot hun volwassenheid: vanaf dat moment hebben zij de keuze tussen goed en kwaad, tussen goddelijk gebod en ongehoorzaamheid. Gen 3 zou men kunnen Iezen als een metafoor voor het verlies van de kinderlijke onschuld.

Maar bij Pandora ligt het anders: zij is de belichaming van de wraak van de goden. Het plan was van Zeus, en Hephaistos, ziin zoon, boetseerde haar uit klei, Athene, zijn dochter, gaf haar inzicht in de weefkunst, Aphrodite schoonheid en de zucht om te behagen, en zo werd zij de val van de domme Epimetheus.

En de oorzaak van deze keten van gevolgen is de menselijke overmoed, de hubris, die daarin bestaat dat de mens het kunnen en het geluk der goden durft te evenaren.

Men kan zeggen: Ook in Gen 1 en 2 is het element van ‘hubris’ aanwezig, maar die is alleen daar waar de mens slechts veroverend en heersend wil bezig zijn. Gen 2 voegt het element van dienen en bewaren toe. De mens naar Gods bedoeling is niet alleen de majesteitelijke, maar ook de dienende. En daarom heeft hij correct nodig. Hij moet leren de Juiste keuzes re maken. Dat is de weg van de halacha. De halacha leert de mens niet alleen te heersen over de schepping maar vooral ook over zichzelf. Dat is meer dan ‘wie zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt’. Halacha is een continue training in het volgen van de juiste prioriteiten. Halacha staat dus niet tegenover wat Rav Soloveitchik ‘majestas’ noemt, de ontwikkeling van de wetenschap en de verovering van nieuwe werelden, maar normeert die. De halacha veronderstelt de ‘majestas’ en behoedt die voor een karikaturale uitgroei als gevolg van een ongeremde narcistische expansie. Halacha is intoming van de menselijke hubris, wanneer hubris zoveel is als overmoed en narcistische expansie. Halacha helpt de mens ongewenst gedrag af te leren en gewenst gedrag aan te leren. En dat met name in relatie tot wereld, medemens en God.

9. Een halacha voor noachiden

Het Christendom is de enige, of althans een van de zeer weinige godsdiensten, waar de centrale religieuze concepten niet onmiddellijk vertaald worden in gedrag. Ook dat is een griekse erfenis.13 Maar dat is niet altijd zo geweest. Het oudste Christendom was nog sterk halachisch gericht. Men hoeft er de brieven van Paulus maar op na te Iezen om te weten hoezeer het daarin op handelen, normatief handelen aankomt. Het oudste ‘kerkelijke’ besluit (Hand. 15) is evenzeer halachisch van aard en niet primair gericht op een geloofsinhoud zoals het christendom van na de tweede eeuw.

Een toenemend aantal mensen is tegenwoordig minder in traditionele geloofsinhouden geïnteresseerd. Zij zoeken meer naar een orthopraxie (juist handelen) dan een orthodoxie (juist belijden). De milieu crisis heeft daartoe bijgedragen, maar ook het falen van het christendom in de grote crises van deze eeuw: de beide wereldoorlogen, de verschillende genocides, de holocaust van de Armeniërs en die van de joden en die van de christelijke volken in Voor-Azië en Afrika. Om van de rest maar te zwijgen. Veel mensen zoeken naar een normering van het handelen.

Het rabbijnse jodendom kende de zogenaamde ‘Mitswot B’nee Noach’, de ‘opdrachten van de nakomelingen van Noach’ oftewel noachidische voorschriften. De regels en voorschriften waarnaar het oudste christendom leefde en die voor een deel bij Paulus terug te vinden zijn, verbonden met een stuk discussie over hun geldigheid, zijn op zijn minst sterk verwant daarmee.

Het is niet ondenkbaar – maar daar zou hard aan gewerkt moeten worden – dat men vanuit de halachische wortels van het oudste christendom probeert te komen tot het ontwikkelen van een noachidische halacha. Een keuze voor een autoloze zondag zou daarin niet ondenkbaar zijn. Het is duidelijk dat de regelgeving niet een arbitraire zaak mag zijn en evenmin een zaak waar men zich aan mag houden als men daar zin in heeft. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden die bindend zijn voor de betrokkenen, contracten die nageleefd worden. Afspraken en contracten maken een belangrijk deel uit van de halacha. Waarom dan met van een noachidische halacha? De wereld zou er wel bij varen. Misschien moeten wij opnieuw kiezen tussen Prometheus en Adam. Niet tegen ethiek maar voor halacha.

Aantekeningen

9. Zie: ‘Op zoek naar Thora’, hfdst 4, 5, blz 43-65, waar de auteur verslag heeft gedaan van eigen onderzoek op dit gebied en ver-wezen heeft naar andere publikaties op dit punt.

10. Soloveitchik, Joseph B., ‘De creativiteit van de Halacha’, inleiding

en samenstelling Reinier Munk, Hilversum, Gooi&Sticht, 1989.

11. a.w., blz 39.

12. Zie hiervoor: ‘De vergeten taal van het verhaal’, waarin uitvoerigstilgestaan wordt bij het verhaal van Genesis 1 en getoond wordt uit welke elementen dit verhaal is opgebouwd (blz 68-77). Zie voorts over metaforen en parabels als verhalen in beeldtaal: blz 19ev, 38. Dit bock beschrijft een door een van beide auteurs aan de Theater-school in Kampen ontwikkelde methode om verhalen en metaforen re verstaan en ermee te werken.

13. Zie in dit verband: ‘Gods Partner,, blz 2lev., 57.

Geef een reactie