DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 1a

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING 1+2 ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 1a

Halacha als regulering van gedrag en als intoming van de menselijke overmoed

1. Wat Is ‘halacha’?

Om maar met de deur in huis te vallen: Halacha is geen ethiek.

Halacha houdt zich bezig met het beschermen van belangen en dus met het definiëren ervan en met het reguleren van menselijk gedrag in functie daarvan.

Halacha is z’n zekere zin een gedragswetenschap, die zich bezig houdt
met afleren van ongewenst gedrag en het aanleren van gewenst gedrag.

Halacha is ook juridisch en jurisprudentieel van karakter. Het woord ‘halacha’ komt van het werkwoord ‘HaLaCH’, dat zoveel als ‘wandelen, lopen’ betekent en heeft onder meer betrekking op de ‘levenswandel’.

‘Onder meer’ inderdaad, want de halacha houdt zich ook bezig met de betrekkingen tussen mensen, tussen mens en God, mens en dier, mens en omgeving en dus ook mens en natuur. Wat de betrekkingen tussen mensen betreft vallen ook contracten eronder, dus ook het huwelijk en de huwelijksverplichtingen van gehuwden tegenover elkaar. Maar ook oorlogsbepalingen en werkgever-werknemerverhoudingen en bepalingen ten aanzien van hoe men te handelen heeft ten aanzien van de sociaal zwakken.

Op het punt van de relatie mens-God bepaalt de halacha bijvoorbeeld de gebedstijden, maar ook de bewoordingen van de gebeden en de vraag wanneer de mens tegenover God in schuld staat en hoe die schuld voldaan kan worden. Inzake de relatie tussen mens en dier houdt de halacha zich onder meer bezig met het boerenbedrijf.

En met betrekking tot de relatie mens-natuur/mens-omgeving definieert de halacha onder meer de regels voor het kappen van bomen en dus ook de bosbouw. En voorts bepaalt de halacha in de relatie mens-mens bijvoorbeeld ook de houding van de mens in medische situaties, zoals met betrekking tot geboorteregeling, abortus, euthanasie, en prioriteiten ten aanzien van intensive care.

2. Ethiek ls vormend, niet bindend

Datgene wat men in het Westen verstaat onder ethiek is een filosofische of theologische discipline en hoort in het jodendom niet onder de halacha maar onder de Aggada thuls. De Aggada omvat alles wat geen halacha is binnen de joodse traditie.

Het woord ‘Aggada’ kan men het beste verstaan vanuit de betekenis van het werkwoord ‘lehaggied’ dat ‘vertellen, zeggen, aankondigen, openbaren, bekendmaken’ betekent. En men komt de betekenis van het woord dan nog een stapje nader wanneer men bedenkt wat ‘Maggied Katoev’ in de Talmoed (de normatieve traditie codex) betekent,nl. De Bijbel wil zeggen’, of ‘Wij leren uit de Bijbel…,.De uitdrukking ‘Maggied sjé…’ betekent daar zoveel als ‘Wij leren (uit de Talmoed) dat…’. Dat betekent: alles wat de Traditie te leren biedt en wat niet ‘halachisch’ is in de zin van het formuleren van gedragsregels en afspraken, dat is Aggada en daar valt ethiek in onze zin van het woord dus ook onder. Dat betekent niet dat ethiek niet belangrijk is en dat men zich in het ‘jodendom met voor ethiek’ interesseert. Integendeel, in de Talmoed komen veel ethische uitspraken en beschouwingen voor en daar wordt toewijding op geleerd’. Alleen hebben deze niet de binden de kracht van de halacha. Ethiek is wel vormend maar niet bindend. Halacha is normatief én bindend.

Ethiek houdt zich wel met normen bezig maar is niet normatief. Wat de ethiek wel kan, juist doordat zij tot de Aggada behoort, is betekenissen opsporen en bewust maken. Ethiek draagt bij tot de bezinning over normen en waarden. De halacha konkretiseert die normen en waarden in bindende regels.

Ethiek kan een belangrijke kritische functie hebben. Zij kan de mensen bewust maken van wat wel en niet aanvaardbaar is en waarom. De ethicus Bonhoeffer heeft al heel vroeg velen bewust gemaakt van de gevaren van het opkomende nazisme. In die kritische bewustmaking ligt de kracht en de beperking van de ethiek.

3. Halacha of ethiek?

Er bestaat ook een joodse ethiek: een uitspraak als ‘Houd van de arbeid, haat hoge ambten en probeer met op goede voet te komen met de autoriteiten’ (Plrqé Avot I 10) is een ethische maxime maar heeft geen enkele uitwerking gekregen in de halacha in de zin dat het halachisch strafbaar zou zijn niet van werken te houden, graag een hoge functie te verwerven en op goede voet te verkeren met ministers en staatssecretarissen. Maar wat die uitspraak wel heeft gedaan, evenals bijvoorbeeld het boek Qohélet (Prediker), is de mensen bewust maken van wat het hebben van macht inhoudt, hoe men met het gezag om moet gaan, dat wil zeggen met mensen die het gezag vertegenwoordigen of die macht hebben. Ethiek schrijft niet voor maar geeft meningen en overwegingen en kaders om te kiezen. Men Ieze maar eens Qohélet (Prediker) 9:13 – 10:20; bijv. 10:4:

Indien de geest van een machtige zich tegen u verheft, beweeg u
dan niet van uw plaats, want kalmte voorkomt grote misstappen.

Dat wil zeggen: met macht moet men behoedzaam omspringen. Het is heel belangrijk te onderkennen wat het betekent geen macht te hebben en welke’ houding men moet aannemen tegenover mensen die wel macht hebben. Met nederigheid of kruiperigheid komt men dan niet ver, maar met arrogant gedrag evenmin. Een rustige, wijze zelfbewustheid is het meest op zijn plaats. Vandaaruit weet men ook op tijd te zwijgen en niet de toorn van de machthebber over zich heen te halen. Wat wel halachisch is, is het voorschrift uit Ex 22:27: ‘De ELOHIM ( in deze context ELOKIM, bhm ) zul je niet vervloeken en een vorst onder je volk zul je met verwensen.’ Daar is wel halachische jurisprudentie over. Dat voorschrift is halachisch zo uitgewerkt, dat ELOHIM ( in deze context ELOKIM, bhm ) zowel ‘rechters’ kan betekenen als ‘God’ en dus op beide slaat.’ Het voorschrift eist geen onderworpenheid maar een houding van respect en het heeft tot een hele jurisprudentiële discussie geleid over wat er nu precies afgewezen wordt en wat niet.Wat dus strafbaar is en wat niet. Daar heeft de passage uit Qohélet niet toe geleid.

Wie zich dus een beeld wil vormen van de laatbijbelse ethiek zoals die verworteld is in de bijbelse wijsheidsliteratuur, die kan daarvoor onder meer terecht in de boeken Prediker en Spreuken in de Bijbel, wie zich voor de oudste lagen in de halacha interesseert, die onderzoeke de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en als hij dan de wetten en voorschriften daaruit bekijkt, zal hij ontdekken dat daaronder wel ethische overwegingen liggen maar dat die niet beslissend zijn. Wat beslissend is is dat de regels uitvoerbaar moeten zijn. De regels zijn niet bedoeld als een inspiratiebron voor ethisch denkende mensen maar als handvatten voor rechters en rechtbanken. Daarom heeft het ethische denken van latere (nabijbelse) tijd, rond het begin van onze jaartelling zijn neerslag gevonden in een ethisch traktaat als ‘Plrqé Avot’, het halachische denken heeft zijn uitwerking gekregen door de arbeid van Leerscholen en Academies die tegelijk rechtscolleges waren. Die uitwerking vond plaats in een halachische jurisprudentie, die uiteindelijk zijn neerslag vond in de Misjna (rond 200) en de Talmoed (rond 500).

4. Willekeur?

Ethiek is altijd afhankelijk van het theologische of filosofische systeem waaraan ze haar beginselen ontleent. Halacha is niet afhankelijk van een theologisch of filosofisch systeem maar kan wel filosofisch of theologisch doordacht en beargumenteerd worden: in verschillende tijden hebben denkers van velerlei richtingen gepoogd een motivatie voor de halacha te ontwerpen; dat nam echter nooit weg dat niet de filosofie de constante was maar de halacha. Elk filosofisch of theologisch systeem heeft daarentegen zijn eigen ethiek. In de klassieke oudheid hadden de platonische en aristotelische filosofie hun eigen ethiek die echter hemelsbreed verschilde van de stöische en van de epicureese ethiek. En in onze tijd in het Westen verschilt demarxistische ethiek in vele opzichten van de katholieke, de lutherse, de doopsgezinde, de calvinistische en humanistische ethiek. Dat geeft aan ethiek iets willekeurigs. Ook bij de halacha kan zich een element van schijnbare willekeur voordoen. Men spreekt wel van ‘halachische decisoren . Dat zijn mensen die op basis van hun kennis van de halacha in staat zijn om halachische beslissingen te nemen.

Zo’n beslissing hangt in sterke mate af van de precedenten of modellen die de halachist hanteert en naar analgie waarvan hij zijn beslissing neemt. Ook in dat opzicht lijkt de halacha op bijvoorbeeld de Nederlandse jurisprudentie. Op basis daarvan kunnen verschillende rechters tot verschillende beslissingen komen, waarbij’ dan steeds in laatste instantie de uitspraak van het hoogste rechtscollege geldt. Wie echter bij de halacha als hoogste rechtsautoriteit geldt hangt in sterke mate af van het gebied waarop men een uitspraak wenst.

Op het gebied van de medische halacha zijn bijvoorbeeld Opperrabbijn Immanuel Jakobovits van Engeland, Rabbijn J. David Bleich ult Amerika en vooral Rabbljn Eliezer Wallenberg ult Israël grote autoriteiten. Zij zijn het beslist niet op alle punten met elkaar eens. Wil nu een dokter een uitspraak dan mag hij ze niet een voor een langsgaan en dan diegene volgen die hem het beste uitkomt. Hij moet weten wie hij vragen wil. Door te vragen bindt hij zich, zich aan diens uitspraak te houden. Het element van willekeur wordt onderkend en ondervangen door de keuze die men maakt en door de discipline die men zich oplegt.

5. Halachische jurisprudentie

Wij hebben aan het begin van dit hoofdstuk gezegd:

‘Halacha houdt zich bezig met het beschermen van belangen en dus met het definiëren ervan en met het reguleren van menselijk gedrag in functie daarvan.

Halacha is dus in zekere zin een gedragswetenschap, die zich bezighoudt met afleren van ongewenst gedrag en het aanleren van gewenst gedrag. Halacha is ook juridisch en jurisprudentieel van karakter.’ Dat betekent dat zij niet statisch van karakter is. De jurisprudentie is de dynamische zijde van het recht. In de jurisprudentie openbaart het recht zich als bij de tijd. Zo blijft de halacha ook niet op een bepaald punt staan. Zij giet haar inzichten niet onvergankelijke en onveranderlijke vaten als zouden het boventijdelijke geloofswaarheden zijn.

Daarom verklaart de halacha ook geen teksten maar zij interpreteert ze. Interpreteren is wezenlijk anders dan verklaren. Bij een interpretatie kan de oorspronkelijke betekenis van een tekst slechts relevant zijn in zoverre deze op dit moment aanhechtingsmogelijkheden voor nieuwe interpretaties biedt. De oorspronkelijke betekenis kan echter ook volledig schuilgaan achter innovatieve jurisprudentiële betekenissen die men eraan toekent. Bij een interpretatie stelt men zich de vraag: Welke betekenis kunnen wij nu, op dit moment, aan deze tekst geven om hem te kunnen laten functioneren naar de behoeften van het moment in een actueel rechtssysteem.

Een bekend voorbeeld daarvan ’s het begrip ‘geer’.

Als in Lev 19:33, 34 staat – en let daarbij op het voorkomen van de stam G-R in de tekst -: ‘Wanneer een vreemdeling (geer) bij u in uw land vertoeft (jagoer), dan zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling (geer) gelden die bij u vertoeft (ha-gar itchem), en gij zult hem liefhebben als u zelf, want gij zijt zelf vreemdelingen (gerim) geweest in het land Egypte. Ik ben Adonaj ( HaShem, bhm) uw God!’, dan heeft dat jurisprudentieel niets met vreemdelingenliefde (xenofilie) te maken, maar alles met hoe men zich dient te gedragen tegenover de proseliet, de jodengenoot. Want ‘Geer’ is de technische term geworden voor iemand die de stap heeft genomen over te gaan naar het jodendom met alle halachische consequenties vandien.2 Uit dat woord ‘geer’ zijn dan ook allerlei Juridische termen ontwikkeld: ‘lehitgayyeer’ (= overgaan tot het ‘jodendom); ‘giyyoer’ (= procedure van de overgang), etc.

Een ander voorbeeld ontlenen wij aan de medische halacha, waar men het woord ‘rodeef’ (iemand die een ander achtervolgt met het oogmerk die ander te doden) toepast op een foetus dat een gevaar betekent voor het leven van de moeder, in welk geval therapeutische abortus is toegestaan.3 Dat is interpreteren en dus niet verklaren of uitleggen. Het is meer ‘eisegese’ (Inlegkunde) dan ‘exegese’ (uitlegkunde).

6. Een fundamentele keuze

Nu wij hebben stilgestaan bij de vraag wat bet begrip ‘Halacha’ als gedragswetenschap en als jurisprudentieel proces inhoudt is het van belang helder te krijgen welke fundamentele keuze aan de Halacha ten grondslag ligt.

Er wordt weleens gezegd dat ‘het hebreeuws niet over een abstracte terminologie beschikt’ omdat de rabbijnen een voorkeur hadden voor verhalen.4 Het zij ons vergund hier met grote nadruk te verklaren dat dit baarlijke nonsens is. Men kan dit zo op deze wijze niet stellen. Het hebreeuws beschikt wel degelijk over een abstracte terminologie op verschillende gebieden. Weliswaar niet over een abstracte filosofische terminologie, wel echter over een abstracte jurisprudentiële terminologie en evenzeer over een abstracte argumentatie theoretische terminologie. Reeds in de oudste traditieverzamelingen (Misjna, Tosefta en halachische Midrasjim) kan men de ontwikkeling daarvan opmerken. En in de belde Talmoedim zijn ze tot volle ontplooiing gekomen.

Bovendien blijkt er onder de rabbijnen van het land Israël rond het begin van onze jaartelling tot aan de periode van de afsluiting van de Talmoed Jeroesjalmi, de talmoed van het land Israël (rond 400) een gedegen kennis van het grieks en van de griekse filosofie bestaan te hebben, zodat men mag aannemen dat als zij de ontwikkeling van een abstracte filosofische taal in het hebreeuws en/of aramees gewenst of noodzakelijk gevonden hadden, zij die zeker ter hand genomen zouden hebben. AI was het maar door het invoeren van griekse leenwoorden op filosofisch gebied in het hebreeuws en aramees. De joodse massa’s waren in die mate met de griekse taal vertrouwd dat griekse leenwoorden in het hebreeuws voorkwamen op alle terreinen van het leven in Israël. Vergelijkbaar met het engels in onze tijd.5

Bepaalde formules uit de grieks-romeinse wetgeving waren onder het volk populair in de taal van hun oorsprong. Als men er dus geen behoefte aan had een eigen hebreeuws-filosofisch abstract jargon te ontwikkelen, zoals men dat in de middeleeuwen gedaan heeft (Maimonides e.a.) maar wel een abstracte jurisprudentiële terminologie, dan lijkt daaraan een keuze ten grondslag gelegen te hebben. En deze keuze had iets te maken met het verschil in relatie met de werkelijkheid tussen de griekse en de joodse cultuur.

Zoals elders aangetoond6 is de binding met de werkelijkheid in het ‘jodendom bijzonder groot. Daarmee hangt ook de voorkeur samen die men heeft voor concrete termen. De Misjna is in zes delen verdeeld, die achtereenvolgens heten: Zaden (niet: Landbouw), Feesttijd (niet: Kalender), Vrouwen (niet: Relaties), Schadegevallen (met: Strafrecht), Heilige Zaken (niet: De problematiek van Heilig en Onheilig), en Reinheden (niet: Het stelsel van Rein en Onrein). Onder die hoofden groepeerde men alles wat er zakelijk mee verwant was.

Er bestaat in de rabbijnse literatuur geen Scheppingstheorie, er zijn wel scheppingsverhalen. (Wij komen daar in het vervolg nog op terug.) Het begrip ‘schepping’ verwijst niet primair naar een theorie over het ontstaan van de aarde, maar naar de werkelijkheid die als door God gegeven wordt beleefd. De belangrijkste connotatie van het begrip BaRA, ‘scheppen’ is ‘schenken’: de werkelijkheid wordt als gave beleefd en vandaaruit is het zich bewustworden van het ‘gave’-karakter van de werkelijkheid tegelijk het aangaan van een relatie met de Gever.

Deze sterke binding aan de werkelijkheid blijkt ook ult de bepaling van de gebedstijden: Men mag het ochtendgebed pas doen als men heeft kunnen constateren dat het licht geworden is, het avondgebed als men heeft kunnen vaststellen dat de schemering is ingevallen, het middaggebed na de hoogste stand van de zon. Het maanjaar wordt zodanig gecorrigeerd door periodieke afstelling op het zonnejaar dat de binding met waarneembare zaken als oogst en zomer gehandhaafd blijft. Met deze zin voor het concrete hangt ook een natuurlijk gevoel voor metaforen samen. Als men een abstract gegeven duidelijk wilde maken greep men naar een metafoor.

Rabbijnse verhalen zijn vaak uitgewerkte, uit het leven gegrepen metaforen. Een goed gekozen metafoor is vaak veelzeggender dan een goedsluitend logisch betoog.7 Uitvloeisel van die attitude is ook de keuze voor het concrete in de regelgeving van de Halacha. De grote aandacht van de halachische autoriteiten, de hiervoor genoemde ‘decisoren’, gaat naar de heel precieze definiëring van een probleemgeval of -situatie, een heel precieze analyse van de bronnen en van moeilijke precedenten daarin of van gevallen die analoog lijken en/of vanwaaruit men een transpositie kan maken. In leder geval moet de halachische uitspraak die gedaan wordt ‘naadloos’ op het probleem passen.

Als men zich nu afvraagt welke de keuze is die aan deze voorkeur voor concrete regelgeving ten grondslag ligt, dan kan men vaststellen dat het ‘jodendom, in het dilemma beheersing van de natuur versus beheersing van de krachten in de mens de voorkeur aan het laatste heeft gegeven: Halacha is als regulering van gedrag gericht op intoming van de menselijke overmoed. De mens moet leren zichzelf te beperken, in te tomen, om niet te vervallen in een narcistische egomanie die de hele wereld beleeft als een geweldige uitbreiding van zichzelf en daaraan ongelimiteerde rechten ontleent. De relatie tussen mens en wereld wordt dan als die tussen een baby en zijn moeder waarbij de moeder er volledig is en dient te zijn voor de behoeftebevrediging van het kind. Als daar van buitenaf grenzen aan worden gesteld door een uitwendige WET reageert het kind met onlustgevoelens. Deze wet wordt ervaren als een ‘verbod’, precies omdat hij een inbreuk betekent op het narcisme, dat spontaan en anarchistisch zijn weg gaat zonder naar links of rechts te kijken (… ).’ Burggraeve, in zijn boek over Levinas en de psychoanalyse, zegt hierover: ‘Het narcisme zoekt in feite een permissieve vader, die alle verlangens van het kind onmiddellijk en volledig inlost.’8 Is die vader niet van zins permissie te reageren dan resten nog slechts ofwel onderwerping ofwel opstand in de zin van het overtreden van de vaderlijke wet en van de kant van de vader een strenge, in de fantasie van het ‘kind’ soms zelfs genadeloze be- of afstraffing.

Aantekeningen

1. Men zie hiervoor het overzicht van de positieve en negatieve Mitswot – zoals die uit de Thora zijn afgeleid in een halachische jurisprudentie van meer dan vijfentwintig eeuwen – dat Willem Zuidema heeft weergegeven in een Aanhangsel bij de vijfde druk van zijn ‘Gods Partner, Ontmoeting met het jodendoom’, Baarn, Ten Have 1988, blz 242-271, en dan hier in het bijzonder de verboden 315, 316.

2. Zie: ‘Gods Partner’, de positieve mitswa 207 (blz 252).

3. Misjna Sanhedrin VIII 7; Maimonides, Mlsjné Thora, Hilchot Rotzeach 1, 9; vgl. Feldman, Rabbi Dr David M., Marital Relations, Birth Control and Abortion in Jewish Law, New York, Schocken Books 1988, blz 275. Het voorschrift met betrekking tot de achtervolger is door generalisatie uit onder meer Deut 22:27 ontwikkeld: men mag eigen of andermans leven redden door de vervolger te doden mits men deze – indien mogelijk – gewaarschuwd heeft.

4. Zie het verweer tegen deze voorstelling van zaken in Willem Zuidema, ‘Op zoek naar Thora’, verkenningen in de rabbijnse traditie, Baarn, Ten Have 1986, blz 37vv, en de referenties op blz 42.

5. Het moet ons van het hart dat wij de engelse overheersing niet alleen maar als positief beleven: onze straten zien er soms uit als die van een engelse kolonie! Een van de ministers ging enige tijd terug in zij’n subkoloniale attitude zelfs zover dat hij het engels tot voertaal aan de universiteiten wilde maken. Voor de oorlog wisten de Duitsers het al:’Holland annexiert sichselbst!’

6. Op zoek naar Thora, t.a.p.

7. Zie voor dit fenomeen in de bijbel, in de joodse en andere verhaal- culturen Willem Zuidema, ‘De vergeten taal van het verhaal’, Baarn, Ten Have, 1989, passim.

8. Zie voor dit aspect: Burggraeve, Roger, ‘Van zelfontplooiing naar verantwoordelijkheid, een ethische Iezing van het verlangen, ontmoeting tussen psychoanalyse en Levinas’, Leuven/Amersfoort, Acco, 1981, blz 30 et passim.

Geef een reactie