Deel 2. DE VUILNISBELT VAN DE STAD

Ondanks de religieuze nastreving van sommigen of andere analogieën tussen de kruisiging van Jezus en de verwoesting van de Tweede Tempel een generatie later, is het een historisch feit dat de Romeinen in beide gevallen een opstand onderdrukten van Joden die rebelleerden tegen hun autoriteit – en tegen de autoriteit van de Rabbijnen. Jezus was een politieke lastpost en evenzo de Sicarrii, de strijders die de Rabbijnse waarschuwingen negeerden en een ondergrondse verzetsbeweging hadden gevormd. De Joden, die sinds lang vertrouwd waren met het gemis van soevereiniteit en als voordeel had een gemeenschap te zijn die op zich zelf was aangewezen als een tak van andere dispergerende gemeenschappen, werd aangespoord door de Zeloten onder hen, om een rebellie te starten wiens uitkomst verregaande consequenties zou hebben. Toen de Romeinen de revoltes hadden gebroken, veranderden zij Jeruzalem tot een voorbeeld van een heidense stad, die in alles voorzag om een Romein een geurig heidens leven te bieden: theaters, openbare badhuizen en aangename plaatjes en hoekjes voor schunnige sculpturen. Maar de meest interessante en werkelijk doorslaggevende gebeurtenis vond eerder plaats, tijdens het hoogtepunt van revolte.

Terwijl de Romeinen nog steeds bezig waren met hun praktijken om Joden af te slachten (met de Tempel nog steeds intact), leidde Rabbi Jochanan Ben Zakkai geheime besprekingen met hen. Hij wenste toestemming voor de vestiging van een religieus centrum in Javne, als een alternatief voor Jeruzalem.
De Romeinen accepteerden zijn voorstel zeer hartelijk, en zonden hem op weg met hun zegen, en continueerden hun bezigheid, het afslachten van de rebellen. De reden dat Rabbi Jochanan het Sanhedrin verplaatst naar en installeerde in Javne nog voor de verwoesting van de Tempel was om de Halachisch gefundeerde religie te verzekeren en te continueren. Dat een groep Joden die het Christendom voortbracht omstreeks de zelfde tijd zich manifesteerde, was een tweede gelijkvormig en complementair fenomeen. Beide stammen uit het verlaten van het idee dat de religie gebaseerd is op nationale soevereiniteit; beide kwamen tot de visie dat de stad van de Tempel het concrete Jeruzalem, waarvoor gevochten moet worden en normaal leven moest worden gehandhaafd, was verdrongen door een soort “Hemels Jeruzalem” waar geen belasting werd geïnd en geen rioolwater problemen bestonden. Het was het Jeruzalem van engelen, van goud en kristal, daken van smaragd–alles, behalve Jeruzalemmers. Het aardse Jeruzalem was in die tijd niet iets om over te onderhandelen. De Romeinen staken alles aan wat maar brandbaar was, en toen zij de stad hadden herbouwd, doopte zij het “Aelia Capitolina.” En Judea werd Philistinoi de naam van een niet Semitisch volk dat al honderden jaren was uitgestorven. De Tempelberg werd volkomen verwaarloosd, en in ruïnes van de Tempel huisden wolven vergezeld door uilen (zoals de profeten hebben vooruit gezegd). Toen Rome in de vierde eeuw het Christendom als staatsgodsdienst aannam, werd de bestemming van de Tempelberg voor de komende 300 jaar een stadsvuilnisbelt.

De Byzantijnen, die Jeruzalem heiligden, verontreinigden de Tempelberg niet meer, niet omdat er geen plaats meer zou om het stadsafval te dumpen, maar opzettelijk, na zorgvuldige overweging, zoals wetenschappers die via een theorie een experiment proberen aan te tonen. En het experiment was, passend, simpel en overtuigend: De G`D van de Joden was van plaats gewisseld, had de Tempelberg verlaten en was nu aan de zijde van de Christenen, dus het kon Hem geen moer schelen als de Tempelberg stonk als een paar te lang gedragen sokken. Hij was moe van de Fundatiesteen en had zijn Goddelijkheid verplaatst naar een andere steen 500 meter verderop, westelijk van de heuvel: de roze getinte marmeren bedekking van Zijn zoon`s graftombe.
Het was naar deze plaats waar de pelgrims stroomden. Hier wierp men zich ter aarde, hier weende men en brandden wierrook (zoals in de Tempel) en bouwde een kerk, rijk aan mozaïek en licht van Kandelaren, een bouwwerk vol van verlangen.

EN TOEN ARRIVEERDEN DE ARABIEREN.

Hoog zittend op zijn kameel, lichtelijk schommelend in het bepakte zadel, overkeek de kalief Omar Ibn Khatib de stad naar welke hij zijn leger had geleid, parkeert de kameel met een autoritaire “ho ho ho,” en stapt af om een aantal feiten op een rij te zetten. Het was in het jaar 638, zes jaar na de dood van de Profeet Mohammed, vier jaar na de ingangzetting van de Arabische veroveringsorkaan. De kalief had geen enkele aanwijzing over de juiste locatie van de heilige Joodse rots, maar wist dat er zo iets was als een rots in Jeruzalem, en de rest hoorde hij van een jood die bekeerd was tot de Islam .De voormalige jood leidde de Kalief naar de Tempelberg, en stapte uiterst behoedzaam met hem door de berg afval die de plaats bedekte en stopte in midden van de dump en wees nadrukkelijk neerwaarts. Het vuilnis werd geruimd, de vererende rots werd onthuld en de nieuwe bezitters glimlachten met diepe tevredenheid. Hun tijd was gekomen; als dit de navel was van het Joodse Universum, en als Jeruzalem evenzo de navel was van het Christendom, dan is de inhoudelijke overheersing van de plaats gelijk aan de overheersing van de Wereld.

Geef een reactie