DE VIER FUNDAMENTELE DIMENSIES VAN “ZIJN” OF VAN VIER VERSCHILLENDE WERELDEN

ARTIKEL RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

DE MATERIËLE WERELD EN DE WERELD VAN FORMATIE [ ENGELEN ]

De materiële wereld waarin wij leven, het universum om ons heen dat wij objectief waarnemen, is slechts een deel van een onvoorstelbaar uitgestrekt systeem van werelden. De meeste van deze werelden zijn in wezen geestelijk, ze zijn van een andere orde dan onze gekende wereld. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat zij ergens anders bestaan; het betekent eerder dat zij in verschillende dimensies van het ‘zijn’ bestaan. Wat belangrijker is: de verschillende werelden doordringen elkaar en werken op een dusdanige wijze op elkaar in, dat ze als elkaars tegenhanger beschouwd kunnen worden, waarbij elk zichzelf weerspiegelt of projecteert op de wereld eronder of erboven, met alle wijzigingen, veranderingen en zelfs vervormingen die het gevolg zijn van een dergelijke wisselwerking. De specifieke wereld van de werkelijkheid die wij in ons dagelijks leven ervaren, is de som van deze oneindig complexe uitwisseling van heen en weer gaande invloeden tussen de verschillende gebieden.

Als ik over hogere of lagere werelden spreek, is het niet mijn bedoeling een werkelijk materiële relatie te beschrijven; want in het rijk van de geest bestaat deze scheiding niet. De woorden ‘hoog’ en ‘laag’ verwijzen alleen naar de plaats van elke specifieke wereld op de ladder van oorzakelijkheid. Als men een wereld ‘hoger’ noemt, betekent dit dat hij oorspronkelijker is, fundamenteler omdat hij dichter bij een oerbron van invloed staat, terwijl een lagere wereld een secundaire wereld zou zijn – in zekere zin, een kopie. Toch is de kopie niet zomaar een imitatie maar eerder een heel systeem,met een min of meer onafhankelijk eigen leven, en een eigen verscheidenheid aan ervaringen, kenmerken en eigenschappen.

De wereld waarin wij leven met alles wat daarbij hoort, wordt de ‘wereld van actie’ genoemd. Deze omvat zowel de wereld van ons zintuiglijke als ons niet-zintuiglijke bevattingsvermogen. Maar deze wereld van actie is niet geheel van dezelfde aard en dezelfde kwaliteit. Het lagere deel van de wereld van actie is bekend als de ‘wereld van de materie’ en van min of meer mechanische processen – dat wil zeggen, de wereld waar de natuurwet overheerst, terwijl boven deze wereld van de materie een ander deel van dezelfde wereld is, dat we de ‘wereld van geestelijke actie’ kunnen noemen. Het gemeenschappelijke van deze beide gebieden van de wereld van actie is de mens, het menselijk schepsel dat zo geplaatst is tussen de werelden dat hij aan beide deelneemt. Als een deel van het natuurkundige systeem van het universum is de mens ondergeschikt aan de natuurkundige, chemische en biologische wetten van de natuur, terwijl de mens, door zijn bewustzijn, zelfs wanneer dit bewustzijn volledig beheerst wordt door zaken van een lagere orde, tot de geestelijke wereld, de wereld van ideeën behoort. Zeker, deze ideeën van de wereld van actie zijn bijna volledig met de materiële wereld verweven; ze ontstaan eruit en reiken verder, maar ze gaan er nooit werkelijk buiten. En dit geldt evenzeer voor de hoogtepunten van de meest verreikende en omvattende filosofie als voor de denkprocessen van de onwetende mens, de primitieve wilde of het kind.

leder aspect van het menselijk bestaan is daarom zowel uit stof als uit geest opgebouwd. En tegelijkertijd is in de wereld van actie het geestelijke ondergeschikt aan het stoffelijke, in overeenstemming met het feit dat de wetten van de natuur het gezicht en de vorm van alle dingen bepalen en als brandpunten fungeren voor alle processen. In deze wereld kan de geest alleen verschijnen en zijn rol spelen wanneer de geest gebaseerd is op de werking van wat wij de ‘krachten van de natuur’ noemen. Met andere woorden: het doet er niet toe hoe abstract een gedachte is of hoe afgescheiden van de zogenaamde werkelijkheid, zij behoort toch tot de wereld van actie.De wereld van actie is echter slechts één wereld binnen een algemeen systeem van vier fundamentele dimensies van ‘zijn’ of van vier verschillende werelden, ieder met haar eigen kosmos en eigen wezen. Deze vier werelden worden in volgorde van de hoogste naar de laagste emanatie” schepping’, ‘formatie’ en ‘actie’ genoemd. Dat wil zeggen dat de wereld onmiddellijk boven de onze, de wereld van formatie is. Om het verschil te begrijpen moet men eerst bepaalde factoren begrijpen die de vier werelden gemeenschappelijk hebben. Deze factoren waren traditioneel bekend als ‘wereld’, ‘tijdvak’ en ‘ziel’. Tegenwoordig zouden we van ‘ruimte’, ‘tijd’ en ‘zelf’ (het beleven van ons ‘zijn’) spreken. Iedere wereld wordt van de andere onderscheiden door de wijze waarop deze drie factoren erin gemanifesteerd worden. In onze wereld bijvoorbeeld is het natuurkundig begrip ‘plaats een noodzakelijk uiterlijk element voor het bestaan van de dingen. Het is de achtergrond waartegen alle objecten bewegen en alle schepselen functioneren. In de hogere werelden, en ook in de wereld van geestelijke actie, wordt datgene wat in de wereld van materiele actie analoog is aan ruimte een ‘hemels paleis’ genoemd. Het is het kader waarbinnen verschillende vormen en wezens samenkomen en verbinding hebben. Misschien mag men het vergelijken met de op zichzelf staande systemen die in de wiskunde als ‘groepen’ of’ velden’ bekend staan en waar-in alle delen van een eenheid zich op een bepaalde manier tot de andere delen en tot het geheel verhouden. Dergelijke systemen kunnen gedeeltelijk of volledig gevuld zijn, of ze kunnen betrekkelijk schaars zijn of leeg. Hoe het ook zij, een dergelijk systeem van verwante bestaansvormen vormt een ‘plaats’ in het abstracte – een ‘hemels paleis’ in de hogere werelden.

Tijd heeft in de andere werelden ook een andere betekenis. In ons ervaringsgebied wordt tijd gemeten aan de hand van de beweging van materiële objecten in de ruimte. Het ‘tijdvak’ zoals het abstract wordt genoemd is het eigenlijke proces van verandering. Het is het overgaan van het ene ding naar het andere, van vorm tot vorm en het omvat ook in zichzelf het concept van oorzaak en gevolg als datgene dat iedere overgangvan vorm naar vorm binnen de grenzen van de wet houdt. Inderdaad wordt dit tijdsysteem bij het omhooggaan in de orde van de werelden steeds abstract er en steeds minder representatief voor alles wat wij in de wereld van de natuurkunde als tijd kennen. Het wordt de pure essentie van verandering, of zelfs van de mogelijkheid tot potentiële verandering.

Tenslotte is wat wij in de materiële dimensie ‘ziel’ noemen, de totaliteit van levende schepselen die in de tijd- en ruimtedimensies van deze wereld functioneren. Hoewel zij een wezenlijk deel van deze wereld vormen, worden zij door hun zelfbewustzijn en kennis van deze wereld onderscheiden van de algemene achtergrond. In de hogere wereld zijn de zielen op gelijke wijze zelfbewuste wezens die handelen binnen het kader van het hemelse paleis en het tijdvak van hun wereld.

De wereld van formatie kan in essentie een wereld van gevoel genoemd worden. Het is een wereld waarvan de voornaamste substantie of soort van beleving van een of andere emotie is, en waarin dergelijke emoties de elementen zijn die de patronen ervan bepalen. De levende wezens erin zijn bewuste manifestaties van bijzondere impulsen – impulsen om een of andere daad uit te voeren of om op hun manier te reageren, of manifestaties van de kracht om een eerste aanzet op te pakken en te verwerkelijken, of een neiging of een inspiratie in vervulling te doen gaan. De levende schepsels van de wereld van formatie, de wezens die erin functioneren zoals wij dit in de wereld van actie doen, worden in het algemeen ‘engelen’ genoemd.

De ene engel onderscheidt zich niet van de andere door de natuurkundige eigenschap dat hij ruimte inneemt, maar door het verschil in niveau – de een hoger of lager dan de ander – met betrekking tot de fundamentele oorzakelijkheid als een verschil in essentie. Zoals wij al gezegd hebben zijn engelen wezens in de wereld van het gebied van emotie en gevoel. en omdat dit het geval is, kan de substantiële eigenschap van een engel een impuls of een energie zijn – een neiging tot liefde of tot het overrompeld worden door angst of medelijden en dergelijke. Om een groter geheel van ‘zijn’ tot uitdrukking te brengen, iets meer omvattends, kunnen wij verwijzen naar ‘een schare engelen’. In het algemene gebied van liefde zijn bijvoorbeeld veel onderverdelingen en talloze schakeringen en gradaties van tedere gevoelens. Geen twee liefdes zijn in emotie gelijk, evenmin als twee gedachten gelijk zijn. Dus iedere algemene en omvattende energie of impuls is een hele schare, misschien zelfs een hemels paleis en is niet op ieder niveau voortdurend hetzelfde. Terwijl bij menselijke wezens emoties wisselen en veranderen zoals mensen van tijd en plaats veranderen al naar gelang de omstandigheden, is een engel geheel de manifestatie van een enkelvoudig emotioneel wezen. De essentie van een engel is daarom op zich begrensd door de beperkingen van een bepaalde emotie net zoals persoonlijkheid en innerlijk het zelf van ieder individu in onze wereld bepalen. Maar een engel is echter niet alleen maar een fragment van bestaan die niets meer kan doen dan het manifesteren van een emotie; het is een totaal en integraal wezen, zich van zichzelf en zijn omgeving bewust en in staat te handelen en te scheppen, en dingen te doen binnen de structuur van de wereld van formatie. Het wezen van de engel is tot op zekere hoogte om, zoals de naam in het Hebreeuws aangeeft, een boodschapper te zijn, een permanent contact te vormen tussen onze wereld van actie en de hogere werelden. De engel is degene die de overdracht van de vitale volheid tussen de werelden bewerkstelligt. De opdracht van een engel gaat in twee richtingen: hij kan God dienen als een afgezant naar lagere gebieden en andere engelen en naar de werelden en de schepselen beneden de wereld van formatie. Hij kan ook dienen als degene die de dingen omhoog draagt, van onze wereld naar hogere werelden.

Het werkelijke verschil tussen de mens en een engel is niet het feit dat de mens een lichaam heeft, want de wezenlijke vergelijking gaat tussen de menselijke ziel en de engel. De ziel van de mens is ingewikkeld van samenstelling en omvat een hele wereld van verschillende existentiele elementen van allerlei soorten, terwijl de engel een enkelvoudig wezen is en daarom in zekere zin een-dimensionaal. Bovendien heeft de mens – door zijn veelzijdigheid, zijn vermogen om tegenstellingen in zich te dragen en zijn gave van een innerlijke zielskracht, de goddelijke vonk die hem tot mens stempelt – het vermogen onderscheid te maken tussen het een en het ander, in het bijzonder tussen goed en kwaad. Dit vermogen maakt het voor de mens mogelijk tot grote hoogten te stijgen maar schept eveneens de mogelijkheid dat hij faalt en afvallig wordt, wat beide niet geldt voor de engel. Vanuit het gezichtspunt van zijn essentie, is de engel eeuwig dezelfde; hij is statisch en onveranderlijk, of hij nu tijdelijk of eeuwig bestaat, en gebonden aan de starre grenzen van hoedanigheid die hem bij zijn schepping zijn gegeven.

Tussen de vele duizenden engelen die in de verschillende werelden gevonden worden, zijn er engelen die vanaf het prilste begin bestaan hebben, omdat zij een onveranderlijk deel van het Eeuwige Wezen zijn en van de vastgestelde orde van het universum. Deze engelen vormen in zekere zin de kanalen van overvloed waardoor de Goddelijke Genade in de werelden opstijgt en afdaalt.

Maar er zijn ook engelen die voortdurend opnieuw geschapen worden, in alle werelden en in het bijzonder in de wereld van actie waar gedachten, daden en belevingen aanleiding geven tot het ontstaan van verschillende engelen. Iedere mitswa (gebod, plicht, goede daad) die een mens doet is niet alleen een daad van transformatie in de materiele wereld, het is ook een geestelijke daad, heilig in zichzelf. En dit aspect in de mitswa, de geconcentreerde spiritualiteit en heiligheid, is het hoofdbestanddeel van dat wat een engel wordt. Anders gezegd: de emotie, de intentie en de wezenlijke heiligheid van de daad gaan samen om de essentie van de mitswa te worden, een bestaan in zichzelf, als iets dat een objectieve werkelijkheid heeft. En omdat dit afzonderlijke bestaan van de mitswa uniek en heilig is schept het de engel, een nieuwe geestelijke werkelijkheid die tot de wereld van formatie behoort. Daardoor strekt het doen van een mitswa zich verder uit dan het gevolg ervan in de materiele wereld; en door de kracht van de geestelijke heiligheid die het in zich heeft – heiligheid in een directe samenhang met alle hogere werelden – veroorzaakt het een primaire en belangrijke transformatie.

Nauwkeuriger gezegd: iemand die een mitswa doet, die bidt, of zijn geest naar het Goddelijke richt, schept hierdoor een engel. Het is een soort handreiking van de kant van de mens naar de hogere werelden. Maar zo’n engel, die in zijn wezen met de mens die hem geschapen heeft verbonden is, leeft in het algemeen nog steeds in een andere dimensie van ‘zijn’, namelijk in de wereld van formatie. En in deze wereld van formatie krijgt de mitswa zijn zelfstandige inhoud. Dit is het proces waardoor de specifieke boodschap of het offer aan God, een wezenlijk deel in de mitswa, omhoog stijgt en veranderingen teweegbrengt in het systeem van de hogere werelden – vooral in de wereld van formatie. Van hieruit beïnvloeden zij op hun beurt de werelden boven hen. Zo zien wij dat er een hoogste daad wordt verricht, wanneer datgene dat beneden gedaan wordt zich losmaakt van de bijzondere concrete plaats, tijd en persoon, en een engel wordt.

Omgekeerd wordt een engel soms van een hogere naar een lagere wereld gestuurd, want wat wij de boodschap van een engel noemen, kan op vele verschillende manieren geopenbaard worden. De engel kan zijn ware gedaante niet onthullen aan de mens, wiens wezen, zintuigen en waarnemingsinstrumenten slechts toebehoren aan de wereld van actie. In de wereld van actie bestaan geen middelen om de engel te begrijpen. Hij blijft voortdurend tot een andere dimensie behoren, zelfs wanneer hij in de een of andere vorm wordt begrepen. Dit kan vergeleken worden met de frequenties in een elektromagnetisch veld die buiten het beperkte gebied liggen dat gewoonlijk door onze zintuigen kan worden waargenomen. Wij weten dat het menselijke gezichtsvermogen slechts een klein deel van het spectrum opneemt; wat onze zintuigen betreft bestaat de rest niet.

Datgene dat gewoonlijk onzichtbaar is, wordt slechts waargenomen door de daar-toe geschikte instrumenten voor omvorming of interpretatie, of om in de taal van de Kabbala te spreken: als ze gehuld zijn in de kleren of vaten (voertuigen) die het voor ons mogelijk maken hen waar te nemen, zoals bijvoorbeeld radio- of televisiegolven door geschikte vaten of kanalen worden geleid om aan onze zintuigen te worden onthuld. Op dezelfde wijze zijn er aspecten van de werkelijkheid van de geestelijke wereld waarvan wij ons slechts vaag bewust zijn. Zelfs dieren kunnen soms, zij het in beperkte mate, gevoelig zijn voor de aanwezigheid van zo’n geestelijk wezen. De ezel van Bileam bijvoorbeeld, die een engel ‘zag’, zag natuurlijk niet werkelijk een engel. Waarschijnlijk had het dier een of andere vage gewaarwording.

Engelen worden op twee manieren aan menselijke wezens geopenbaard: de ene manier is het visioen van de profeet, de ziener of de heilige – dat wil zeggen een beleving door een mens op het hoogste niveau; de andere manier is een op zichzelf staande daad van inzicht door een gewoon mens die plotseling het voorrecht geniet dingen uit hogere niveaus geopenbaard te krijgen. En zelfs wanneer een dergelijk iemand of een profeet op de een of andere manier de werkelijkheid van een engel beleeft, blijft zijn waarneming, die door zijn zintuigen beperkt is, gebonden aan stoffelijke structuren en zijn taal neigt onvermijdelijk naar uitdrukkingen van feitelijke of verbeelde tastbare vormen. Wanneer de profeet anderen zijn beleving van het zien van een engel tracht te beschrijven of te verklaren, grenst de beschrijving aan het griezelige en fantastische. Uitdrukkingen als ‘gevleugeld hemelwezen’ of ‘ogen van de hoogste wagen’ kunnen slechts een flauwe en ontoereikende afschildering van de beleving zijn, omdat deze beleving tot een ander gebied met een ander systeem van verbeelding behoort. De beschrijving zal noodzakelijkerwijs naar het antropomorfe neigen. Of wanneer, zoals wij weten, het innerlijke wezen van de engel, die door de profeet beschreven wordt met het gezicht van een os maar helemaal geen gezicht heeft – en zeker niet dat van een os -verheldering en weerspiegeling zoekt binnen de stoffelijke realiteit en zichzelf kan uitdrukken op een manier die een zekere gelijkenis vertoont tussen het gezicht van een engel en het gezicht van een os, wat uitdrukking geeft aan een gekende geestelijke kwaliteit.

Dus alle duidelijk uitgesproken visioenen van de profetie zijn niets meer dan wegen om een abstracte vormloze geestelijke werkelijkheid in de woordenschat van de menselijke taal uit te drukken. Maar er kan zeker ook een openbaring van een engel in een hele gewone vorm bestaan, gekleed in een vertrouwd omhulsel, en gemanifesteerd als een ‘normaal’ verschijnsel in de natuur. De moeilijkheid is dat degene die een engel op deze manier ziet niet altijd weet dat het een verschijning is; dat de vuurzuil of het beeld van een mens niet geheel tot het rijk van de natuurlijke oorzakelijkheid behoort. En tegelijkertijd verschijnt de engel – dat wil zeggen, de kracht die vanuit een hogere wereld is gezonden – en tot op zekere hoogte handelt hij in de stoffelijke wereld, waarbij hij of geheel onderworpen is aan de wetten van onze wereld of werkzaam is in een soort vacu�m tussen de werelden, waarin de materiele aard niet meer is dan een soort omhulsel voor een hogere substantie. In de Bijbel ziet Manoach, de vader van Sjimsjom (Samson), de engel in de gedaante van een profeet. Toch voelt hij op onverklaarbare wijze dat het geen mens is die hij ziet, maar dat hij getuige is van een verschijnsel van een andere orde. Pas wanneer de engel volledig van vorm verandert en een vuurzuil wordt, herkent Manoach dat dit wezen, dit wonder dat hij gezien heeft en met wie hij gepraat heeft, geen mens was, geen profeet, maar een wezen van een andere dimensie van werkelijkheid – dat wil zeggen: een engel.

De schepping van een engel in onze wereld en de onmiddellijke overgang van deze engel naar een andere wereld is op zichzelf helemaal geen bovennatuurlijk verschijnsel. Het is een deel van een vertrouwd ervaringsgebied, een integraal deel van het leven dat heel gewoon en zelfs algemeen kan lijken vanwege zijn traditionele geworteldheid in het systeem van de mitswot of de orde van heiligheid. Wanneer wij bezig zijn om een engel te scheppen, zijn wij ons niet gewaar van de engel die geschapen wordt en deze daad lijkt een deel te zijn van de hele structuur van de praktische materiele wereld waarin wij leven. Op dezelfde wijze heeft de engel, die ons vanuit een andere wereld gezonden wordt, niet altijd een betekenis of invloed die verder reikt dan de normale natuurkundige wetten. Het gebeurt inderdaad dikwijls dat de engel zichzelf nauwkeuriger openbaart in de natuur, in de gewone wereld van oorzaak en gevolg en alleen een profetisch inzicht of voorgevoel kan aantonen wanneer en in welke mate het het werk van hogere krachten is. Want de mens is door zijn aard gebonden aan het systeem van de hogere werelden, zelfs terwijl dit systeem gewoonlijk niet aan hem geopenbaard wordt en hem niet bekend is. Als gevolg hiervan lijkt het systeem van hogere werelden voor hem natuurlijk, net zoals het geheel van zijn tweezijdige bestaan, dat zowel materie als geest omvat, hem vanzelfsprekend lijkt. De mens verbaast zich helemaal niet over deze doorgangen waar hij voortdurend in de wereld van actie doorheen gaat, van het rijk van het stoffelijke bestaan naar het rijk van het geestelijke bestaan. Bovendien kan dat wat van de andere werelden onze wereld binnendringt, voor ons als een deel van iets heel natuurlijks verschijnen. Men kan zeggen dat de werkelijkheid van de engel en de wereld van formatie een deel vormen van een systeem van ‘natuurlijk’ zijn dat net zo gebonden is door de wet als dat aspect van het bestaan dat wij rechtstreeks kunnen waarnemen. Daarom hoeft noch het bestaan van de engel, noch zijn ‘boodschap’ die hem van wereld tot wereld voert, de werkelijkheid van de natuur in de ruimste zin van het woord te doorbreken.

Het domein van de engelen, de wereld van formatie, is een algemeen systeem van onstoffelijke wezens, waarvan de meesten wezenlijk heel eenvoudig en duurzaam zijn. Iedere engel heeft een duidelijk omschreven karakter, dat gemanifesteerd wordt op de manier zoals hij in onze wereld functioneert. Daarom wordt er gezegd dat een engel maar een boodschap kan uitvoeren, want het wezen van een engel ligt buiten de bestaande veelzijdigheid van de mens. Het bijzondere wezen van een engel kan blijken uit verschillende dingen en afzonderlijke vormen, maar het blijft op zichzelf, zoals een gewone natuurkracht. Hoewel de engel een wezen is dat een goddelijk bewustzijn heeft, worden zijn specifieke essentie en functie hierdoor niet veranderd, net zoals natuurkrachten in de wereld specifiek en enkelvoudig zijn in de manier waarop zij functioneren en hun essentie niet steeds veranderen. Hieruit volgt dat net zoals er heilige engelen zijn die deel uitmaken van en geschapen zijn door het heilige systeem, er ook destructieve engelen zijn, die ‘duivels’ of ‘demonen’ worden genoemd en die de emanatie zijn van de verbinding van de mens met die aspecten van de werkelijkheid die tegengesteld zijn aan heiligheid. Ook hier scheppen de daden van de mens en zijn manieren van bestaan in al hun vormen engelen, maar engelen van een andere soort, van een ander niveau en een andere werkelijkheid. Dit zijn vijandige engelen die deel kunnen uitmaken van een lagere wereld of zelfs van een hogere, meer geestelijke wereld – dit laatste omdat zelfs al behoren zij niet tot het rijk van heiligheid, er in alle werelden en systemen van zijn een wederzijdse doordringing en invloed bestaat tussen het heilige en het niet-heilige.

Geef een reactie