DE TIEN DAGEN VAN INKEER

PARASHAT HA’AZINOE; SHABBAT SHOEWA
JOM KIPPOER.

DICHTBIJ DE HEMEL, DICHTBIJ DE AARDE

WOORDEN VAN NABIJHEID EN AFSTAND

De Midrash1 vertelt ons dat Mozes “dichtbij de hemel” en “ver van de aarde” was, en dat hij daarom de Thoralezing van Ha’azinoe begint met de woorden:

“Neig het oor, hemel, dan ik wil spreken en luister, aarde, naar wat mijn mond zeggen wil.”

“Neig het oor” spreekt in de geest van dichtbij (ha’azinoe), “luister aarde” benadrukt afstand.

Op de zelfde wijze, maar in precies het tegenovergestelde, vertelt de Midrash dat de Profeet Jesaja 2 “ ver van de hemelen …. en dichtbij de aarde” was, want hij zei letterlijk “Hoor O hemelen, en neig het oor, O aarde.”

Dit is een wonderlijke tegenstelling, zeker als men bedenkt dat de Thora , wat leer betekent, instructies zijn voor het dagelijkse leven van elke Jood.3

Toen Mozes zei, “ neig het oor, hemel en luister aarde” impliceerde dat dat elke Jood moet streven dichtbij de hemel te zijn en zich te ontdoen van de beperkingen van de aarde.

Als Jesaja, de grootste onder de Profeten4 dit niet kon, hoe kan de Thora dan dit verlangen van elke Jood? En, als het “dichtbij de hemel zijn” als het ware binnen het bereik van elke Jood5 zou zijn, zoals Mozes stelt, waarom had Jesaja dan gefaald om dit te bereiken?

De zaak wordt nog vreemder als de Midrash6 verklaart dat de woorden van Jesaja een continuatie is van het spreken van Mozes. Spreken onder de directe inspiratie van Mozes zou het makkelijker hebben gemaakt voor Jesaja om te groeien naar zijn niveau.

We zijn daarom gedwongen te concluderen, dat Jesaja niet een lager niveau schetste, maar zelfs een hoger dan Mozes. Het was in deze strekking dat hij continueerde waar Mozes eindigde.

Het bereiken van Mozes’s niveau, “dichtbij de hemel” stelde hem in staat om nog een hoger niveau te bereiken “dichtbij de aarde”.

En omdat Jesaja’s woorden ook een integraal deel van de Thora zijn, vormen zij een universele boodschap aan elke Jood.

We moeten ons eveneens realiseren dat elke lering van de Thora ook specifiek verwijst naar de periode van het jaar waarin zij wordt gelezen,7 de woorden van Mozes en hun continuatie in Jesaja verwijzen in het bijzonder naar de periode tussen Rosh Hashana en Soekot (Loofhuttenfeest) waarin zij altijd wordt gelezen.

DE BEGRENZING VAN DE WERELD EN ZIJN VERBREDING

Wat is de relatie tussen Parashat Ha’azinoe, de roep van Mozes en Jesaja’s continuatie van die roep en de tien dagen van inkeer (de vier dagen volgend op Jom Kippoer inbegrepen) : Door het gehele jaar is ons religieus leven bekommerd met dingen van de “aarde”; de studie van de Thora en de praktische uitvoering van de geboden, zelfs de emoties van het hart , ons intellect en ons temperament.

Maar gedurende de Tien Dagen “zal de geest terugkeren naar G’D die hem heeft gegeven.” Elke Jood moet bewust worden van de “begrenzing” die de wereld symboliseert, tot aan het punt van tranen.Hij moet “G’D aanroepen”, vol van verlangen en vertrouwen om één met Hem te worden.

Een mens is waar zijn wil is. Bij het uitstorten in tranen over zijn begrenzing, brengt hij zichzelf er overheen.

Hij komt “dichtbij de hemel” en “ver van de aarde”. Zijn overweldigende verlangen is om “dichtbij de hemel” te zijn. G’D’s respons is”mij te antwoorden met verbreding”, dat is met Zijn aanwezigheid in het aardse, welke de ware essentie van G’D openbaart, net zoals in het hogere. Het Oneindige komt in zijn menselijke behuizing. En dan ondervindt hij G’D “dichtbij de aarde”en “ver van de hemel”.

DE LES VAN JESAJA

Gedurende het leven van een Jood is de “Hemel”, de Thora, het woord van G’D. “Aarde” zijn de geboden, de handelingen van de mens.8 Door het leren van Thora komt een Jood nader tot G’D. Door de geboden brengt hij G’D in deze wereld.9

Eerst moet hij “dichtbij de hemel”zijn, niettemin moet hij de geboden in acht nemen met in zijn hart de studie van Thora`.

Maar dat is alleen de eerste fase. Hij moet zich op een bepaald moment realiseren dat “niet het leren maar het doen”10 de essentie is, want de werkelijke taak van de mens is, deze wereld te veranderen tot een verblijfplaats van G’D.11

Voor de tweede fase was Jesaja nodig. Want de Thora werd door Mozes in ontvangst genomen, maar aan Jesaja werd de profetie van de toekomstige verlossing gegeven, de tijd waarin de wereld G’D’s verblijfplaats zal zijn, wanneer “elke verschijning zal weten dat U het heeft gevormd”12 wanneer de vorm van de wereld zal worden samengesmolten met de Oneindigheid van G’D.

JOM KIPPOER

Maimonides beschrijft Jom Kippoer als “de tijd van teshoewa voor iedereen; zowel individueel als gemeenschaplijk.”

De ultieme expressie van dit grondthema zal komen in de era van de Verlossing wanneer, zoals de Zohar, de fundamentele tekst van het Joodse mysticisme, leert, Mashiach zelfs de rechtvaardigen zal motiveren om te keren naar G’D in teshoewa.

Wat is teshoewa? Terugkeren naar G’D door zich te richten op de G’ddelijke vonk die in elk van ons aanwezig is. In de era van volledige spiritualiteit, ingeleid door Mashiach, zal iedereen zich bewust worden van zijn sterfelijke beperkingen en zoeken naar het diepste innerlijke van zijn spirituele potentie.

Evenzo, het is de expressie van het potentieel voor teshoewa dat zal dienen als een katalysator voor de Verlossing. Want het streven en bereiken van ons diepste innerlijk, zal dienen als een katalysator voor de openbaring van het G’ddelijke in alles wat existeert. Zoals Maimonides schrijft: “Israël zal alleen worden verlost door teshoewa. De Thora heeft beloofd dat uiteindelijk, met betrekking tot het einde van haar verbanning, Israël zal terugkeren [tot G’D], en onmiddellijk zal zijn verlost.

SHABBAT SHALOM EN GOED JOM TOV

zie ook Rosh Hashana, Tien dagen van Inkeer, Jom Kippoer onder Joodse Feestdagen of zoek in het Archief

NOTEN:

1. Sifri, aan het begin van Ha’azinoe, Zohar, Ha’azinoe, 286b
2. Jesaja 1, 2
3. Zohar, III, 53b
4. Jalkoet, Jesaja, Remez 385
5. Tanja, Deel I, Hfd. 42
6. Sifri; Jalkoet, Ha’azinoe, Remez 942.
7. Sever Shalo, Shaar Hashofar, Hfd. 5
8. Thora Or Bereishiet; Likkoetei Thora, Ha’azinoe, 74
9. Tanja, Deel 1, Hfd. 23
10. Pirkei Awot 1, 17
11. Sefer. Baba Batra, 14b
12. Gebeden Rosh Hashana en Jom Kippoer

Geef een reactie