Practisch Joods Recht – DE THORA

De Heilige Boeken die beginnen bij de bijbel en de daarop volgende vele verklaringen en commentaren, zoals de Talmoed, de Kabbala en andere geschriften, nemen zo’n centrale en bijzondere plaats in het jodendom in, dat de Hebreeuwse naam voor deze heilige literatuur, Thora niet goed in enige andere taal vertaald kan worden. Zoals iemand het eens juist samenvatte: andere godsdiensten hebben een concept van de heilige Schrift waarbij deze uit de Hemel afkomstig is maar het jodendom schijnt op de gedachte gebaseerd te zijn dat de boeken van de Thora zelf Hemel zijn. Met andere woorden, de Thora van de joden is de essentie van de goddelijke openbaring; het is niet alleen een basis voor het sociale, politieke en godsdienstige leven, maar het is in zichzelf iets van de allerhoogste waarde.
Dit inzicht in het karakter van de Thora is afkomstig uit het feit dat de Thora in al zijn verschillende vormen een verzameling is van geconcentreerde uitstraling en omvorming van goddelijke wijsheid. Daarom is de Thora zoals we die begrijpen, slechts een bepaald aspect van de goddelijke essentie net zoals de wereld net zoals de wereld een bepaalde wijze van goddelijke openbaring is. De Thora is zelfs een meer heldere en volmaakte manifestatie dan de wereld. Zoals de wijzen hebben gezegd: voor de schepping keek G’D in de Thora en Hij maakte de wereld dienovereenkomstig. Hiermee wordt bedoeld dat de Thora het oorspronkelijke patroon, of het innerlijke plan van de wereld is: Thora en wereld vormen een onverbrekelijk paar.
Omdat de Thora de innerlijke wil, de richting en de relaties tussen de wereld uitdrukt, is het de geestelijke kaart van het universum. Het is echter geen statische kaart van de dingen zoals ze zijn, maar een dynamisch plan van de eeuwig veranderende wereld, waarbij de noodzakelijke richting van de beweging naar een vereniging met G’D in kaart wordt gebracht. Dit houdt in dat de Thora in essentie de manifestatie van goddelijke wijsheid is; maar evenals de geschapen wereld, moet hij door beperkte vormen, zoals woorden, tot uitdrukking worden gebracht, en zelfs door de materiële substantie die de woorden draagt om de openbaring op het niveau te brengen van de wereld van actie.
Daarom is de intellectuele en emotionele verdieping in de Thora een manier om contact te leggen met de essentie van alle werelden op verschillende niveaus. Want de Thora brengt de goddelijke wil en wijsheid tot uitdrukking in alle werelden, terwijl in de wereld van actie de goddelijke wil zichzelf slechts uitdrukt als de onmiddellijke omringende werkelijkheid. En de beperkingen van deze werkelijkheid, die door de heerschappij van de natuur worden ervaren, zijn in onze wereld extreem. Zij kunnen uitsluitend overwonnen worden doordat de mens vrijheid van keuze heeft. De relatie tussen de Thora en de wereld is daarom de relatie tussen gedachte en verwerkelijking, tussen visioen en vervulling.
Dit wil zeggen dat de intellectuele studie van de Thora en de emotionele betrokkenheid met zijn inhoud een vorm zijn van vereenzelviging met de goddelijke wil, met wat G’D s droom van het bestaan van de wereld en het bestaan van de mens genoemd kan worden. Degene die zich verdiept in de Thora wordt een partner van G’D, in die zin dat de mens aan de ene kant en G’D aan de andere kant samen deel hebben aan de planning, de uitwerking van de idee, de gemeenschappelijke droom van het bestaan van de wereld.
Een van de mogelijkheden van contact tussen de Thora en de wereld is het emotionele en het intellectuele contact dat in de bestudering ervan besloten ligt. Er is echter ook een andere kant van de Thora, het is de Wet die de mensen dwingt zich op een bepaalde wijze te gedragen. Want de Thora is in ruimere zin een plan van menselijke actie en relatie, een leidraad voor de juiste manier van gedrag, denken, dromen en verlangen opdat het ontwerp van de wereld dat de Thora heeft gemaakt, gerealiseerd kan worden. In dit opzicht is de Thora een levensstijl, die zowel laat zien hoe men zich, praktisch gesproken, tot zijn innerlijke moet verhouden en hoe men zich uiterlijk moet gedragen. En dat is misschien waarom het woord ‘Thora’ van dezelfde stam komt als het woord hora’a ( richtlijn, onderwijzing of instructie ), omdat het een richtlijn is naar het pad van G’D.

Theoretisch gesproken kan de volmaakte mens deze identificatie met de Thora vanuit zichzelf bereiken. Wanner een mens zichzelf zuivert van alle illusies en verdraaiingen van zijn egoïstische verlangens, wanneer hij zich openstelt voor de goddelijke overvloed, kan hij een instrument zijn in de handel van de Allerhoogste Wil en zal de manier waarop hij alles doet de Thora zijn. Alleen is deze manier om de Thora te bereiken, die voortkomt uit de drang naar menselijke volmaking, uiterst zeldzaam. Het vereist een zo groot contact met het goddelijke,
dat het ver uitgaat boven het niveau van de gewone mens.
Alleen van zeer zeldzame personen– zoals de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob– kan gezegd worden dat zij dit hebben bereikt. En zelfs zij bereikten het niveau van de Thora als een Manier van Leven alleen voor zover het hun eigen leven betrof en ieder op zijn eigen niveau.
Hieruit moet het voor ons duidelijk worden, dat G’Ds geschenk aan de wereld in de goddelijke openbaring van de Thora een geschenk is waarmee hij ons niet alleen een gids geeft voor een juiste manier van leven en niet alleen een plan voor het eigenlijke bestaan van de wereld, maar ook Zichzelf. Of, om het anders te stellen, Hij geeft wat wij Zijn droom zouden kunnen van de superieure mens die met hem op alle niveaus kan samengaan, op een niveau van het eigenlijke menselijke leven of op het niveau van de werelden die slechts vaag worden waargenomen of helemaal buiten alle zintuiglijkheid liggen.
Er bestaan vele aspecten van de Thora en men kan er zichzelf op verschillende manieren mee verbinden–door abstracte speculatie en rationele logica; door emotionele betrokkenheid en natuurlijk door gedrag. Maar het grootste deel van de Wet van de Thora behandelt echter tamelijk praktische zaken; wat te doen en wat niet te doen op het gebied van actie. De mate waarin de Thora, die buiten de materiele wereld zo’n grote betekenis heeft, zich bezig houdt met de stoffelijke werkelijkheid, mag inderdaad verbazingwekkend lijken. Dit kan echter op een aantal manieren verklaard worden, van bovenaf en van binnenuit. Op een niveau heeft de Thora ook betrekking op mensen die in deze wereld leven en heeft hij te maken met de werkelijkheid van hun leven, met al hun directe behoeften. Een Thora die zich alleen, of hoofdzakelijk, bezig houdt met zaken van een hogere geestelijke waarde zou het contact met het menselijke bestaan en zijn afhankelijkheid van de stoffelijke wereld worden afgesneden. Het in verbinding blijven met G’Ds wil door fysieke daden voorziet in een eenvoudiger, natuurlijker en vanzelfsprekend wezenlijker direct contact met de mens zoals hij is. Op zichzelf is de Thora bovendien niet echt geschikt voor een abstracte beschouwing van de hogere werelden, omdat hij ten aanzien van een grote verscheidenheid aan relaties in de menselijke wereld uitgesproken opvattingen heeft. Het gedrag van een mens bij bijzondere fysieke daden of, omgekeerd, bij verwerping van bepaalde daden heeft een betekenis die ver uitgaat boven zijn subjectieve huidige bestaan–inderdaad boven zijn eigen leven uit. Dit geld niet alleen voor de vele geboden die betrekking hebben op de relatie tussen de mensen onderling, maar ook voor die geboden die een mens zelf moet naleven.
Wanneer men zich bezig houdt met objecten in de materiële wereld, stelt men een keten van relaties in werking waarbij alle dingen en mensen die op de een of andere manier deelgenomen hebben aan deze daad zowel in tijd als in ruimte betrokken raken. In dit opzicht is fysieke actie diepgaander dan psychische of zelfs spirituele actie, omdat het gevat is in Tikkoen, het verbeteren van de wereld, wat een proces inhoud dat niet alleen de spirituele aspecten van de wereld raakt, maar ook het materiële gebied–dat wil zeggen het door een heilige daad terug brengen van dingen naar hun ideale plaats in de wereld. Een heilige daad die geheel spiritueel is werkt slechts indirect op de fysieke structuur van de wereld in, terwijl een fysieke daad er rechtstreeks op inwerkt, hoewel de materiële substructuur van de wereld een deel van de wereld als geheel is en niet een afzonderlijk gebied. Al zijn niveaus van ontwikkeling vormen een deel van het algemene systeem van Tikkoen en een evolutie van de werelden en hun zuivering en voorbereiding op G’D.
Een ander, meer naar binnen gericht aspect hangt samen met de opvatting dat de materiële wereld niet inferieur is; dat de materie op zichzelf niet lager of slechter is en dat op een bepaalde wijze de stoffelijke wereld zelf beschouwd kan worden als het hoogtepunt van de Schepping. Het is een wonder van de Schepping vanwege de paradoxale reden dat het eigenlijke bestaan van de materie een situatie is, die het goddelijke lijkt te verduisteren en dus alleen maar het resultaat kon zijn van een specifieke bedoeling van de kant van de Oneindige. Materie is een soort van permanente golf tussen de manifestatie van G’D en de verborgenheid van G’D. Het wordt omschreven door zijn beperkingen. Om zijn afzonderlijke en onafhankelijke bestaan te behouden, moet er een oneindige kracht op ieder deeltje uitgeoefend. Vandaar dat iedere menselijke daad, die de materie in de richting van heiligheid brengt, een kwalitatieve betekenis heeft die ver uitgaat boven alles wat daar op lijkt in de spirituele wereld.
Maar belangrijker is nog dat, omdat de materiële wereld het brandpunt van alle andere werelden is, iedere beweging, iedere geringste beroering in het starre rijk van de materie, een effect heeft dat uitgaat boven iedere andere daarop lijkende beweging in het rijk van de geest en zelfs in de rijken boven de geest. En daarom is de mitswa, de wet van de Thora die zich bezig houdt met de materie–in een poging om invloed uit te oefenen op de stoffelijke wereld, hem te veranderen, te verleggen naar heiligheid, zelfs ondanks het feit dat de materie zelf zo beperkt en begrensd lijkt–bedoeld om grote krachten in alle werelden vrij te maken en golven van beweging te scheppen die van onze wereld opstijgen naar hogere, oneindige werelden. Daarom kan er gezegd worden dat een werkelijk heilige daad van welke aard ook, die op het terrein van de materie wordt uitgevoerd, de wezenlijke grondstof is die mogelijk een veel grotere betekenis heeft dan enig ander ding dat slechts in een tussenliggend gebied van gedachte of emotie wordt uigevoerd. Want de Thora en de Mitswot die op de stoffelijke wereld betrekking hebben, verhouden zich tot deze wereld alsof het het geheim van de schepping is, het wezen van de vervulling van de goddelijke gedachte.

Behalve de bezorgdheid voor de stoffelijke wereld, heeft de Thora nog een ander kenmerk, dat misschien wat verwarrend is: hij beperkt zichzelf niet tot één levensterrein zoals godsdiest of ethiek, maar beslaat vrijwel alle gebieden van het bestaan. Per definitie is de Thora niet godsdienstig in de strikte betekenis dat hij zich alleen richt tot dat deel van het menselijk leven dat zich slechts bezig houdt met de relatie tussen het menselijke en het goddelijke. De Thora is niet een gebied van heiligheid, waar een mens naar verkiezing kan binnengaan of uitkomen, terwijl het gebied van het gewone bestaan neutraal gebied zou blijven waar G’D niet vaak tussen beiden komt en waar het in ieder geval niet veel zin heeft te trachten met Hem in verbinding te komen. Omdat de Thora de blauwdruk van de wereld is, regelt hij alles en kan niet beperkt blijven tot welk specifiek deel dan ook. Het is waar dat zijn richtlijnen in praktische zin allemaal op het zelfde niveau liggen. Niettemin gelden zijn voorschriften, richtlijnen en relatievormen voor alle situaties in het leven. Hoe meer men zich identificeert met de Thora, hoe meer zijn betekenis uitgaat boven een bepaalde omstandigheid.
De Thora ziet zichzelf niet het ideaal voor het leven van een kloosterling of een gids voor een andere vorm van afzondering van de werkelijkheid van de wereld, maar veeleer werkt de Thora op precies de tegenovergestelde manier, waarbij hij een grotere tevredenheid en betekenis brengt in de onbeduidende details van het leven in de wereld. Het blijkt dat de Thora van betekenis is voor ieder aspect de gemeenschap, de handel, de landbouw en industrie, voor het gevoels- en liefdesleven, voor de relatie tussen de seksen, tot aan de kleinste dagelijkse dingen van het leven zoals het dicht maken van de schoenen of het gaan slapen. Het is verbazingwekkend dat de Thora met de grote hoeveelheid en reikwijdte van zijn wetten over wat te doen, toch de daden van een mens op geen enkel gebied echt beperkt. Dat wil zeggen dat er in principe geen werkterrein of gedachte bestaat die door de Thora verworpen wordt. De Wet voegt meestal, in het algemeen en in detail, theoretisch en praktisch, iets bijzonders toe aan een daad, kwalificeert gedragswijzen, legt nieuwe regels op, geeft richting aan het uitvoeren van de dagelijkse zaken, van het opstaan tot het naar bed gaan–waarbij verondersteld wordt dat indien al deze daden juist omschreven en voorbereid worden, de aanwijzingen van de Wet dan hun essentie niet verandert en niet hoeft te veranderen, maar er een kwaliteit aan toevoegt.
Een pragmatisch onderzoek naar de levensstijl die voortvloeit uit gehoorzaamheid aan de Thora laat zien dat dit op de lange duur aan iedere handeling de kwaliteit van een ritueel geeft en een directe verbinding tussen de mens en zijn Schepper laat zien. Bovendien verleent een dergelijke gehoorzaamheid een aanzienlijke vrijheid op bijna ieder gebied van zijn streven. Dit is volstrekt onafhankelijk van de aard van de handeling, of het nu ceremonieel of spontaan is, met betrekking tot G’D of tot mensen, innerlijk of uiterlijk. Want het proces van een nog diepere vereenzelviging met de Thora lijkt tot gevolg te hebben dat de manier waarop men richtlijnen opvolgt die anders nogal vaag en algemeen blijven, versterkt wordt. Dit gaat zelfs zover dat de manier waarop men loopt of staat, de bewegingen van iemands handen of gezicht, de toon van zijn stem, enzovoort, zichtbaar gewijzigd worden. Zo wordt uiteindelijk een evenwichtig levenspatroon gecreëerd waarin de daad met het denken en spreken wordt geïntegreerd–anders gezegd–de muziek met de componist. Het resultaat lijkt op een gedanst drama van kosmische dimensies waarin de mens zich op alle niveaus van bestaan beweegt in een onafgebroken stilering van zijn daden. Men kan dus begrijpen dat de uiterlijke vormen van artistieke expressie zo al niet volledig verboden, dan toch aan strenge beperkingen onderhevig waren: louter esthetische vormen kunnen slechts eenzijdig en ontoereikend zijn vergeleken met de grote artistieke schepping van de gehele levenswijze van een jood die overeenkomstig de Thora leeft.
Deze levensdans in het jodendom is zo innerlijk verbonden met de individuele groei, dat het vanuit een bepaald gezichtspunt als een solo optreden beschouwd kan worden. Vanuit een ander gezichtspunt vormen het leven en de daden van de individuele jood een segment van de grotere eenheid van het volk of de mensheid als geheel. Het gewijde karakter van deze eenheid wordt gemanifesteerd door de overdracht van iets van de ene individuele jood naar een ander, hoe verspreid de mensen ook zijn. Deze ontastbare essentie doordringt alle daden van de jood en integreert zich met het leven van andere individuen, en vormt het danspatroon voor de bewegingen van de ziel van de wereld in zijn ontwikkeling en de benadering tot het goddelijke. Zo wordt het gewijde lichaam, de Knesset Jisraeel (de ‘vergadering van Israël’), het geheel van het joodse volk, in zijn wortels als ‘hetzelfde’ beschouwd, als de Sjechiena. Met andere woorden, Knesset Jisraeel is identiek aan innerlijke voldoening, de wezenlijke heiligheid, van de wereld als geheel.
De joodse definitie van de uitverkiezing van Israël als een volk van priesters en een heilig volk maakt de joden tot een volk, waarvan de levenswijze het priesterdom van de wereld vormt; waarvan de ingewikkelde stilering van het leven van de meest persoonlijke daad van het individu tot de gecompliceerde daden van zijn gemeenschappen, zijn grote centra van joodse wetenschap, zijn land, zijn Heilige Tempel, de aspecten vormen van deze functie. Ik wil niet beweren dat heiligheid op een of andere manier tot één volk beperkt is of dat de benadering van het goddelijke niet in gelijke mate voor de hele mensheid beschikbaar is. De Joden nemen slechts een grotere last op zicht.
Met het aanvaarden van de Thora als een innerlijke levenshouding, als een innerlijke kaart, zadelen zij zichzelf op met de verantwoordelijkheid en verplichting van een priesterdom dat niet begrensd is tot een speciale tijd of plaats, maar voor het hele leven geldt. Vanuit dit perspectief is de hele wereld een heilige tempel die voortdurend opnieuw gereinigd en geheiligd moet worden. De priesters die in de voorportalen van deze heiligheid bijeen komen vormen de hardslag van de wereld, het ritme van de ademhaling van de mens. Daarom is de verplichting groter en de verantwoordelijkheid zwaarder juist vanwege het gevoel dat dit volk van priesters niet alleen in zijn neergang en desintegratie, in de val van zijn individuele leden zichzelf vernietigt, maar op een ongeziene manier de loop van de wereld als geheel benadeelt, en dat het in zijn herstel en groei de wereld naar zijn hart en zijn geestelijke bron, de Sjechiena leidt. Wanneer het volk als één volk functioneert, als één hartklop, dan volmaakt deze gewone stilering het patroon van de wereld en kan de choreografie van de Thora in de levende werkelijkheid worden gerealiseerd.

Geef een reactie