Deel 1. DE MUUR

Op 6 juni, 1967, op de tweede dag van de zesdaagse oorlog, stonden Defensie Minister Moshe Dayan en het hoofd van het Centrale commando, Major Generaal Uzi Narkiss op de berg Scopus en keken uit over de Oude Stad. Dayan was overdondert door haar schoonheid . Narkiss stelde voor om het in te nemen door het leger. Dayan grijnsde, “Waarvoor hebben wij al dat Vaticaan nodig” vroeg hij. De volgende morgen veroverden Israëlische paratroepen de Oude Stad en plaatsten de Israelische vlag op de koepel van de fundatiesteen. Toen Dayan daar arriveerde en het blauw en wit zag wapperen in de wind, verordende hij dat de vlag onmiddellijk verwijdert moest worden en zei tegen de soldaten dat de plaats moesten. Sprekend op radio Israël die middag, zei Dayan, “We zijn niet gekomen om de heilige plaatsen te veroveren van anderen of hun religieus recht te beperken, maar om zeker te stellen de integriteit van de stad en er in leven met anderen in broederschap.” Het Opperrabbinaat voegde er aan toe, een waarschuwing gericht tot alle Israëlisch, niet het Tempelberg complex te betreden. Drie dagen later, onmiddellijk na het beëindigen van de oorlog, vaardigt het rabbinaat een religieus beslissing uit, als bekrachtiging voor de eerder genomen waarschuwing. Voor Joden, verklaart de religieuze beslissing, is het absoluut verboden om het Tempel complex te betreden tot aan de herbouw van de tempel omdat; wij allen zijn bezoedelt door “besmetting van de dood,” welke alleen kan verwijderd worden door purificatie met de as van de rode heifer (stier). En aangezien, volgens de rabbinale conceptie, een rode heifer niet meer voor handen is in onze dagen, blijft haar uitvaardiging van 1967 continue van kracht, tot aan de komst van Masjieach.

Maimonides bepaalde dat het een religieuze verplichting is om de tempelberg te bezoeken en dat deed hij dan ook zelf in het jaar 1165. Hij verlangde alleen dat we ons ter plaatse respectvol gedragen : dat wij de schoenen uit doen en niet zullen spuwen (“Mishne Thora,” Tempelwetten, hfd 7,wet 2) uitgezonderd was de plaats met de fundatiesteen (wet 22), evenwel had dit niets te doen met bezoedeling -zelfs in het verleden toen de Tempel stond en zelfs in de toekomst als er een andere Tempel daar wordt gebouwd, is de locatie van het Heilige der Heilige ten strengste verboden voor iedereen, uitgezonderd de Hoge Priester. Twee weken na de verovering van de Tempelberg, verwijderde Moshe Dayan zijn schoenen, betrad de Al Aqsa Moskee, zat op een tapijt met de mufti en de qadi , en probeerde hun angst tot bedaren te brengen: hun religieuze soevereiniteit zou in tact blijven zo beloofde hij . Het Israëlische leger zou niet aanwezig zijn, alleen buiten de omwalling. Het wordt aan Joden toegestaan de plaats te bezoeken, maar niet om bidden. De locatie was een autonoom gebied van de Wa af, het religieuze Moslim beheer.

In de Knesset passeerde de beschermwet voor de Heilige plaatsen, welke bekrachtigde de overeenkomst die Dayan had bereikt met de Waqf autoriteiten. De minister van religieuze aangelegenheden, Zorach Warhaftig, besteeg het podium in de Knesset en leverde een plechtige speech af, waarin hij de Misjna (de mondelinge Thora) citeerde.
“Tien maten van Heiligheid dalen neer op het Land Israel, acht werden geschonken aan Jerusalem met de Westelijke Muur als Centrum, vanwaar de G`Ddelijke aanwezigheid, volgen onze geleerden, nooit is weggegaan.” Warhaftig wist dat hij het origineel herschreef. De Misjna vermeld de “De Tempelberg” en niet de “de Westelijke Muur”. De Westelijke Muur wordt geheel niet aangehaald in de Misjna. En waarom ook het is tenslotte maar een muur. Het is niet op de Tempelberg, maar dichtbij de Tempelberg, zoals de rest van de Oude Stad van Jeruzalem, Maar Warhaftig, net zoals de Opperrabbijnen, oordeelden snel. Hij wist dat het nodig was om onmiddellijk voor een vervangende oplossing te zorgen, opdat de Joden anders zouden trachten de tempel te herbouwen of zo iets degelijks, nu dat het in joodse handen is. De vervanging was alreeds op zijn plaats, klaar en gewillig, al wat nog nodig was , was een goede schrob en glansbeurt. Het benutten van het woord KOTEL was een zeer tactische zet; een kotel is een muur van een huis, niet een versterking of steunmuur. En het was niet zo maar een muur, het was de Westelijke Muur, wat betekend dat het dicht bij het Heilige der Heilige is gelegen, welke was aan het westelijke eind van de Tempel, het was aan de andere kant van muur, in feite grenzend aan haar middelpunt, lag de Fundatiesteen.

Geef een reactie