DE MITSWA VAN CHANOEKA

De speciale mitswa van Chanoeka is het ontsteken van licht. Op welke wijze wordt licht gemaakt? Door een fysiek object zoals b.v. olie of een andere brandstof te nemen en het te verhitten totdat het zijn fysieke karakter verliest en daardoor zijn omgeving verlicht. Het ontsteken van licht op Chanoeka is afgeleid van het ontsteken van licht in het Heiligdom ( de Tempel ). De lichten in het Heiligdom werden elke avond ontstoken, maar in de tijd waarin het wonder van Chanoeka plaatsvond, kon geen pure olie gevonden worden.

De Almachtige verrichtte toen een wonder “en een kruikje pure olie verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol ( Hoge Priester )” werd gevonden. De olie in het kruikje was nauwelijks genoeg voor èèn dag, maar het brandde wonderbaarlijk acht dagen.

Om dit wonder te herdenken ontsteken wij licht op alle acht dagen van Chanoeka.

Echter, ondanks dat het ontsteken van licht op Chanoeka rechtstreeks is afgeleid van het gebeuren in het Heiligdom, zijn er tussen hen een paar wezenlijke verschillen.

( a ) De lichten in het Heiligdom waren altijd van hetzelfde aantal. Daarentegen voegen we op Chanoeka elke avond een nieuw licht toe.

( b ) De lichten in het Heiligdom werden uitdrukkelijk overdag verlicht, dus bij daglicht. Het ontsteken van het Chanoekalicht echter na zonsondergang.

( c ) De Lichten van het Heiligdom waren binnenshuis. De lichten van Chanoeka daarentegen moeten verplicht geplaatst worden aan de buitendeur van iemands huis, dus buitenshuis. ( Shabbat 21b )

( d ) De Mitswot van de lichten in de Mishkan ( Tabernakel ) en het Heiligdom werden in acht genomen in een tijd dat Israël geen materiele nood kende. Vooral gedurende de periode van de Mishkan in de wildernis hadden de Joden alles wat zij benodigden.: voor voedsel had men het manna uit de hemel; water had men van de Bron van Miriam; zelfs hun kleding groeide met hen en was altijd schoon. ( zie Rashi op Deuteronomium 8:4 )

Later, in de dagen van Koning Salomon toen het heiligdom was gebouwd en de menorah daar werd aangestoken, was er opnieuw een periode van vreedzame existentie: niemand waagde oorlog te voeren tegen Israël: anderen betaalden schatting en er was een staat van “dat elke persoon veilig en wel thuis was.” ( Koningen 1 5:5 ) [ Juda en Israël woonden in vrede samen]

Bovendien, als er een spirituele staat van rust en vrede heerst en geen mondaine zorg, is er een totale devotie van Thora en Mitswot.

Daarentegen echter zijn de lichten van Chanoeka gerelateerd aan een tijd toen het land onder hellenistische overheersing stond en de Joodse weerstand minimaal, er was geen pure olie, zelfs niet voor èèn enkele nacht.

AL DEZE OGENSCHIJNLIJKE VERSCHILLEN ZIJN ONDERLING MET ELKAAR VERBONDEN.

Een tijd van materiele voorspoed is ook een tijd van spirituele voorspoed zoals bovenstaand is uiteengezet. Want als een Jood in staat is zal hij met open hand genereus bijdragen aan spirituele zaken. In zo’n tijd is oorlog en mesirat nefesh ( zelf opoffering ) niet nodig. De lichten kunnen evenveel in aantal zijn, want als alles normaal is, is geen noodzaak voor aanvullende activiteiten.

Evenzo is er geen noodzakelijke inspanning nodig om de ” Straat” te verlichten: de “straat”, dat is, de “buitenwereld” is niet “donker”. Toen de menorah brandde in het heiligdom was de straat eveneens verlicht.

In een moeilijke periode echter, een oorlogsperiode, niet alleen tegen de heidense Hellenisten maar ook tegen Joodse Hellenisten die zich niet bekommerden om het Heiligdom en hun eigen onafhankelijkheid en zochten naar assimilatie onder de Hellenisten, ja, daar was de noodzaak voor mesirat nefesh. Onder deze moeilijke omstandigheden gaf de Almachtige de mitswa van de Chanoekalichten. Het is in zo’n tijd niet genoeg voor iemand om alleen zijn eigen huis te verlichten, want buiten heerst duisternis, die de straten doordringt en mogelijk ook het huis. Daarom moet men zich uiterst inspannen om de straat te verlichten: de Chanoeka-kandelaar moet aangestoken worden als het donker is, en specifiek bij de deur, om het buiten te verlichten.

Het heeft geen enkel effect om de kandelaar aan te steken op de tafel waaraan we eten en werken en vervolgens de deur te openen zodat het licht mogelijk naar buiten schijnt. Men moet het licht ontsteken bij de deur, dat is iemands inspanning om de straat te verlichten.

Bovendien is het licht van de vorige avond niet voldoende. Men mag zich niet tevreden stellen met het feit terug te vallen naar een lager niveau, of vast te houden aan het niveau van de vorige dag. Er moet een voortdurend progressieve trap zijn, altijd hoger en hoger.

In het kort samengevat: Men moet niet wankelen voor de duisternis buiten, ongeacht haar indringendheid. Men moet de straat verlichten met mesirat nefesh, dagelijks het licht aanvullen en doen toenemen tot dat er een pure en zuivere voorraad olie zal zijn.

Chag sameach Chanoeka.

Geef een reactie