DE G`DDELIJKE MANIFESTATIE

Om alvorens verder te gaan (2 september 2001) met het volgend onderwerp “De Sefierot” van onze studie ” Een introductie van Kabbalistische concepten en doctrines”, beginnen wij met een inleidende uitleg.

DE G`DDELIJKE MANIFESTATIE

De Heilige, Gezegend Hij, heeft een onnoemelijk aantal namen. AI deze namen duiden slechts verschillende aspekten aan van de G`ddelijke manifestatie in de wereld, in het bijzonder zoals deze aan mensen kenbaar worden gemaakt. Boven en buiten deze verscheidenheid van aanduidingen is het G`ddelijke wezen zelf, dat geen naam heeft en geen naam kan hebben. Wij noemen dit wezen, of G`d-in-Zichzelf, bij een naam die op zichzelf een paradox is: ‘de Oneindige, (in het hebreeuws; een sof) Gezegend Hij’.

Deze aanduiding is bedoeld om te gebruiken voor het G`ddelijke wezen in zichzelf, dat bij geen enkele andere naam genoemd kan worden omdat de enige naam die voor het ware wezen van God gebruikt kan worden werkelijk alles, zowel het verwijderde en het nabije, moet omvatten. Wij weten dat op het gebied van het abstrakte denken zoals in de wiskunde en de filosofie, oneindigheid datgene is wat niet te meten is en buiten bereik ligt, terwijl de term tegelijkertijd beperkt wordt door zijn eigenlijke definitie, dat het een kwaliteit van iets eindigs is. Er zijn bijvoorbeeld veel dingen in de wereld, zoals getallen, die oneindigheid als een van hun eigenschappen hebben en toch hetzij in hun funktic of doel of in hun eigenlijke aard beperkt zijn. Maar als wij spreken van de Oneindige, Gezegend Hij, bedoelen we de uiterste volmaaktheid en abstraktie, datgene wat alles omvat en boven alle mogelijke grenzen uitstijgt.

Het enige dat we dan over de Eeuwige mogen zeggen, zou het ontkennen van alle eigenschappen betreffen. Want de Eeuwige is boven alles dat in wat voor termen dan ook gevat kan worden – positieve of negatieve. Het is niet alleen onmogelijk om van de Eeuwige te zeggen dat Hij op een of andere manier begrensd is of dat Hij slecht is; men kan zelfs niet het tegenovergestelde zeggen, dat Hij uitgestrekt is of dat Hij goed is. Net zoals Hij geen materie is, is Hij geen geest, noch kan er van Hem gezegd worden dat Hij in enige dimensie bestaat die ons iets zegt. Het dilemma dat door deze betekenis van oneindigheid ontstaat is meer dan een gevolg van het onvermogen van de menselijke geest. Het vertegenwoordigt een eenvoudigweg onoverbrugbare kloof, een kloof die niet door iets wat te omschrijven is overgestoken kan worden.

Het lijkt daardoor of er zich een afgrond uitstrekt tussen G`d en de wereld – niet alleen de stoffelijke wereld van tijd, ruimte en zwaartekracht, maar ook de geestelijke werelden, waarbij het er niet toe doet hoe verheven die zijn, omdat zij beperkt zijn binnen de grenzen van hun eigen definitie. De Schepping wordt zelf een goddelijke paradox.

Om deze afgrond te overbruggen, blijft de Eeuwige doorgaan met het scheppen van de wereld. Zijn scheppen is niet het vormen van iets uit niets, maar het is de daad van de openbaring. De Schepping is een uitstraling van het G`ddelijke licht; zijn geheim is niet het tot stand brengen van iets nieuws maar de omvorming van de G`ddelijke werkelijkheid in iets dat afgebakend en beperkt is – in een wereld. Deze omvorming brengt een proces of een mysterie van samentrekking met zich mee. G`d verbergt Zich en zet daarbij zijn wezenlijke oneindigheid opzij en onthoudt zijn eindeloze licht voor zover dat nodig is opdat de wereld kan bestaan. Binnen het werkelijke G`ddelijke licht kan niets zijn eigen bestaan handhaven; de wereld wordt alleen mogelijk door de bijzondere daad van het goddelijke terugtrekken of samentrekken. Een dergelijk G`ddelijk niet-zijn of een dergelijk verborgen-zijn is dus de elementaire voorwaarde voor het bestaan van datgene wat eindig is.

Toch wordt de wereld, zelfs al verschijnt zij als een eenheid in zichzelf, gevormd en gesteund door de G`ddelijke macht die in dit oerwezen wordt gemanifesteerd. De manifestatie neemt de vorm aan van tien Sefierol, de fundamentele krachten of de goddelijke energiekanalen. En deze Sefierot, die de middelen tot G`ddelijke openbaring zijn, verhouden zich tot het oorspronkelijke G“ddelijke licht zoals het lichaam zich tot de ziel verhoudt; zij zijn een soort instrument of het voertuig om zich uit te drukken, als een wijze van scheppen in een andere dimensie van bestaan. De tien Sefierot kunnen ook als een rangschikking of konfiguratie gezien worden, die lijkt op een rechtopstaande menselijke gestalte waarvan iedere ledemaat met een van de Sefierot overeenkomt. De wereld staat daarom niet in rechtstreekse verbinding met de verborgen G`dheid, die in deze vergelijking lijkt op de ziel in relatie tot het mensbeeld van de Sefierot. De wereld staat eerder in relatie met de G`ddelijke manifestatie in de tien Sefierot, wanneer en hoe deze manifestatie ook optreedt. Net als de ware ziel van een mens, zijn niet-waarneembare zelf, nooit aan anderen wordt geopenbaard maar zichzelf manifesteert door zijn geest, emoties en lichaam, zo wordt het Zelf van G`d niet in Zijn oorspronkelijke essentie geopenbaard, behalve door de tien Sefierot.

De tien Sefierot vormen tesamen een fundamentele en allesomvattende Werkelijkheid. Bovendien is het patroon van deze Werkelijkheid organisch., ieder van de Sefierot heeft een unieke funktie, vult ieder van de anderen aan en is essentieel voor de verwerkelijking of vervulling van de anderen en van het geheel.

Vanwege hun diepzinnige veelzijdigheid, lijken de tien Sefierot in een mysterie gehuld te zijn. En inderdaad hebben ze ieder zo veel ogenschijnlijk niet verbonden betekenisniveaus dat alleen een opsomming van hun namen hun wezen niet voldoende uitdrukt, waarbij nog komt dat de niveaus onverbonden schijnen. Wanneer men zegt dat de eerste Sefiera, Keter (kroon) de oorspronkelijke G`ddelijke wil is en ook de bron van alle verrukking en vreugde, raakt dit slechts de buitenkant. Hetzelfde geldt voor Chogma (wijsheid), dat intuttieve, onmiddellijke kennis is, terwijl Biena (inzicht) meer naar logische analyse neigt. Da’at (kennen, weten) verschilt van beiden; het is niet alleen de opeenstapeling of de optelling van datgene wat bekend is, maar een soort elfde Sefiera, die wel en toch niet bij de tien hoort. Chesed (genade) is de vierde Sefiera en is de onbedwingbare zich uitbreidende impuls of Gedoela (grootheid) van liefde en groei. Gewoera (macht, kracht) is zelfbeheersing en koncentratie, zowel beheersing als angst en vrees, terwijl Tiferet (schoonheid) de kombinatie is van harmonie, waarheid en hartstocht. Netsach (eeuwigheid) is de overwinning of het vermogen om dingen te boven te komen. Hod (majesteit) kan ook als vasthoudendheid of doorzettingsvermogen gezien worden. En jesod (basis) is o.a. het voertuig, de drager van de ene staat naar de andere staat. Malchoet (koninkrijk) de tiende en laatste Sefiera is behalve hoogste gezag of heerschappij, het woord en de uiteindelijke vruchtbodem.

Keter

Biena Chogma

(Da’at)

Gewoera Chesed

Tiferet

Hod Netsach

jesod

Malchoet

AI deze Sefierot zijn oneindig in hun mogelijkheden hoewel zij eindig zijn in hun wezen. Ze verschijnen nooit afzonderlijk, in een zuivere toestand, maar altijd in een of andere kombinatie, in een verscheidenheid van vormen. En iedere enkelvoudige kombinatie of detail van zo’n kombinatie brengt een andere openbaring tot uitdrukking.

De uiteindelijke som van al deze Sefierot in hun onderlinge relatie vormt de permanente verbinding tussen G`d en Zijn wereld. Deze verbinding werkt in feite naar twee richtingen, want de wereld kan antwoorden en ook op zichzelf handelen. Aan de ene kant zijn de tien Sefierot verantwoordelijk voor de universele wet en orde, wat we de werking van de natuur in de werelden zouden kunnen noemen. Als zodanig vermengen zij zich en dalen af, trekken samen en veranderen van vorm terwijl zij van de ene wereld naar de andere gaan, totdat zij onze stoffelijke wereld bereiken, die het eindstation is van de manifestatie van de G`ddelijke macht.

Aan de andere kant zijn de gebeurtenissen in onze wereld voortdurend van invioed op de tien Sefierot en werken in op de aard en kwaliteit van de relaties tussen het neerstromende licht, de neerstromende macht en de ontvangers hiervan.

Een oude allegorie illustreert deze invloed door de wereld voor te stellen als een klein eilandje in het midden van de zee, bewoond door vogels. Om hen van voedsel te voorzien, heeft de koning een ingewikkeld netwerk van kanalen laten aanleggen, waardoor het noodzakelijke voedsel en water stroomt. Zolang de vogels zich gedragen zoals de natuur ze heeft toegerust, zingend en door de lucht vliegend, gaat de stroom van overvloed ononderbroken door. Maar als de vogels in het vuil gaan spelen en in de kanalen gaan pikken, verstoppen de kanalen of raken ontregeld en kunnen niet meer goed funktioneren; de stroom van boven wordt afgebroken. Zo hangt het eiland, dat onze wereld is, ook af van het juist funktioneren van de Sefierot. En wanneer zij verstoord raken, wordt het systeem ontregeld en de faktoren die dit veroorzaken lijden zelf onder de gevolgen.

In deze betekenis is de gehele orde van de Sefierot met zijn wetten van aktie en reaktie in veel opzichten mechanisch. Niettemin kan de mens, die het enige schepsel is dat in het systeem tot vrij handelen in staat is, in het patroon en de werking ervan veranderingen van verschillende omvang veroorzaken. Want alles wat de mens doet, heeft betekenis. Een slechte daad zal in het algemeen een scheuring of negatieve reaktie in het uitgestrekte systeem van de Sefierot veroorzaken, en een goede daad korrigeert of verheft de dingen naar een hoger niveau. ledere reaktie strekt zich uit tot alle werelden en komt in de een of andere vorm terug in de onze, terug op onszelf.

In deze uitgestrekte verheven orde vormen de mitswot het bestuderen en in praktijk brengen van de Tora, gebed, liefde en inkeer slechts details of richtlijnen. De mitswot leren ons hoe bepaalde daden,

gedachten en manieren van doen op de Sefierot van invloed zijn en een gewenste kombintie van zegen en volheid tevoorschijn brengen, die de wereld beter maken. In feite moet men voor het doen van iedere mitswa bepaalde woorden hardop zeggen – woorden die bedoeld zijn om een grote overvloed van de hogere werelden in ons te doen vloeien teneinde onze zielen te verlichten. Dit betekent dat iedere mitswa een specifiek wezen heeft waardoor hij het systeem van de werelden beinvloedt en een soort verbinding schept tussen de werelden en de mens. Dus zelfs hoewel onze wereld vanuit vele gezichtspunten bekeken klein is, kan hij gezien worden als het kruispunt van alle andere werelden, hoofdzakelijk vanwege deze macht van de menselijke wezens, schepselen die in het bezit zijn van een vrije wil, om de vastgestelde orde van de dingen te veranderen. Het is alsof onze wereld een soort kontrolekamer is van waaruit de tien Sefierot in hun verschillende mogelijke kombinaties in werking gezet kunnen worden.

Een overtreding – een breuk van de orde in het systeem – heeft twee gevolgen. In de eerste plaats veroorzaakt hij een soort kortsluiting en doet de afdaling van de goddelijke volheid afbuigen of vervormt hem. In de tweede plaats stimuleert de schok als gevolg van de kortsluiting de wereld van de Keliepot, de buitenste schillen, en leidt er toe dat zij een negatieve lading krijgen binnen het speciale systeem dat toebehoort aan het leven van de overtreder.

Dit is wat er bedoeld wordt met de beloning en straf die naar men zegt op iedere daad van een menselijk wezen volgt. Niet alleen een daad beroert op deze wijze het systeem van de Sefierot, maar ook een gedachte, een bedoeling, of ieder ander facet van de verschillende roerselen van de menselijke ziel. Wanneer iemand bijvoorbeeld bidt – of hij nu op de voorgeschreven wijze bidt, gericht op de hogere werelden of dat hij in een persoonlijk gebed verzonken is dat hij hardop zegt of alleen maar overpeinst in zijn hart – is hij in staat de orde van de gebeurtenissen te befnvioeden. In feite reiken iemands spontane innerlijke bewegingen, die niets te maken hebben met zijn openlijke daden noch met zijn bewuste gedachten, dikwijls tot hogere niveaus en werken daarop in. Wanneer iemand bijvoorbeeld bij ziekte om genezing bidt, vraagt hij om genade, om een verandering in een uitgestrekt netwerk van systemen: van het vastgelegde systeem dat goed en kwaad als een geheel verdeelt tot die sekundaire en wisselende systemen waarvan het fysieke gebied afstamt met zijn eigen deel aan pijn en ellende. Hij vraagt in andere woorden een her-rangschikking binnen een enorm komplex van in elkaar sluitende ordeningen zowel in de hogere werelden als in de wereld van de natuur.

Dit patroon van G`ddelijke manifestatie en de menselijke relatie ermee kan mechanisch lijken in zijn determinisme, maar in de bijbelse bronnen wordt het met veel meer persoonlijke en symbolische beeldvorming beschreven. Dat wil zeggen dat in de verschillende godsdienstige en filosofische werken van de joodse traditie, een verscheidenheid aan allegorische tekenen en metaforen gebruikt worden om hetzelfde aan te duiden. We Iezen bijvoorbeeld over het oog van G`d dat het aangezicht van de aarde afzoekt; de oren van G`d die alle geluiden horen; over de Heilige, Gezegend Hij, die verheugd of boos is, glimlacht of weent. Dit alles houdt natuurlijk verband met het patroon van Zijn manifestatie door de tien Sefierot in hun verschillende gedaantes zoals de Sefierot, als delen, analoog zijn aan de organen en ledematen van het menselijk lichaam (de mens die naar het evenbeeld van God is gemaakt, zowel naar lichaam als ziel). Zo hebben wij een voorbeeld van de wezenlijke relaties in het universum, en misschien wel tussen de wezens zelf. En we kunnen van de rechterhand van God spreken als de kracht of macht die geeft, die de overvloed uitstort, die helpt en bemint; en we kunnen van de linkerhand spreken als de kracht die steunt en beschermt, klein maakt en straf toedient, en die de harmonie of de levende verbinding tussen alles en iedereen in het systeem van de Sefierot herkent.

Dus ook wanneer de profeten hun verheven visioen van G`d, Zijn openbaring van Zichzelf, in de Sefierot beschrijven, moeten zij het visioen in een menselijke kontekst presenteren om de emotionele betekenis van het visioen voor de mensen waar te maken. Hun beschrijvingen kunnen beschouwd worden als allegorische omlijstingen, waarbij de mens als een metafoor voor de Allerhoogste wordt gebruikt: zowel in de menselijke details als in het denkbeeld dat de mens een volledige eenheid is, een mikrokosmos. De menselijke hand wordt dan analoog aan Chesed (genade), wat in een andere gedaante als water of licht of ieder andere variatie van een symbolische metamorfose voorgesteld kan worden. Daarom kan iemand, wanneer hij bidt of een mitswa doet en met een hoger systeem in verbinding staat, dat systeem beelden opleggen, metamorfoses van dezelfde hogere kracht, waarbij hij zover gaat dat hij G`d als een menselijke figuur op een troon ziet zitten waarvan iedere trek een openbaring binnen de Sefierot uitdrukt, in verschillende werelden, de een boven de ander.

Zelfs ondanks het feit dat de orde van krachten bijna oneindig is in zijn onmetelijkheid en komplexiteit en mechanisch en automatisch lijkt – en zelfs ondanks het feit dat wat mechanisch lijkt niet alleen de materie en de wetten van de natuur omvat, maar ook de werking van de wetten buiten de natuur, van goed en kwaad, bedoeling en gebed, gedachte en gevoel – wordt deze orde niettemin gevoed met de stroom van de G`ddelijke volheid. En in deze orde is de mens, hoewel hij slechts een heel klein deeltje van het geheel is, ook een doeltreffende en betekenisvolle speler.

Het feit dat de mens slechts een heel klein detail is, een vlekje en minder dan dat vergeleken met de Oneindige, wordt in evenwicht gebracht door het feit dat hij in zijn nietigheid juist degene is die aan ieder deel zijn betekenis verleent. Omdat er, een orde van oorzaken en invloeden en een eerste oorzaak van alle werelden is, kan ieder mens in zijn daden, gedachten en aspiraties elk van deze punten van het bestaan bereiken. Niet alleen is de mens vrij om het systeem te beinvloeden, maar ieder van zijn daden is – in alle werelden, in termen van ruimte en tijd en van de Allerhoogste of de Uiteindelijke Werkelijk-heid – van een onschatbare betekenis. In tegenstelling tot alle automatische krachten van patronen die in de kosmos funktioneren, beweegt alleen de mens zich onafhankelijk binnen het systeem. Alleen hij is belangrijk voor de manifestaties omdat hij hen kan veranderen, hen van het ene naar het andere niveau kan doen bewegen. Bovendien krijgt de mens – omdat hij in twee verschillende werelden verblijft en aan een diepe innerlijke strijd onderhevig is – de kans ver boven het niveau van ons bestaan en de plaats waarin hij zichzelf geestelijk bevindt uit te stijgen en de hogere werelden eindeloos te beinvloe-den. Juist omdat het G`ddelijke als een oneindige, en niet als een eindige kracht wordt begrepen, is alles in de kosmos, klein of groot, slechts een klein deel van het patroon, zodat er geen verschil is in gewicht of zwaarte tussen het ene deel of een ander. De beweging van iemands vinger is net zo belangrijk of onbelangrijk als de ergste ramp, want ten opzichte van de Oneindige zijn ze beide van dezelfde dimensie. Net zoals de Oneindige gedefinieerd kan worden als onbeperkt, in de zin van buiten alles, zo kan Hij ook gedefinieerd worden als dichtbij en alles aanrakend. Dit is het punt van het persoonlijke menselijke kontakt, want ondanks de uitgestrektheid en de orde van al die systemen, kunnen de onafhankelijke daden van de mens – zijn mt’tswot en zijn overtredingen – niet in verband met mechanische daden of aan de andere kant, magische daden verklaard worden. Wanneer men alleen een relatie heeft met de Sefierot, heeft men niet een relatie met iets werkelijks. Want daden of gedachten kunnen niet uit zichzelf werkzaam zijn, los van de Oneindige, Hij die het leven van de werelden is. Alle systemen van de tien Sefierot hebben in zichzelf niets werkelijks, ondanks het feit dat zij de wetten van de natuur, en ook de wetten die daarbuiten vallen, uitvoeren. In relatie tot het Oneindige Licht Zelf zijn zij minder dan niets, gekleed of bedekt door de schijn van iets werkelijks. Zij zijn slechts namen, aanduidingen, vertrekpunten om een relatie aan te gaan maar zij hebben niets wezenlijks in zich. Dit houdt in dat gebed, inkeer, de roep van de mens naar God, zelfs hoewel zij afhankelijk zijn van een begrensd, deterministisch systeem en er dwars doorheen gaan, dit systeem niet beinvloeden en er zich zelfs niet op richten. Wanneer een mens bepaalde hoogten bereikt, leert hij meer over G`d, de orde en de rangschikking van de dingen, de relaties tussen de ene daad en de andere en de macht en betekenis van de wet. Niettemin is de relatie tot het goddelijke uiteindelijk individueel. De relatie van de enkeling is een geheel eigen aangelegenheid door het unieke van zijn zelf en persoonlijkheid en in de afwezigheid van het besef van de oneindige afstand tussen hemzelf en G`d, juist omdat G`d in Zijn oneindige verwijderdheid, buiten enig mogelijk kontakt, Zelf degene is die de wegen en de middelen tot kontakt schept. Daarlangs kan iedere gedachte, iedere huivering van voorgevoel en menselijk verlangen, zijn weg zoeken totdat zij de Eeuwige Zelf, de Oneindige, Gezegend Hij, bereikt.

Geef een reactie