DE CONTINUÏTEIT EN DUURZAAMHEID VAN HET JOODSE VOLK HANGT AF VAN EDUCATIE

G’D zei tegen Mozes: “Zeg tegen de Priesters, de zonen van Aharon, en je zult hen zeggen……..” (Leviticus. 21:1)


[De overbodige uitdrukking “en je zult hen zeggen”dient] om de volwassen priesters te instrueren behoedzaam te zijn met de junior priesters met betrekking tot de volgende geboden. (Jevamot 114a, citaat van Rashi op het vers)

Educatie is van het opperste belang in het Judaïsme. “Zonder jonge geitjes kunnen er geen geiten zijn”, de continuïteit en duurzaamheid van het Joodse volk hangt af van educatie. Toch, verrassend genoeg  autoriseert de Thora educatie niet eerder dan in Parashat Emor, veertien parashot na het geven van de Thora (in Parashat Jitro) en zelfs dan refereert het indirect aan de noodzaak voor het hele volk om de jongeren op te voeden en te onderwijzen, door een uitdrukkelijk bevel aan de priesters.

Waarom is dit zo? Omdat het de Thora is die in educatie voorziet. Er is geen noodzaak voor het instellen van basis educatie, het wordt beschouwd als een gegeven. Het centraal staan van educatie in het Judaïsme gaat helemaal terug naar Abraham (Genesis. 18:19).

De Thora instrueert ons echter om educatie te laten “stralen”. In plaats van te volstaan met een vastgestelde elementaire standaard voor onze jeugd of tevreden gevoel met hun basis naleving van de mitzwot, spoort de Thora ons aan om hen te leren de mitzwot optimaal uit te voeren, zelfs voorbij de bedoeling van de wet, zodat zij, de mitzwot en de kinderen doen glinsteren. De geleerden verwijzen hiernaar in hun interpretatie van het vers zoals boven is aangehaald: het Hebreeuwse woord dat zij gebruiken voor “behoedzaamheid” (“lehaz’hir”) betekent ook “stralend” maken”.

De Thora leert ons over dit thema door zijn instructie aan de priesters, omdat bovenal, hun rol een hogere standaard van naleving vereist en ten tweede is het de taak van de priesters om anderen te helpen spiritueel te stijgen en dichter tot G’D te geraken (door de offerdienst). We moeten onze jeugd opvoeden, niet enkel om goed geletterd te zijn in de Thora en nauwgezet in het uitvoeren van de mitzwot, maar om deel uit te maken van “een koninkrijk van priesters en een heilige natie”, en verder te gaan dan de letter van de wet en toegewijd te zijn aan G’D.

Deze leerstof verschijnt na het grootste gedeelte van de mitzwot van de Thora, vlak voor het einde van het Boek Leviticus, het boek dat zich het meest richt op de mitzwot, om er op te wijzen en te benadrukken dat educatie allesomvattend is en dat het gebaseerd is op de fundamentele Joodse verplichting om te studeren en de inachtneming van mitzwot.

Verder is het zeer passend dat deze boodschap voorkomt in Parashat Emor, want dit Thoragedeelte bevat de mitzwa van het Tellen van de Omer en wordt jaarlijks gelezen in de periode waarin deze mitzwa wordt nageleefd. Dit omdat het Tellen van de Omer onze collectieve educatie als volk aan en doorgeeft.

De Exodus markeert de geboorte van ons volk; met het geven van de Thora vieren we onze collectieve bar mitzwa, met andere woorden, toetreding tot volwassenheid. Hier tussen ontvouwt zich de fase van educatie, waarin we gepaste attituden cultiveren door de voorbereidende uitoefening van het Tellen van de Omer. De Thora verlangt onze telling en spirituele cultivering om “compleet” te worden door omarming en verfijning van alle 49 componenten van onze emotionele infrastructuur. Inderdaad, het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor “tellen” (“sefira”) betekent  ook “glanzen”of “schijnen” (zie Leviticus. 23:15 en de commentaren daarop). Welke mitzwa zou meer geschikt zijn dan de Telling van de Omer om deze boodschap van optimale glansrijke cultivatie van onze kinderen over te brengen en kenbaar te maken, van het kind door de jaren heen, het kind in Joodse kennis en het kind in ons.

Afgezien van de voorbereiding voor het geven van de Thora, die zal plaatsvinden op de komende feestdag van Shavoeot, bereiden we ons door de Telling van de Omer, eveneens voor op de uiteindelijke revelatie van de diepste dimensies van de Thora in de messiaanse era. (Rashi op Hooglied. 1:2, Vajira Rabba 13:3)

Juda Groenteman

Geef een reactie