CHANOEKA 5763, 25 KISLEW, VRIJDAGAVOND 29 NOVEMBER 2002

“WAT IS CHANOEKA?”

De Rabbijnen leerden: “Op de vijfentwintigste dag van de maand Kislew beginnen de acht dagen van Chanoeka. Toen de Grieken de Heilige Tempel binnendrongen, ontwijdden zij de olie. Toen heersers van het Huis der Chashmoneën er in slaagden de overhand te verkrijgen en hen te verslaan, werd de Heilige Tempel onderzocht, maar er was maar één flacon met olie, voorzien van het zegel van de Hoge Priester, intact. Deze hoeveelheid was jammer genoeg maar voor één dag. Een wonder vond plaats, de hoeveelheid reikte maar voor acht dagen. Het daarop volgende jaar werden deze dagen als feestdagen ingesteld [gevierd door het reciteren van Hallél, psalmen 113 t/m 118, en lofzangen van dank]. (Shabbat, 21b)

Rashi verklaart de vraag uit de Gemara, (Gemara of Talmoed: Verzameling van verklaringen op de Mishna, de mondelinge Thora) “Wat is Chanoeka?”

De Gemara verlangt te weten, zegt Rashi, welke miraculeuze gebeurtenis verantwoordelijk was voor de feestdag. De Rabbijnen leren dat de vijfentwintigste Kislew het begin is van de acht dagen Chanoeka [zoals boven is genoemd en welke we nu uitvoerig zullen behandelen].

Alle rituele items die werden gebruikt in de Heilige Tempel, moesten eerst worden onderworpen aan een nauwkeurige inspectie om zeker te zijn dat zij geen onvolkomenheden bezaten.

De [dieren en vogels gebruikt voor] offergave’s moesten volkomen gezond zijn, zonder enige twijfel. Het hout wat werd gebruikt op het altaar moest compleet vrij zijn van wormen en verrotting. De verschillende soorten meel voor offers moesten uiterst nauwgezet worden gezeefd. De wijn die gebruikt werd in combinatie met de verschillende offers moest vrij zijn van bezinksel en de olie voor de menora moest van de hoogste en meest selecte kwaliteit zijn.

Aangaande de olie, zegt de Thora, (Exodus 27:20) dat het zach en kosis moet zijn. De Gemara verklaart,( Menachos 86b ) dat zach puur betekent en kosis geperst. Er zijn negen gradaties die uit olie gewonnen kunnen worden, waarvan alleen de drie fijnste voor de menora werden gebruikt. (Menachos 29a)

Daarvoor was olie een van de meest kostbare items in de Heilige Tempel.

Zoals bekend, mochten al deze vier items, meel, wijn, olie en gebruiksvoorwerpen niet in contact komen met ritueel onreine objecten of personen [want bij contact met het onreine zouden zij ongeschikt worden voor de Tempeldienst.] Daarom werd de geselecteerde olie voor de menora in speciale afgesloten flacons bewaard, die afzonderlijk werden voorzien van het zegel van de Hoge Priester. Vervolgens werden de flacons op een speciale plaats opgeslagen.

Toen de Grieken Jeroeshalajiem veroverden en de Heilige Tempel in beslag namen (mag het spoedig in onze dagen worden herbouwd, Amein) ontwijdden zij alle olie die zij vonden. Toen de Chashmoneën, met G’D’s hulp, de Grieken overwonnen, vonden zij van alle flacons die geprepareerd waren voor gebruik van de menora, nog maar één die voorzien was met het priesterzegel.

Tosafot verklaart, (Verzameling van verklaringen op de Talmoed van geleerden, die leefden tussen 1105 en 1250) deze éne flacon was onder de grond begraven, dat bewijst dat het niet is aangeraakt door de Grieken. De hoeveelheid olie in deze enig overgebleven flacon was maar voor een dag toereikend, maar G’D maakte het mogelijk dat de menora acht dagen kon branden, lang genoeg om nieuwe olie te produceren. Vanwege dit grote mirakel werden de acht dagen, beginnend op de vijfentwintigste dag van de maand Kislew ingesteld als feestdagen met als kenmerk, het reciteren van Hallél, psalmen 113 t/m 118, en lofzangen van dank aan G’D.

De strijd met de Grieken was [meer] spiritueel [dan fysiek]. Het was anders dan een oorlog om territorium of economische redenen, slaven ,plunderen enz. De Grieken waren uiterst beschaafd en ontwikkeld en beschouwden de Thora als een zeer hoogstaand geschrift. Zij respecteerden de hoge intellectuele capaciteit van Joden om zo’n wijsgerig gegeven te kunnen verwerken. De Grieken bewonderden zelfs vele mitswot die de Joden in acht namen. Niettemin waren zij ontzagwekkende ketters door het bestaan van G’D te ontkennen en het goddelijke en heilige van Thora en mitswot.

De Midrash legt uit: (Tachoema, Choekat 8) Een dood lichaam [rationeel] ontwijdt iets niet, evenmin doet water [logisch] zuiveren.

Echter zegt G’D, “Ik heb het zo verordend en Ik heb het ingesteld; het is je niet toegestaan om Mijn verordeningen te overtreden.”

Er is geen logische reden waarom een mikwe (ritueel bad) zou zuiveren; het is een G’ddelijke verordening, daarom mogen Joden niet op een andere manier handelen. Want de Thora is niet alleen om het hoogst intelligente [voor mensen], maar representeert G’D’s intellect en wil, welke het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat.

Geef een reactie