BEHA`ALOTCHA

WANNEER JE ONTSTEEKT. (NUMERI 8:1 – 12:16)

Vertalingen doen vaak geen recht aan het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora. Zo staat er niet in Num. 1 1, 1 “En toen het volk kloeg” (zoals in de King- James-vertaling) of “Het volk begon bitter te klagen” (zoals in de nieuwe JPS-vertaling).
“Va-yehi ha-'am ke-mit'oneniem” kan eenvoudig vertaald worden door: “en het volk was als klagers” (vgl. SRV en Hertz).
Ze kloegen niet klaar en duidelijk, maar mompelden “als” klagers. Niemand hoorde hun klacht. Ook worden we er niet over ingelicht waarover de klacht ging. ,Ze waren als klagers, [en alleen daarom:] de Almachtige hoorde het en ontstak in woede”.
In principe is de Heilige gezegend-zij -Hij niet boos op hen die klagen, als men daar tenminste een goede reden voor heeft. De Almachtige is zelfs niet vertoornd als de klacht in sterke bewoordingen wordt geuit zoals “Waren we maar door de hand van de Almachtige gestorven in Egypte waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen” (Ex. 16, 3).
De Almachtige strafte Zijn volk niet ondanks hun wrange woorden. Integendeel, Hij beantwoordde hun klacht door brood uit de hemel te laten regenen (Ex. 16, 4).
Niet slechts een keer kregen de Israelieten een positief antwoord op hun klacht.
In Mara (Ex. 15, 23-25) was het water bitter, “het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: wat moeten we drinken? Mozes smeekte de Almachtige om hulp en de Almachtige wees hem een stuk hout aan. Hij wierp dat in het water en het water werd zoet”.
Ook in Refidiem (Ex. 17, 1-7) “had het volk geen water te drinken. Ze begonnen Mozes verwijten te maken en zeiden: geef ons water te drinken. Mozes antwoordde: waarom doet u mij verwijten en waarom daagt u de Almachtige uit? Maar de mensen leden daar hevig dorst. Ze bleven tegen Mozes morren en zeiden: Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van dorst moeten omkomen?” En weer beantwoordde de Almachtige hun gemor, ditmaal met water uit de rots.

Hier, in de woestijn in Tav'era, ligt de situatie anders. Het volk klaagt niet omdat het een specifick probleem heeft. Ze hebben eigenlijk alles wat ze nodig hebben. Toch grommelen ze; ze grommelen om te grommelen. ,En Mozes hoorde hoe het volk, familie voor familie bij de ingang van de tenten zat te jammeren” (Num. 11, 10). Mopperen, bewenen, jammeren, kniezen en jengelen werd een familie-tijdverdrijf. Elke sociale bijeenkomst leidde tot geween en geklaag. “Mit'onenim” kan ook worden begrepen (zie Nachmanides) als weeklagen over de eigen dood. Deze vorm van klacht veroorzaakte de woede van de Almachtige en bracht Mozes, de nederige en geduldige leider, tot wanhoop. ,Waarom doet Ge Uw dienaar dit verdriet aan? Zijt Ge me zo weinig genegen dat Ge me de last van het hele volk laat dragen?… Indien Gij zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als Ge mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien” (Num. 11, 11-15).
Toen het volk terecht kloeg om voedsel en water, stond de Almachtige hen ter zijde en hielp Hij hen uit hun netelige positie. Hier echter was het niet het hele volk maar het marginale “gepeupel” dat het volk aanzette tot morren.
Om terug te gaan naar het oorspronkelijke Hebreeuws: “Het samenraapsel van volk dat met hen meetrok, verlangde een verlangen” (Num. 11, 4). Slechts naderhand neemt dit verlangen de vorm aan van “Wie zal ons vlees te eten geven?”
Aanvankelijk echter is het het “verlangen” zelf waarnaar ze verlangen. Vervuld met de overvloed waarin ze leven, zoeken ze naar steeds nieuwe verlangens waardoor ze geprikkeld en gestimuleerd worden.
Te gedemoraliseerd om in de toekomst te zien, kijken ze terug naar het verleden: “Wij herinneren ons de vis die we in Egypte voor niets te eten kregen” (Num. 11, 5). Elke persoon heeft zijn herinneringen. Zeg me wat je je herinnert en ik zal je zeggen wie je bent. Hun geheugen was wel erg selektief. Ze herinnerden zich niets meer van de kwelling en de vernedering van de slavernij. Ze herinnerden zich evenmin de vreugde en de opwinding van de bevrijding. Alles wat ze zich herinnerden was de vis die ze in Egypte aten.
Hun klacht luidde: “Wie kan ons aan vlees helpen?” (Num. 11, 4). Denken ze terug aan vlees? Waarom lezen we dan plotseling dat ze zich “de vis herinneren”? En kregen ze werkelijk de vis gratis, zonder te betalen? We kennen de “vrijgevigheid” van de Egyptenaren: Rashi zegt dat de kinderen van Israel zelfs geen stro van hen kregen om stenen te maken.

Rabbi Meir Simeha Hacohen (1845-1926), de bekende auteur van de Tora-kommentaar MeSHeK Chokhma, geeft enige interessante bemerkingen ten beste.
We weten dat voor de kinderen van Israel in de woestijn het eten van vlees alleen uit “verlangen” verboden was (Deut. 12). Alle dieren moesten ritueel geslacht worden. En de nieuwe wetten van het kashroet stelden vele beperkingen aan het eten van vlees. Wat de klagers wilden was: “vrij” vlees eten zoals men vis eet, wat geen bijzondere wijze van slachten of kosher maken vereist. Daarom kloegen ze: ,Wie kan ons aan vlees helpen… Wij herinneren ons de vis die we vrij aten. Konden we maar vlees eten, ,vrij” van beperkingen zoals we vis eten. . .
“Hoe was het in het land waar je vandaan komt?”, zo vroegen we een nieuwe immigrant die pas uit Rusland aankwam. “Ik had niet te klagen” was het antwoord.
“En hoe was je daar gehuisvest?” Weer was het antwoord: “Wel, ik had niet te klagen”.
“En je levensstandaard?” Weerom luidde het antwoord: ,Ik had niet te klagen”.

“Maar als alles daar dan zo goed was, waarom ben je dan naar hiergekomen?”
“Oh”, antwoordde de nieuwe ole, “hier, God zij dank, mag ik klagen!”
Een vrije persoon in een vrije gemeenschap kan en moet klagen over wat verkeerd is. We kunnen ons indenken dat de Almachtige soms vertoornd op ons is niet omdat we klagen, maar omdat we niet genoeg klagen. Onze klachten mogen echter niet verworden tot klagen om te klagen, we mogen niet gaan morren “als” klagers, kemit`oneniem “
“Va-yehi ha-am ke-mit`oneniem ra'be-ene ha-Shem “
de formulering van dit beginvers is wat problematisch. Waarnaar verwijst het woord ra', kwaad? Verwijst het naar hun klacht of naar het feit dat dit de Almachtige niet behaagde?
Het antwoord op bovenstaande vraag is dat de wat duistere struktuur van de zin ons tweeerlei meedeelt: de Almachtige was vertoornd omdat hun klacht in dit geval kwaadwillig en volkomen niet gerechtvaardigd was.

Geef een reactie