PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, P. 150a

In deze klassieke passage laat Rebbe Shimon zien hoe de Ladder van Jacob een beeldbeschrijving is, hoe de sefirot zijn verbonden. Hij verschaft dus een inzicht in de structuur van de spirituele wereld.

“En zie, daar staat de Eeuwige boven hem en zegt: “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham en de G’D van Izaak; het land, waarop je ligt zal Ik jou geven en aan je nakomelingen.” (Genesis. 28:13)
G’D stond boven Jacob, om zodoende een Heilig voertuig te creëren [Merkawa], rechts en links en Jacob in het midden.

G’D, sefira van tiferet duidelijk zichtbaar makend, stond boven Jacob om hem zo, tiferet te geven, om van hem een vehikel, een voertuig te maken, voor deze spirituele eigenschappen en om er mee om te gaan. Daarom de positie in het midden van de ladder, om door het vasthouden van de beide zijden, de eigenschap van Abraham, die de rechterzijde van de ladder representeert en de sefira van chesed, te verenigen met Izaak, die de linkerzijde van de ladder representeert en de sefira van gevoera. De eigenschappen van de drie Patriarchen, eenmaal verenigd, werden een vehikel voor bina, een vereiste om de spirituele en fysieke wereld te kunnen begrijpen.

Dan is de Gemeenschap van Israël [malchoet] met hen verbonden.

De sefira van malchoet, eenmaal met hen verbonden, creëert het vierde wiel van het vehikel voor bina. Dit is een beschrijving van de basisstructuur van het fameuze diagram van de tien sefirot.

Dit wordt bedoeld met de woorden “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham [chesed] en de G’D van Izaak [gevoera].”

Van waar leren wij dat Jacob in het midden was? Op de manier waarop de tekst is geschreven “G’D van je vader Abraham en G’D van Izaak”. Er staat niet geschreven dat Izaak zijn vader was. Aangezien zijn relatie met Abraham nadrukkelijk wordt benadrukt, is dit een vaststelling dat hij in het midden was.

De tekst verklaart dat Abraham Jacob’s vader is, ondanks het feit dat het Izaak was. Deze nadruk op Abraham, die één generatie verwijderd was, wordt goed gemaakt door hem vader te noemen, in plaats van Izaak. Dit brengt de twee met betrekking tot Jacob in evenwicht. We hebben hier dus een paradigma van spirituele werkelijkheid welke ook wordt weergegeven in de atomen van de fysieke wereld. Positieve/Abraham/chesed is verbonden met de Negatieve/Izaak/gevoera, en met de neutron/Jacob/tiferet. Nu kan elektriciteit stromen in de fysieke wereld en shefa/abondantie kan stromen in het spirituele.

En vervolgens staat er geschreven, “Het land [malchoet] waarop je ligt zal Ik jou geven”. Nu hebben we een vehikel, een drager, een voertuig voor het Heilige [chesed, gevoera, en tiferet]. Van hier uit zag Jacob dat hij de voltooiing was van de voorvaderen.

Jacob realiseerde zich dat hij de completering van de voorvaderen was. Hij zag in zijn droom hoe hij chesed en gevoera, Abraham en Izaak verenigde, en hen verbond met de wereld, welke de representatie is van G’D’s koninkrijk – malchoet.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak            Genesis 25:19 – 28:9

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Toledot, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

De 24 Boeken van de Schrift vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Torat Chaim 128a; Tikoenei Zohar, Introductie (17a)

“En het meisje was heel mooi om te zien, een maagd, geen man had gemeenschap met haar gehad, ze kwam naar beneden naar de bron, vulde haar kruik en ging naar boven. (Genesis. 24:16)

 De numerieke waarde van het woord voor “kruik” (in het Hebreeuws, “kad”) is 24, en verwijst naar de 24 Boeken van de Schrift. De bron verwijst naar de oorsprong van G’ddelijke Wijsheid. De 24 Boeken vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Bovendien verwijst het woord voor “haar kruik” (“kadah”, “kad” plus de letter hé) naar de Mondelinge Thora. De Mondelinge Thora wordt vereenzelvigd met de sefira van expressie, Malchoed, die op haar beurt wordt vereenzelvigd met de laatste van G’D’s Naam. De Mondelinge Thora is als een kruik die geput wordt in 24 boeken van de Geschreven Thora.

De kruik symboliseert de Geschreven Thora, de bron waarin de kruik wordt neergelaten, symboliseert de Mondelinge Thora. De onderdompeling van de kruik in het water beduidt dus de vereniging van de Geschreven Thora en de Mondelinge Thora.

Vervolgens personifieert Isaac de Geschreven Thora en Rebecca de Mondelinge Thora. De gebeurtenis bij de bron is een uitdrukking van de eenheid die spoedig zal worden bereikt door hun huwelijk.

Ondanks de enorme hoeveelheid kennis die de Mondelinge Thora omvat, is het niet meer dan een “kruik” met water vergeleken bij de onmetelijke “ zee” van G’ddelijke Wijsheid in de Thora. Alleen in de Messiaanse Tijd zal deze oneindige hoeveelheid van kennis in zijn ware omvang worden geopenbaard en “de wereld zal vervuld worden met de kennis van G’D zoals het water de zee vult.” (Jesaja. 11:9)

In Kabbala drukt het huwelijk van Isaac en Rebecca ook de eenwording uit van twee van de vier grondprincipes van de spelling van G’D’s Naam. Isaac wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de  numerieke waarde 45;  terwijl Rebecca wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D  indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de numerieke waarde 52. Zo wordt in Kabbala de vereniging van deze twee variaties op G’D’s Naam verklaard namelijk de essentie van onze studie van Thora en het uitvoeren van haar Mitzwot.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

Rabbijn Juda Groenteman geeft 5 en 12 november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

 

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

Dit Thoragedeelte bevat de positieve mitswa, gebod, dat mannen besneden moeten zijn.
De Thora zegt: “zot beritie asher tishmeroe bénie oewénéchem oewén zar acha acharècha himol lachèm kol-zachar” Dit is Mijn verbond met jullie en jullie nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: Besneden wordt bij jullie, al wat van het mannelijke geslacht is. (Genesis. 17,10) Dit gebod wordt herhaald in Parashat Tazria waar de Thora zegt: “oewajom hashminie jimol besar arlato” Op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ( Leviticus. 12,3 ) Veel geboden worden in Thora twee maal herhaald. Er is altijd een noodzakelijke reden voor, zoals onze wijzen hebben aangetoond.

Er zijn een aantal zeer diepe esoterische verklaringen op deze mitswa, vooral hoe de Thora de vervulling van deze opdracht relateert aan Israëls bezit van het Heilige Land. G’D zegt namelijk tot Abraham in vers 17,8, direct voor het gebod van de besnijdenis: “Ik geef jou en je nageslacht het land, waar je nu als vreemde vertoeft, het gehele land Kana’an, tot een eeuwig onvervreemdbaar bezit en Ik zal hun tot G’D zijn.”
Onze wijzen becommentariëren, dat G’D tegen Abraham zei: “Als je nakomelingen het gebod van de besnijdenis in acht nemen kunnen zij het Heilige Land binnentrekken; zoniet, kunnen zij het Land niet betreden.” (vergelijk Rashi op Jehoshoewa 5.4)
We zijn dus gewaar van het feit dat het Land van Israël vast verbonden is met de besnijdenis, relevant aan het vers in Het Schrift (Deuteronomium 32,9) kie chèlek HaShem amo ja’akov chèwel nachalato, Want het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed (het “toegemeten erfgoed” is het Land Israël). G’D nam ons vanuit alle andere volkeren, om G’D voor ons te zijn, Zijn volk. Hij gaf aan de andere zeventig naties hun respectievelijke talen en landen (zie 32,8), allen onder supervisie van de zeventig vertegenwoordigers van het Celestische Hof. Onze taal echter, is een heilig taal. Aan ons gaf Hij het Heilige Land, een land onder direct toezicht van G’D en niet van Zijn vertegenwoordigers.
Dit land is tegenover zijn tegenhanger gesitueerd in de Hemelse Sferen. Wij kunnen dit land niet claimen zonder eerst onze voorhuid te verwijderen, welke klipa, schil, (bron van kwade sensuele menselijke verlangens) representeert, het symbool van de serpentverontreiniging, de invloed van de sitra achra (letterlijk”de andere zijde” het tegenovergestelde van heiligheid en zuiverheid).
Als een jood zou falen in het in acht nemen van dit gebod, G’D verhoede, zou dit beschamend zijn voor het land. Alle studenten van Kabbala zijn zich bewust van eretz jisraël in de Hemels Regionen, m.a.w de sefirot jasod en machoed symboliseren esoterische verwantschap tussen Zion en het aardse Jeruzalem.
Zij zijn omgeven door klipot, bekend als aréliem, onbesneden mensen, aangezien de berg Zion en de berg Moria, de Tempelberg, zijn omgeven door de bergen van Ezau en zijn nakomeling Amalek. Zolang Izaak in leven was, namen Ezau’s nazaten de mitswa van de besnijdenis in acht, maar direct na zijn overlijden werd het reeds opgeheven. (Tanna de Bey Eliyahoe, Hf. 24)
Alle kwade mensen omgaven Jeruzalem, zoals is geschreven: “kol gojiem sewawoenie,” allerlei heidense naties omsingelden mij. (Psalm. 118,10)
Jeruzalem kan vergeleken worden met “Lelie onder de doornen” Koning Salomon’s beschrijving van Israël in Hooglied 2,2.

We kunnen ons de vraag stellen waarom de niet-Joodse volkeren, meer dan alle andere geboden , het gebod van besnijdenis hebben geweigerd.
Het is een glasheldere zaak, dat door het uitvoeren van deze handeling, er een duidelijke onderscheiding getrokken werd tussen Abraham [en later het Joodse Volk] en de rest van de mensheid.
Het thema die de verbinding vormt tussen de heiligheid van het Land Israël en het geven van het Land Israël aan Abraham en zijn nakomelingen, wordt in deze Thoralezing niet minder dan drie keer herhaald.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Rabbijn Juda Groenteman geeft in november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

Noach (Genesis 6:9 – 11:32)

De Tsadiek, de rechtvaardige, is verbonden met de sefira jasod, deze sefira is verbonden met de sefira malchoed door het verbond van de besnijdenis.
De positie van Noach in deze wereld manifesteerde zich door het feit dat hij besneden geboren werd, m.a.w zonder voorhuid. (Avot de Rabbi Nathan 2,8)
Onze wijzen zeggen: “hij bewaakte het verbond” en ondanks dat hij niet erin slaagde om het verval van de mensheid te keren naar het extensieniveau, zoals dat er was vóór de zonde van Adam, m.a.w het kleden van de mensheid in kleren van licht, zodat de individuele onsterfelijkheid zou zijn hersteld, slaagde hij op z’n minst in het herstel van de onsterfelijkheid van de diersoorten.
De reden dat Noach niet slaagde in het overwinnen hiervan, ligt in het feit dat hij naderhand wijn dronk van de wijngaard die hij had aangelegd, in tegenstelling tot Adam, die de druiven van de boomgaard van kennis uitperste tot sap.
Eigenlijk, toen hij de wijngaard aanlegde (de boomgaard die G’D Zelf had geplant in Gan Eden), had hij de intentie om de schade te herstellen die was veroorzaakt door de zonde van Adam, maar hij dronk te veel wijn. Spreuken 25,27 verwijst naar dit incident met: “Het is niet goed om teveel honing te eten.”
Pardes Rimoniem beschrijft het hele onderwerp van de wijngaard als iets dat, ofwel een fontein van spiritualiteit kan zijn of een bron van losbandigheid, dronkenheid. Alhoewel Noach streefde naar het herstel van het evenwicht van jajin hamashimer, het reservoir van spiritualiteit welke Adam had verloren, door het tot zich nemen wat aan hem was verboden, verlaagde Noach zich toen hij de wijngaard plantte; het fruit van zijn wijn werd niet zijn kos jeshoe’ot, de beker van verlossing, maar veranderde in gefen sodom, de wijngaard van Sodom en de druiven veranderde in inbee- rosh en ashkelot merorot lamo, “hun druiven zijn giftige druiven, bittere trossen dragen ze (Deuteronomium 32,32). Kortom, Noach had de verkeerde wijn gedronken.
Wat gebeurde met Noach was gelijk aan wat gebeurde met de collega van Rabbi Akiva die de verbindende mysteries onderzocht tussen G’D en mens, wat zijn brein in een staat van krankzinnigheid bracht. (Chagigga 14).
Iemand moet niet zijn spirituele capaciteit overschatten, en niet onderschatten.
Ondanks dit alles, zwoer G’D niet opnieuw het menselijke ras te laten ondergaan, wat was gebeurd tijdens de zondvloed. Toen G’D dit beloofde, verwees Hij naar Zijn eerder gemaakte uitspraak, keets kol-basar, eind van alle wezens in Genesis 6,13; wat aangeeft dat de huidige staat van onsterfelijkheid van de levensvormen, alleen in stand zal blijven gedurende de lengte van de natuurlijke historie van de mensheid. Alleen na de komst van Mashiach zal er een verandering plaatsvinden, en wanneer “G’D Zich opnieuw zal verheugen over Zijn handwerk” (Psalm 104,31) zal de staat van het universum terugkeren naar zijn origine, die er was, in de tijd dat Adam werd geschapen.

SHABBAT SHALOM

SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

 

SOEKOT- LOOFHUTTENFEEST, SHABBAT CHOL HAMO’ED SOEKOT

Rabbijn Juda Groenteman geeft in november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

ZEVEN HEMELSE GASTEN

De Zohar vertelt ons dat de “Ushpizien,” (letterlijk, invitatie om plaats te nemen), de zeven “Herders” van het Joodse Volk, iedere Jood in zijn Soeka bezoekt, elke nacht een ander. En elk van hen is een paradigma voor één van de zeven G’ddelijke eigenschappen.

1e dag – Abraham – chesed

2e dag – Isaac – gevoera

3e dag – Jacob – tiferet

4e dag – Mozes – netzach

5e dag – Aaron – hod

6e dag – Josef – jesod

7e dag – David – malchut

Aan Rabbi Menachem Mendel van Kotsk, werd eens verteld dat een zekere tsadiek, die van zich zelf zei, dat hij elk jaar alle zeven Ushpizien in zijn soeka ziet. de Kotsker antwoordde: “Ik zelf zie ze niet, maar desondanks geloof ik de verklaring van onze Wijzen ,in zaliger nagedachtenis, dat zij naar elke Soeka komen. En door dit te geloven, zie ik meer dan zij doen met hun ogen!”

RABBI JITZCHAK LURIA

Van de vele mitzwot verbonden aan de feestdag van Soekot, is misschien het meest opvallende de eigenlijke structuur van de soeka (hut) in welke wij alle feestdagen verblijven en waarnaar het feest is genoemd. Hoewel de expliciete reden voor het bouwen van de soeka is, om te herinneren aan de miraculeuze uittocht uit Egypte en G’D’s bescherming tijdens de reizen door de Sinaï woestijn, verklaart de Ari dat, op de juiste manier geconstrueerd, de soeka dient als een model van de spirituele werelden en een kanaal voor verruimend bewustzijn, een kanaliserende G’ddelijke vrijgevigheid in de Lagere Sferen.

Een belangrijk element voor een geldige soeka is de “schach“, de dakbedekking, gemaakt van organische natuurlijke materialen welke rusten op de wanden. Chassidische literatuur leert dat zowel de woorden “soeka” en “schach” verwijzen naar de uitdrukking “beseffen [Hebreeuws, “sochei” met G’ddelijke inspiratie”, welke gebruikt wordt in de beschrijving van onze matriarche Sara, ook bekend als “Isca” (van de zelfde stamletters).

De Ari leert dat deze connectie tussen schach en G’ddelijke inspiratie, profetie of enig andere verruimend bewustzijn allesbehalve bijkomstig is.
In feite, de schach van een koshere soeka in het bijzonder dient als een medium door welke wij hemelse wijsheid en begrip absorberen.
Kabbala reikt niet alleen voorbeelden aan van spirituele realiteiten in de celestiale werelden, maar dat ook wij een actieve rol kunnen spelen in hun manifestatie in Deze Wereld. In de soeka functioneren wij in de rol van de partzoefiem van Zeir Anpin en Noekva, gelijk een onvolwassen zoon en dochter (of kuikens in een nest), en de schach functioneert als een interface met de partzoef van Imma, de verzorgende “moeder”, niet verschillend van “onze moeder” Sara, zwevend over haar jongen in haar nest, toekennend wijsheid en begrip, en hen de mogelijkheid geeft om tot volwassenheid te komen, en hen een glimp te laten opvangen van het universum van uit haar verheven perspectief.

GOED JOM TOV!

 

JOM KIPPOER – GROTE VERZOENDAG

VAN ALLE FEESTDAGEN, WORDT JOM KIPPOER BESCHOUWD ALS DE MEESTE HEILIGE EN SUBLIEME.

Op een eenvoudig niveau geeft Jom Kippoer de indruk een dag te zijn, opgedragen aan berouw, maar is dit werkelijk het geval? Bedenk, eerst komt Rosh Hashana, “de dag van oordeel” en dan Jom Kippoer, een dag van berouw. Is deze volgorde op enigerlei wijze zinvol:

Waarom zou een dag van berouw volgen op een dag die is opgedragen aan oordeel?

 WORSTELEN met MODDER

Hoe komt de heiligste dag verstrengeld met een dag die iemands slecht handelen weergevend? Kan het zijn dat er op deze heiligste der heilige dag niets beter te bepraten valt dan al het afval dat iemand in het voorgaand jaar heeft verzameld?

Begrijpelijkerwijs wordt het negatieve naar boven gebracht met als doel om ons er aan te herinneren onszelf te zuiveren. Aangezien we niet kunnen vergeten en laten gaan datgene dat we ons niet herinneren en erkennen en verschuldigd zijn. Toch is het even waar “dat iemand die worstelt met een bemodderd persoon zelf wordt bemodderd.”

Hoewel er plaats is voor indringend bewustzijn van je negatief gedrag, zou misschien Jom Kippoer hiervoor niet juiste het moment zijn. En inderdaad is dit niet zo. Jom Kipppoer gaat niet over het verhalen, herinneren van al onze negatieve bagage, want daarvoor is de hele maand Elloel.

Elloel is een tijd waarin we eerlijk en grondig soulsearching doen, een zelf onderzoek en streven het verkeerde recht te zetten. Het is een periode waarin wij oprecht ons gedrag analyseren, herstellen als er schade is aangericht en ferm besluiten om onze toekomst te verbeteren. Als de maand Elloel eindigt, zijn we gereed voor Rosh Hashana, “de dag van oordeel”.

Wat is dan Jom Kippoer?

GESCHEIDEN TIJD, RUIMTE, BEWUSTZIJN

 Dit universum bestaat uit  tijd, ruimte en bewustzijn. Er zijn drie eigenschappen ten aanzien van de Schepping; Olam, ruimte, Shana, tijd en Nefesh, ziel. Wat en waar we ook zijn, we zijn altijd op een bepaalde locatie op een bepaalde tijd en in een bepaalde staat van denken, gemoedstoestand. Deze drie zijn zo intensief met elkaar verbonden dat de ene niet kan existeren zonder de anderen; tijd en ruimte worden alleen “absoluut” wanneer een bewustzijn, een waarnemer deze als zodanig observeert.

Tijd, ruimte en bewustzijn expanderen vanuit een centraalt punt, met andere woorden, de tijdstroom, de oorsprong van ruimte, en de extensie van bewustzijn ontwikkelen zich vanuit een punt van referentie. Tijd, Ruimte, Normatief Bewustzijn functioneren in een universum van polariteit, gesepareerdheid, diversiteit en fragmentatie. In lineaire tijd is een verleden dat invloed heeft op een heden en die op zijn beurt een effect heeft op de toekomst, het zelfde geldt voor ruimte. Ruimte heeft gedefinieerde dimensies, een breedte, hoogte en diepte. De waarnemer, het bewustzijn dat tijd en ruimte op deze gefragmenteerde wijze waarneemt is juist de schepper van al deze diversiteit omdat hij slechts zijn eigen innerlijke polariteit, dualiteit en innerlijke onenigheid projecteert op het leven dat hem omringt.

 DE EENWORDING VAN TIJD, RUIMTE, BEWUSTZIJN

 Toch is er voor al de multipliciteit en diversiteit een centraal punt, dat één verenigd geheel is, vanwaar uit alle separatie en diversiteit voortkomt. Onmiskenbaar is het middelpunt van alle realiteit en existentie, de Schepper, maar als een manifestatie en vertegenwoordiging van deze eenheid, is er een expressie van eenheid in tijd, ruimte en bewustzijn, een punt vanwaar uit alle dualiteit voortvloeit. Er is een tijd, ruimte, ziel realiteit waarin de oneindige eenheid uitwaards begint te stromen tot in de eindige realiteit en waar de eindige separatie en oneindige eenheid verenigd en onafscheidelijk worden.

JOM KIPPOER REFLECTEERT EENHEID EN EENWORDING OP ALLE DRIE NIVEAUS, IN TIJD, RUIMTE EN BEWUSTZIJN.

 Met betrekking tot tijd wordt aan Jom Kippoer gerefereerd als achas ba’shana, de Eenheid van het Jaar. Jaar in het Hebreeuws, shana, is een woord dat is gerelateerd aan het woord shinoei, betekenend, verandering, aangezien de vloed van de jaarlijkse cyclus getuigt van diversiteit en de verandering van de seizoenen. En te midden van deze multipliciteit, staat Jom Kippoer als achas ba’shana, het focus punt van tijd uitdrukkend, de ultieme eenheid van tijd van waaruit alle veelvoudige tijd realiteiten voortkomen.

Evenzo wordt Jom Kippoer geassocieerd met de eenheid en eenwording van ruimte. Toen de Beth Ha’mikdash, de Tempel in Jeruzalem er nog stond, was het de Hoge Priester alleen toegestaan op Jom Kippoer, de heilige ruimte van Kadosh Kadoshiem, het Heilige der Heilige te betreden. Daar stond de Ark van het Verbond op de even hashesya, de fundatiesteen, de mystieke mysterieuze rots vanwaar uit de gehele fysieke ruimte zich uitstrekte, zoals de Talmoed verhaalt. De Ark van het Verbond was fysiek zoals al het andere, een manifestatie van deze materiële existentie met fysieke eigenschappen, en toch, geplaatst in het Heilige der Heilige, nam het geen enkele ruimte in. Als men zou kunnen meten vanaf de buitenwand van de Ark in elke richting, zou de totale som van de lege oppervlakten het zelfde zijn als de totale som van de gehele ruimte van het Heilige der Heilige.

Paradoxaal bevatte de Ark een welomlijnde afmeting, en toch nam het op geen enkele wijze ruimte in beslag, een totale smelting, eenwording en herintegratie van dimensie in het niet dimensionale, van ruimte in het niet ruimtelijke, hoewel de Ark zelf zijn afmetingen behield en tegelijkertijd niet ruimtelijk was.

ONS ESSENTIËLE ZELF ONTHULLEN

 En tenslotte en dit is zeer belangrijk, reveleert Jom Kippoer de éénheid van ons diepste zelf.Helaas, hopelijk zelden, gebeurt het, dat de wijze waarop we handelen en de weerspiegeling van ons uiterlijk gedrag niet overeenkomen met ons ware innerlijke. We wijken af van ons innerlijke pad en het proces verduistert ons innerlijk Licht, en toch, doet het er compleet niet toe hoe ver of vervreemd we zijn van ons innerlijk Licht, ons innerlijk Licht kan nooit en te nimmer worden vervaagd.

In essentie zijn wij puur en transcendent en elke negativiteit waar we ons mee engageren of inlaten is niet wie we zijn, eerder is het wat we hebben gedaan. De essentie van wie we zijn blijft onaangetast. De consequenties van ons negatief handelen kan maar oppervlakkig penetreren en kan zichzelf met ons verbinden maar meer als een aanhangsel. Het is waar dat zij ons terneer drukken, onze belasten, onze zicht vertroebelen, maar zij heeft geen effect op het diepste oneindige deel van onszelf, de ziel, die altijd één, puur en verbonden blijft.

Jom Kippoer geeft ons de kracht om ons diepste, oneindige, niet dualistische zelf te bereiken. Het is een dag waarop we boven ons ego uitstijgen en volledig in de diepste bronnen van onze vrije ziel doordringen.

Meta historisch was Jom Kippoer gekozen als een dag van teshoeva, omdat het de oorspronkelijke dag was van vergiffenis op het moment van de geboorte van het Joodse Volk.

Slecht zes weken na de monumentale G’ddelijke ontmoeting bij de Sinaï, toen de absolute Eenheid duidelijk zichtbaar was, dansten de Oude Hebreeën rond het Gouden Kalf en proclameerden, “dit is de god die ons uit Egypte leidde”. Het verlangen om een beeld te verafgoden en te aanbidden was zo sterk en de menselijke dubbelheid behoeft aan conceptualisering en context was zo overweldigend, dat zij niet in staat waren de Sinaï gepast te assimileren.

Acht dagen later, na veel gebed en smeken van Mozes, verwierf en bereikte Mozes vergeving, een middel om opnieuw toegang te verkrijgen tot de hoogste niveaus, zelfs nadat men diep is gevallen. Die dag was de tiende van de zevende maand van Tishré, die dag wordt door de Thora aangeduid als Jom Kippoer.

Op Jom Kippoer, zegt de Talmoed, “de essentie van de dag brengt verzoening”. De dag van Jom Kippoer roept en brengt voort sublieme middelen van superioriteit die alle uiterlijkheden, dus alle negativiteit overschaduwt. Of we volledig bewustzijn zijn of niet maakt weinig verschil, zolang als we minimaal de helende kracht van de dag accepteren en zeker niet interfereren.

EEN DAG VAN SUPERIORITEIT, EEN TIJD VAN IMMANENTIE

 Jom Kippoer is een dag waarop we afzien van normatieve lichamelijke behoeften. De restricties van de dag zijn niet primair bedoeld om lijden van het lichaam te veroorzaken. Als pijn veroorzaken de intentie was, zouden er veel effectievere manieren zijn om dat te bereiken. De focus hier is te bewerkstelligen dat de  normatieve fysieke sfeer wordt doorbroken. Het is een dag toegewijd aan het bereiken van transcendentie van het fysieke, als ook een transcendentie van alle negativiteiten en geringschatting.

Op Jom Kippoer vindt totale transcendentie plaats. Dit is een dag waar wij ons onthouden van shoven, “rust”, zoals de stam van het woord Shabbat, van eten, drinken, echtelijke relatie, zelfs van lopen en verplaatsen, gerepresenteerd door het verbod om leren schoeisel te dragen en andere lichamelijke behoeften. Er is een complete materiële transcendentie, een afzien van alle fysieke dingen. Velen hebben de gewoonte om zo veel mogelijk te staan gedurende de gebeden. Gedurende de gebeden wordt een wit lang hemd gedragen (kittel), en er wordt een witte gebedsmantel (Talliet) gedragen.

Het uiteindelijke terugkeren, teshoeva, is wanneer we een radicale ommekeer van ons verleden opwekken. Zelfs het negatieve verleden en ons verleden omvormen in een positieve context binnen het heden. In de Taal van de Talmoed, teshoeva van liefde verandert “koppige overtreding tot positieve goedheid”. Hoe kan dit gebeuren?

Voor de een is het juist ons voorafgaand negatief handelen dat ons heersend diep verlangen om terug te keren motiveert, en om een meer diepgaand niveau van teshoeva te bereiken. Ons negatief gedrag van het verleden kan als een springplank voorwaarts dienen naar positief gedrag in de toekomst. Dit nieuw strategisch punt is de essentie van goedheid en licht binnen de ogenschijnlijke negativiteit en duisternis. Retroactief sprekend, de G’ddelijke goedheid in het negatief handelen is, dat het kan en vaak binnen de persoon een diepere wil opwekt om terug te keren en bewerkstelligt het dat iemand zijn handelen veranderd.

Om die reden is het woord voor “wandaad” in het Hebreeuws chet, gespeld als, chet, tet, alef. Technisch kan het woord chet geschreven worden zonder de laatste letter alef, die niet uitgesproken wordt en dus klaarblijkelijk overbodig is. En toch heeft chet een alef, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet en de fonetische opening van alle klanken, een die de Eerste, de Ene en de Enige representeert. Mogen wij waarlijk bewust zijn van deze dag van achat ba’shana, eenheid van tijd en een verzachting van ons gehele zelf bereiken binnenin het opnieuw ontdekte zelf.

Mogen we verdienste overtreffen in de ontzagwekkende dag van Jom Kippoer en ons diepste zelf onthullen. Mag de uitwerking van onze persoonlijke innerlijke transformatie worden waargenomen en gevoeld door de hele wereld. Mogen we voor de “essentie van de dag” toestaan om ons ware teshoeva te brengen, en dat ons eigen teshoeva een teshoeva inspireert voor de hele wereld, zodat de wereld wordt geheeld en herstelt van zijn fragmentatie, versplintering en schijnbare zinloosheid.

Juda Groenteman      

 

DE KOSMISCHE ZIEL VAN ROSH HASHANA

ROSH HASHANA VERTEGENWOORDIGT VERNIEUWING VAN JE ZELF EN VAN DE WERELD

De Dimensie Van Bewustzijn

Het universum is niet gebouwd in tijd en ruimte alleen; het heeft andere parameters. Zoals ruimte zich uitstrekt in drie dimensies en de tijd uitstrekt van verleden naar toekomst, zo strekt dit andere continuüm zich uit van het binnenste naar het buitenste, van de etherische essentie van zijn tot concrete realiteit die we aanraken en voelen, van simpliciteit van oneindig licht naar de chaos van onze uiterste wereld. We kunnen het de kosmische ziel noemen of de dimensie van bewustzijn. Of we kunnen gewoon zeggen dat het hele universum kan worden begrepen als een soort persoon van wie elk van ons niet meer dan een oneindig klein, microreproductie is.

Op paradoxale wijze drukt deze kosmische ziel zichzelf in ruimte uit door het medium van tijd. Zodat wat existeert in de ziel, existeert in tijd en wat existeert in tijd, existeert in ruimte. In de ziel is een besef, een bewustzijn en de plaats vanwaar het bewustzijnsleven zich uitbreidt, in ruimte is er het Land van Israël, een ruimte van  waaruit de hele wereld wordt gevoed. In tijd is er Rosh Hashana, een tijd van waaruit alle tijd wordt vernieuwd.

Dus we noemen het Rosh Hashana, letterlijke betekenis, Hoofd van het Jaar. Niet alleen een begin, een startlijn, maar een hoofd. Net zoals het hoofd het bewustzijn bevat van alles wat er gebeurt in het lichaam, zo ook is Rosh Hashana het essentiële knooppunt waardoor alle vitaliteit van een heel jaar reist

Ruimte, tijd en bewustzijn, op één niveau, lijken van elkaar te verschillen, met bewustzijn, handelend als een waarnemer, getuige van ruimte binnen een context van tijd. Maar op een meer diepgaand niveau, existeert tijd niet zonder ruimte en geen van twee existeert zonder een waarnemer, aangezien de waarnemer effectueert en fundamenteel creëert dat wat is waargenomen.

Om alleen te praten over de vernieuwing van tijd op Rosh Hashana  zonder in te gaan op de vernieuwing van ruimte en de vernieuwing van bewustzijn kan niet accuraat zijn . Als Rosh Hashana de vernieuwing van tijd is en het zenuwcentrum waardoor alle richtingen van de tijd stromen, is het ook de vernieuwing van ruimte en bewustzijn. Op Rosh Hashana is er een totale kosmische vernieuwing; en door onszelf af te stemmen op deze ontzagwekkende dag, kunnen wij hernieuwde vitaliteit bereiken op alle niveaus van ons wezen, een radicale vernieuwing in tijd, ruimte en bewustzijn.

VERNIEUWING VAN DE MENSHEID

 Rosh Hashana is ook de dag van onze collectieve beoordeling, omdat het een dag is die de creatie van de mensheid viert, de Genesis van Adam. Adam representeert de kosmische mens, adam/kadmon de primordiale mens. In aanmerking nemend dat Adam de eerste mens was, kunnen alle mensen hun genen terugvoeren tot één voorvader. Zoals fysiekheid een reflectie is van de spirituele realiteit, is Adam ook onze spirituele voorvader. Adams ziel is de collectieve en universele ziel waar alle zielen uit voortkomen, een zielsoorsprong waar alle individuele zielen van zijn afgeleid.

Adam is dus de verpersoonlijking van heel het menselijk bewustzijn. De creatie van Adam was niet een eenmalig gebeuren, het gebeurt elke moment opnieuw, uitmondend in het centrale punt van deze vernieuwing op Rosh Hashana, wanneer een totale vernieuwing van kracht en energie van ons individueel bewustzijn plaats vind.

DE FUNCTIE VAN DE TEMPEL

 Toen de Tempel stond in Yeroeshalayiem/Jeruzalem, was dit het centrum van tijd en ruimte; hernieuwd bewustzijn werd daar geboren in het zicht van de wereld. Als focuspunt van de hele ruimte, het middelpunt van waaruit alle richtingen voortvloeien, was er een constante tastbare waarneming van nieuwheid en frisheid in het domein van de Tempel. De Toonbroden werden nooit oud, zij bleven vers gebakken, zij smaakten altijd vers, zelf als zij een week tevoren waren gebakken, zoals de Talmoed aanhaalt in Chagigah. 26b.

De Tempel was gebouwd op de plaats waar Jacob eens had geslapen en droomde van een ladder naar de Hemel, zoals de Thora verhaalt in het Boek Genesis 28:12-18.

Toen hij wakker werd uit deze droom, proclameerde hij, “Ongetwijfeld is Hashem in deze plaats; en ik wist [realiseerde] het me niet. ”Wat hem verontrustte was dat hij had geslapen op een heilige plaats. De Talmoed noemt slapen “een zestiende van dood zijn “ (Berachot 57b). Slaap is statisch, stilstaand, niettemin moet een heilige plaats levend zijn, wakker en rechtovereind staan en met enthousiasme in bewegingen zijn. Jacob was verontrust dat hij niet overeenstemde en harmonieerde met zijn bewustzijn.

Heden ten dagen proberen wij zijn vergissing recht te zetten door niet overdag te slapen gedurende Rosh Hashana, vooral niet voor het blazen van de Shofar, die kosmisch ontwaken representeert.

We proberen ook de misstap van Adam recht te zetten die, als de personificatie van de algemene ziel van de mensheid, dualiteit koos, ouderdom en uiteindelijke sterfelijkheid. In plaats daarvan proberen we ons bij de hernieuwde G’ddelijke energie stroom aan te sluiten en een hischadshoet/ vernieuwing in vitaliteit en energie in al onze aspecten van het leven te brengen.

WIJ WENSEN AL ONZE VRIENDEN  EN SUPPORTERS EEN KETIVA VECHATIMA TOVA, MAG DE ALMACHTIGE U EN DE UWEN INSCHRIJVEN VOOR EEN GOED EN ZOET JAAR.

PARASHAT HA’AZINOE

 Neig het oor   Deuteronomium. 32:1 – 32:52

 Rabbi Schneur Zalman van Liadi

 “Als druppels op jong groen; Als regendruppels op het gras”, “Ki’si’eeriem alei deshe v’chirviem alei eisef”  (Deuteronomium. 32:2)

Een les in Bijbels Hebreeuws.

 Deshe en eisev betekenen beide gras. Se’eeriem en  r’viviem betekenen beide regendruppels.

De Arizal   verklaart preciezer, en dus is er geschreven in Shoroshiem, “Het Boek van de Oorsprong”, dat deshe  verwijst naar jong ontluikend gras net beginnend zich te vertonen in de grond, terwijl eisev verwijst naar volgroeide sprieten. Se’eeriem verwijst naar een zeer lichte spray, dun als haar, sei’ar, en r’viviem verwijst naar dikke regendruppels. Lichte druppeltjes helpen de jonge sprietjes groeien; volle regendruppels cultiveren het volgroeide gras.

Deshe en eisev worden voor het eerst genoemd in Genesis, (1:11), ten opzichte van de Schepping als G’D zegt, “Laat de aarde deshe voortbrengen, eisev zaaddragende gewassen, vruchtbomen…”Zodat het verschil tussen

Deshe en eisev kan worden gezien als het verschil tussen vegetatie dat geen zaad draagt (deshe) en vegetatie dat zaad draagt (eisev), zie Zohar I, 19a).

De Zohar I, 18b zegt dat deshe en eisev twee typen van engelen zijn.

 [Engelen zijn de spirituele antecedenten van vegetatie. Net zoals vegetatie groeit van klein naar groot, zo groeien engelen in gestalte wanneer zij zich bezig houden ,met het vervullen van een G’ddelijke opdracht. (Zie Mi Chamocha 5629.)]

Er zijn engelen die iedere dag gemaakt en niet over gaan naar de volgende en er zijn engelen die gecreëerd zijn tijdens de zes dagen van de Schepping en blijven bestaan tot op de dag van vandaag. Aan deze twee typen wordt gerefereerd in een van de ochtendgebeden wanneer we spreken van G’D als Hij die “dienende engelen creëert en wiens dienende engelen allen staan aan de hoogten van het universum…” De eerste verwijzing naar engelen verwijst naar het type dat niet overgaat naar de volgende dag, G’D creëerde hen – tegenwoordige tijd – op een dagelijkse basis. De tweede referentie verwijst naar de engelen die blijven bestaan op de hoogten van het universum voortdurend.

 De Tzemach Tzedek voegt hieraan toe: De Zohar past deze interpretatie van deshe ook op het woord chatzier toe, zoals het vers (Psalmen 104:14), “ U bent het die gras voor het vee laat opkomen en eisev ter bewerking door de mens.” We zien dat eisev is geassocieerd met een hoger niveau van G’ddelijke dienst, het niveau van “bewerking door de mens”. Zie ook Bereishiet 19a, Teroema 171a, Vayikra 12a en Pinchas 217a.

 Klaarblijkelijk, deshe, dat geen zaad draagt, met andere woorden, heeft geen duurzaamheid, refereert aan de engelen die terugkeren naar het niets. Eisev, wat zaad draagt, met andere woorden bezit permanentie, refereert aan die engelen die in existentie blijven. (Zie Zohar  ibid)

SHABBAT SHALOM