SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de ThoraWeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

SOEKOT- LOOFHUTTENFEEST, SHABBAT CHOL HAMO’ED SOEKOT

De Zohar vertelt ons dat de “Ushpizien,” (letterlijk, invitatie om plaats te nemen), de zeven “Herders” van het Joodse Volk, iedere Jood in zijn Soeka bezoekt, elke nacht een ander. En elk van hen is een paradigma voor één van de zeven G’ddelijke eigenschappen.

1e dag – Abraham – chesed

2e dag – Isaac – gevoera

3e dag – Jacob – tiferet

4e dag – Mozes – netzach

5e dag – Aaron – hod

6e dag – Josef – jesod

7e dag – David – malchut

Aan Rabbi Menachem Mendel van Kotsk, werd eens verteld dat een zekere tsadiek, die van zich zelf zei, dat hij elk jaar alle zeven Ushpizien in zijn soeka ziet. de Kotsker antwoordde: “Ik zelf zie ze niet, maar desondanks geloof ik de verklaring van onze Wijzen ,in zaliger nagedachtenis, dat zij naar elke Soeka komen. En door dit te geloven, zie ik meer dan zij doen met hun ogen!”

GOED JOM TOV SHABBAT SHALOM

DE TIEN DAGEN VAN INKEER EN JOM KIPPOER

Door oprecht gebed kan onze spirituele identiteit volledig worden veranderd.

Jom Kippoer, één van de meest heilige dagen van het Joodse volk, complementeert de “Tien dagen van Inkeer” die beginnen op Rosh Hashana. Het vers dat de Rabbijnen gebruiken om deze dagen te beschrijven is “Zoek naar G’D zo lang Hij gevonden kan worden, roep Hem wanneer Hij nabij is”(Jesaja 55:6), geciteerd in Tractaat Rosh Hashana 18a. Zij verklaren dat G’D dicht bij elke Jood is tijdens deze dagen. Deze kennis en ingeboren gevoel helpen ieder persoon een grotere inspanning te verwezenlijken om nog dichter bij G’D te komen. Gedurende elke van de Tien Dagen groeit deze energie tot het zijn hoogte punt bereikt op Jom Kippoer en brengt ons naar het niveau van “aangezicht tot aangezicht” met G’D, een niveau van verbinding die het hele jaar aanhoudt. Dit verheven niveau is verwant aan het niveau dat Mozes bereikte op de Berg Sinaï, toen hij de tweede stel stenen tafelen van het verbond ontving.

Het was de gewoonte van de Ari, de grote kabbalist van Safed, om elk van de dagen Psalm 130 toe te voegen aan de liturgie voor het Shema en zijn zegeningen in de ochtenddienst. Deze Psalm begint met de woorden, “ Een opstijgend lied, Uit de diepten roep ik U, G’D, mijn Meester, luister naar mijn stem, mogen Uw oren aandacht hebben voor mijn smekende roep.” De eenvoudige betekenis van dit vers is dat een persoon G’D aanroept vanuit de diepten van zijn pijn en conflict. Echter de innerlijke dimensie van het vers verlangt van ons meer: “Vanuit de diepten” refereert aan het niveau van bewustzijn dat haalbaar is voor elke Jood, door onze concentratie en inspanning roepen we G’D aan vanuit ons innerlijke zijn, de diepten van onze ziel.

Rabbi Shneur Zalman van Liadi verklaart dat het woord voor “diepten”, “ma’oekiem”, letterlijk, “vanuit de diepten” moet zijn. De Psalmist gebruikt het woord “ma’amakiem”, letterlijk van diegene die diepte maken, implicerend daad, iemand die dieper graaft in zijn ziel, voorbij alle façaden, naar een plek van innerlijke oneindige waarheid. Als je verzekerd wilt zijn dat je roep zal worden gehoord, moet het van deze plek komen. De Tien Dagen van Inkeer geven ons de mogelijkheid om de diepste diepten van ons innerlijk te bereiken.

De Baal Shem Tov wordt geciteerd toen hem werd gevraagd, “Hoe kunnen we de vrijpostigheid bezitten om te denken dat als we bidden, G’D, de orde van de natuurlijke structuur van de Schepping zal veranderen om ons verzoek in te willigen?” Hij antwoordde dat elk persoon een stroom van zegeningen krijgt uit de hemel; iemands negatieve gedrag veroorzaakt dat deze zegeningen worden gereduceerd en zelfs worden geblokkeerd. Wanneer een persoon bidt vanuit het diepste van zijn ziel, diep gravend en zichzelf open stelt, verandert er iets in de persoon zelf, het verandert hem compleet. Het Hemelse Gerecht kan dan deze blokkaden verwijderen. Het besluit dat veroorzaakte dat zegeningen werden afgesneden is niet meer van toepassing omdat door gebed die persoon zich heeft getransformeerd in iemand anders.

Laat de Tien Dagen van Inkeer niet voorbij gaan zonder gebruik te maken van deze nabijheid tot G’D.

ALS JOM KIPPOER, GROTE VERZOENDAG, OP SHABBAT VALT

En dit zal voor jullie een eeuwige wet zijn : In de zevende maand, op de tiende van de maand, moet je vasten en geen enkel werk verrichten, noch de proseliet noch de vreemdeling. Want op die dag zal men verzoening voor jullie verkrijgen om jullie te louteren, van al jullie zonden zullen jullie tegenover de Eeuwige rein worden.
Het is een Shabbat van Shabbaton voor jullie, een dag waarop je vast en geen enkel werk verricht, een eeuwige wet. (Leviticus. 16:29-31)

We weten dat Shabbat een concept van de Thora is. Van deze twee verzen kunnen we zien, dat beide, Shabbat en Jom Kippoer “Shabbat van Shabbaton” worden genoemd, de ultieme expressie van Shabbat. Wanneer de twee samenkomen bereiken de gebundelde interessen ongekende hoogten.

De Talmoed verklaart, “Als heel Israël twee maal achtereenvolgens Shabbat zou houden, zouden zij onmiddellijk worden verlost.” (Shabbat 118b)
Het boek Noam Megadiem (parasha Emor), van Rabbi Eliezer Ish Horowitz, een discipel van Rabbi Elimelech van Lizhensk, geeft een fascinerende interpretatie weer van deze Talmoedpassage; dat de twee Shabbatten verwijzen naar de twee Shabbatten welke samenvallen. Dat kan alleen zijn als Jom Kippoer samenvalt op Shabbat. Dan is de directe mogelijkheid van onmiddellijke verlossing van ons volk voorhanden. Het enige wat we moeten doen is, ze in acht nemen, onszelf van ganser harte plaatsen in dienst van de dag, zonder te worden afgeleid.

In principe is in elke Jom Kippoer de mogelijkheid aanwezig van een snelle verlossing. De heilige Zohar (parashat Noach) verklaart, dat zelfs als het volk in een enkele synagoge volledig teshoewa zou doen, op Jom Kippoer, het Joodse Volk onmiddellijk zou worden verlost! Dit is des te meer dit jaar het geval, wanneer de twee ultieme Shabbatten samenvallen. Een unieke gelegenheid.

Moge de komst van Mashiach deze Jom Kippoer een realiteit zijn.

GOED JOM TOV EN SHABBAT SHALOM

ROSH HASHANA – PARASHAT HA’AZINOE

DE DIEPERE REDEN VOOR HET BLAZEN VAN DE SHOFAR

 Voordat we dieper ingaan op enkele mystieke esoterische aspecten van het blazen van de shofar op Rosh HaShana, moeten we begrijpen waarom we de shofar blazen. Als de Thora spreekt van Rosh HaShana, de eerste dag van de Zevende Maand, zegt het eenvoudig: “Dit zal voor jou een ‘dag van teroe’ah’ zijn. De geleerden van de Talmoed (Rosh HaShana. 33b) begrijpen en maken hieruit met zekerheid op dat het een dag van blazen van de Shofar moet zijn en een andere Talmoedische passage zegt, we blazen de Shofar simpelweg omdat “Rachmana amar teko,” ‘de Barmhartige het zegt’. Het vereist geen te begrijpen reden voor het doen van mitzwot, want zij vinden hun oorsprong in de absolute eenvoud van G’D’s Eenheid.

Niettemin zijn we denkende wezens en we zijn gecreëerd om te trachten de zin en de bedoeling te vinden. Om die reden mogen we ook ethische, filosofische en mystieke ‘redenen’ van de mitzwot onderzoeken.

 KLANKREDENERING

 Er zijn twee reeksen van Shofar klanken die geblazen worden op Rosh HaShana. De eerste reeks wordt tekiat m’joeshav genoemd, ‘zittende stoot’, en de tweede reeks wordt ‘tekiat m’oemad’, staande stoot genoemd. We komen hier op terug om het verschil te bespreken tussen deze twee typen. Laten we eerst aantekenen dat door het blazen van de eerste reeks, die bestaat uit dertig Shofar klanken, we de mitzwa van Shofar hebben vervuld. De vraag is, waarom we verder moeten gaan met het blazen van een tweede reeks, de ‘tekiat m’oemad’? De Talmoed zegt dat de reden voor de tweede reeks is “l’arvev et hasatan”, om de Satan in verwarring te brengen. (Rosh HaShana. 16b)

De grote 11e eeuw commentator, Rabbi Shlomo Yizchaki, beter bekend als Rashi schrijft, dat als de Satan ziet dat we de mitzwot eren en lief hebben, en zelfs een extra reeks van Shofar klanken op ons nemen, hij, de Satan zo verstomd is dat hij mensen niet kan hinderen bij de uitvoering van de mitzwot en hij hen niet kan aanklagen voor hun misstappen.

Rashi’s kleinkinderen, de auteurs van Tosefot, schrijven dat de tweede reeks is geassocieerd met “de klank van de Grote Shofar”. De Grote Shofar, volgens de profetie, is een mystieke klank die het begin van de kosmische Verlossing zal aankondigen. Als deze tijd komt “zal de dood worden verzwolgen”, deverdeeldheid en hetkwaad en ook de Satan zelf, zal verdwijnen.  Om die reden, als de Satan onze tweede reeks van de Shofar tonen hoort, op Rosh HaShana, wordt hij geagiteerd en kan zich niet richten op zijn taak om te verhinderen.

De letterlijke betekenis van teroe’ah, ‘blazen van de Shofar’ is “het breken”, van het woord re’oe’a, ‘gebroken’, wat etymologisch het maken van gebroken tonen, klanken suggereert en klanken die obstakels breekt. Doch ten aanzien van de Grote Shofar van de Toekomstige Verlossing, zegt de Thora “Op die dag zal de Grote Shofar taka zijn,” verwijzend naar de ononderbroken, langdurende klank, genoemd tekiah. Dit is een klank van sterkte en vertrouwen in plaats van die van gebrokenheid. “Takiah komt van het woord teka, wat ook fysieke intimiteit of copulatie betekent (Yevamot 54a). Daarom is het een toon die “verzamelt” en verenigt.

De Shofar werd soms geblazen om mensen waakzaam te maken voor een komende veldslag. Deze klank bezielt vrees, het doorbreekt de alledaagse menselijk staat van denken. Dit kan een van de redenen zijn dat de Rambam zegt dat de Shofar het besef van teshoeva oproept. De klank doordringt het ego als het ware en brengt de innerlijke antagonist tot beven en instorting. 

ZITTEND EN STAAND

De tonen van de eerste reeks worden “zittende stoot” genoemd omdat het ons technisch is toegestaan om te zitten tijdens het luisteren van de toonklanken. Allegorisch echter kunnen de toonklanken betekenen dat de toonklanken zelf zitten. Wanneer een persoon zit, is de rechte lijn van de stand van zijn lichaam “gebroken” in hoeken. Een deel van de lijn strekt zich dan uit horizontaal, ‘brekende’ de ruimte rond de lijn en breidt zich uit in die ruimte. Dit is een illustratie van hoe de klanktonen van de eerste reeks zich uitbreiden in de innerlijke ruimte van het ego en de innerlijke Satan breekt.

De klanktonen van de tweede reeks zijn “staande stoot”, omdat we staan in het Amidah Gebed wanneer zij worden geblazen. Als iemand staat breidt hij niet langer uit in horizontale ruimte als in een zittende stand, maar maakt de lijn van het lichaam recht, brengend daarbij de ruimte rondom hem dichterbij en verheft zijn energie opwaarts. Dit brengt de Satan in de war, want nadat hij is “gebroken” en weggezonden, wordt hij plotseling ‘ingesloten’ en ‘verheven’.

RECITATIES

Eerste Reeks

Voordat we de eerste Shofar reeks blazen, reciteren we specifiek gekozen Psalmverzen die ons voorbereiden om te mediteren op het geluid van de Shofar. In de eerste keuze, Psalm 47, komt de Naam Elokiem zeven keer voor. Elokiem representeert G’ddelijke constrictie: als de beperking of verhulling van het onbeperkte. Door zeven keer deze Naam te reciteren, beginnen we met het doorbreken van de zeven sluiers die Realiteit verhullen. Dan reciteren we het vers Tehilliem (Psalm), 118:4, “Van een ruimte van constrictie roep ik Ha Shem; HIJ antwoordt mij vanuit een ruimte van uitgebreidheid.”  Nogmaals, we richten ons op het te boven komen van de twee tegenstrijdige energieën, bewegend van een staat van innerlijke constrictie naar een staat van uitgebreidheid. Daarna reciteren we zes verzen. De eerste letters van deze verzen vormen een acrostichon, een naamdicht, “kra satan,”scheur de Satan aan flarden”. Ten slotte herhalen we een vers van Psalm 47: “Ala Elokiem b’teroeah,” ‘Elokiem is verheven met een teroeah’.

Wanneer de Shofar is geblazen, zal de Naam Elokiem zelf worden verheven naar een meer expansief niveau, waar alle spirituele opposities worden opgelost.

Het woord shofar zelf impliceert constrictie en het blazen van de shofar symboliseert het opblazen van alle constricties. Shofar wordt gespeld met een Shin, Vav, Pé en Résh. Numerieke waarde, Shin 300, Vav-Pé 86 en Résh 200. Al deze drie nummers zijn intrinsiek, op een ingewikkelde wijze verbonden met de Naam Elokiem.

Zes en tachtig is de numerieke waarde van de letters die de Naam Elokiem spellen.

Alef-1. Lamed-30. Hé-5. Joed-10. Mem-40 =86.

Driehonderd is de numerieke waarde van de deze zelfde letters, tellend de volle waarde van elke letter. De letter Alef wordt gespeld Alef-1. Lamed-30. Pé-80 = 111.

De letter Lamed wordt gespeld Lamed-30. Mem-40. Dalet-4 =74

De letter Hé wordt gespeld Hé-5. Joed-10 =15

De letter joed wordt gespeld Joed-10. Vav-6. Dalet-4=20.

De letter Mem wordt gespeld Mem-40. Men-40 =80.

111+74+15+20+80 =300.

Twee Honderd is de numerieke waarde van deze vijf letters wanneer ze cumulatief wordengeteld. Alef is=1. Alef Lamed=31. Alef Lamed Hé=36. Alef Lamed Hé Joed=46. Alef Lamed Hé Joed Men=86. 1+31+36+46+86=200. Wanneer we een Shofar in onze handen nemen en blazen met de intentie van hart door de Naam Elokiem, de juiste Kavanah, een meditatieve concentratie, verstandelijk en emotioneel, dan zijn alle restricties aan stukken.  Mediterend is iets van groot belang:  Havaja Elokim

 

TWEEDE REEKS

In de tweede reeks blazen van Shofar, reciteren we het vers beginnend met de woorden “Lohibit avon b’yakov,” ‘Zie geen enkele onvolledigheid in Jacob.’ Het woord Jacob is gerelateerd aan het woord voor “hiel”. Het vers suggereert dat we ons nu niet hoeven te concentreren op of te vechten met enige belemmering waar dan ook binnen onze “hiel”, onze lagere zelf, want de negativiteit van de Satan is geneutraliseerd. We proeven nu reeds het expansieve begrip van de Toekomstige Verlossing.

Gedurende dit deel van liturgische dienst reciteren we ook verzen met het dringende verzoek om de G’ddelijke Realiteit “over de hele wereld te regeren,” verzen die G’D’s herinnering bevestigen aan de liefde voor ons, en verzen die beschrijven hoe G’D Zich aan ons heeft geopenbaard vooraan de Berg Sinai. Sommige verzen spreken van de Grote Shofar die de Komende Verlossing van de Mensheid zal aankondigen. Het geluid van de Grote Shofar zal ons verzamelen als we de Verbanning verlaten, ons verenigend: “…..zij zullen komen van Ashoer en van Egypte.” Al deze verzen duiden op een thema van gescheiden delen samen brengen, in plaats van verspreiding en uit elkaar vallen.

Eenwording is het geheim van “verzachten” “zoeten”.

UNIFICATIE

Het woord shofar wordt gespeld Shin-Vav-Pé-Résh. We kunnen dit woord opsplitsen en het analyseren om er spirituele betekenis van af te leiden.

Pé en Résh (of ‘par’) hebben samen een numerieke waarde van 280. Het getal 280 is ook de som van de “mantzpach”, de vijf letters van het Hebreeuwse alfabet die van vorm veranderen wanneer ze staan aan het eind van een woord, de zogenaamde sluitletters, (Mem/40, Noen/50, Tzadik/90, Pé/80 en Chaf/20. Omdat deze vorm alleen verandert aan het einde van woorden, worden de “mantzpach”, beschouwd als ‘limiterende’ letters; dus representeren zij de vijf gevoerot, of diniem, de vijf basis krachten van constrictie als beperking en verhulling in het universum.

Shin en Vav samen spellen het woord shav, ‘gelijk’. Dus de ‘shav par’, de shofar, unificeert en maakt de gevoerot en hun expansieve tegenovergestelden gelijk, op zodanige wijze dat de krachten van strengheid in deze wereld worden verzacht, gezoet. Wanneer deze verzoetende werking is voltooid, zal de G’ddelijke Wil van de Barmhartige regeren over de hele wereld.

Moge we deze verdienste ervaren zowel innerlijk en als een externe realiteit.

SHANA TOVAH  VEKETIVAH VACHATIMAH TOVAH

 

PARASHAT HA’AZINOE

Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen om teshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.
“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon direct beïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.
Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, met andere woorden, deze wereld.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Israël is een unieke natie in deze wereld. Het is gekroond (uitgekozen) met een kroon bestaande uit twee facetten, m.a.w een algemene en een specifieke.
De gehele natie is als het ware te beschouwen als één persoon; daarom verwijst de Thora naar het volk als nèfesh, persoon (enkelvoud) reeds in de tijd van de nakomelingen van Jacob toen zij afdaalden naar Egypte (Genesis. 46,26). De bijzonderheid ligt in het feit dat “kie chelèk hashem amò” “dat Zijn volk Israël een deel van G’D zelf is” (Deuteronomium. 32,9).
De rest van de mensheid was verdeeld in “zeventig naties,” elk met een vertegenwoordiger in de Celestische Regionen; Want de Eeuwige heeft jullie apart genomen, Hij heeft jullie uit Egypte gevoerd om voor Hem een volk als eigen bezit te zijn. (Deuteronomium. 4.19,20)
De lotsbeschikking van het Joodse Volk wordt niet bestemd door intermediairs zoals b.v. astrologie en andere natuurlijke tekens en fenomenen. De zeventig naties waren van elkaar gescheiden zoals we weten van Deuteronomium. 32,8: “Toen de Allerhoogste de volkeren een erfgoed aanwees, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, stelde Hij voor de volkeren gebieden vast, naar het getal van Jisraëls kinderen.”
Het verwantschap (gemeenschappelijke kenmerk) tussen de “getallen” van Israël en dat van de naties van deze wereld, is dat Israël het getal zeventig vormde voordat zij afdaalden naar Egypte. Het verschil is alleen dat, de zeventig Israëlieten die naar Egypte kwamen werden beschreven als nèfesh, als één enkele persoon.
Elk deel van de Joodse natie staat in vergelijking tot de gehele natie. Omdat Israël een deel van G’D is, heeft het een eeuwige toekomst, zoals wordt benadrukt in de Talmoed, Sanhedrin 90: “Elke Israëliet heeft een aandeel in de Komende Wereld.”
In aanvulling tot deze gemeenschappelijke factor, welke iedere Israëliet met elkaar verbindt en tezamen één geheel vormt, is elke Israëliet een onmiskenbaar individu, wat duidelijk wordt door een verklaring van onze geleerden in Bamidbar Rabba 21,22, gebaseerd op Jasaja 4,5: “ieder rechtvaardig persoon is gebrandmerkt door het vuur dat door G’D is voorzien, als deel van de overhuiving die Hij verleent aan elk rechtvaardig persoon.”
Dit leert dat, ofschoon elke Israëliet een aandeel heeft in de Komende Wereld, iedereen afzonderlijk een eigen plaats bepaalt. Aangaande dit alles zegt Mozes in Deuteronomium. 32,12: “HaShem badaar janchènoe we één imo El néchar” “zo leidt de Eeuwige hem alleen, zonder een vreemde god naast Hem.” Het woord janchènoe in het vers staat in enkelvoud, (leidt hem, niet leidt ons) om aan te geven dat elke Israëliet een individuele eenheid is, een persoonlijkheid. Mozes continueert met: “Hij was niet vergezeld door andere krachten,” dit verwijst naar de sariem en mazalot, vertegenwoordigers in de Celestische Regionen en sterrenbeelden, die bepalend zijn in het leiden van de niet-Joodse bestemming. Geen enkele van deze krachten oefenen controle en invloed uit over het Joodse Volk.
De twee mitzwot in deze drie laatste parashot reflecteren direct aan dit denken.
Het feit dat de mitzwa van Hakel verlangt dat alle vrouwen van Israël en ook de kinderen samenkomen in het binnenhof van de Heilige Tempel om te luisteren naar de voorlezing van de Thora, is gefundeerd op het gegeven dat heel Israël wordt gezien als één enkel lichaam. Vervolgs instrueert de Thora nogmaals aan elke individuele Israëliet afzonderlijk, een kopie van de Thora voor zichzelf te schrijven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TAVÓ

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar. P. 96b

Parashat Ki Tavó heeft geen equivalente sectie in de Zohar, echter, veel van de inhoudende mitzwot in de parasha, worden ergens anders in de Zohar besproken. Deuteronomium. 26:10 verlangt dat de eerste fruitoogst naar de Tempel wordt gebracht, de Zohar bespreekt deze mitzwa in het onderstaande gedeelte. Deze selectie geeft weer, dat het brengen van het offer van het eerste fruit in Kabbala gezien wordt, als het eenwordings mysterie van de spirituele en fysieke werelden.

Wanneer het offer van het eerste fruit de Koheen [in de Tempel], moet de persoon die het offer brengt, een gedetailleerde verklaring afleggen [een korte historie over het komen van het Joodse Volk in het Land, etc. zoals wordt uiteen gezet in Deuteronomium. 26:5-10). Deze [verklaring] is  betreffende de boom welke in de fysieke wereld zijn voltooiing kreeg en die gelijk is aan de spirituele boom boven, welke is voltooid binnen 12 limieten en 70 takken.

De verklaring begint met de woorden: “Een als nomade levende Arameeër was mijn vader, toen zakte hij naar Egypte af, waar hij als vreemdeling met slechts weinig mensen ging wonen, maar waar hij een groot volk werd, machtig en talrijk, etc.” Jakob is de “boom”, van waaruit de 12 stammen ontsproten en die afdaalden naar Egypte met 70 zielen, welke samen de spirituele essentie vormen van het Joodse Volk. In mystieke termen correspondeert Jacob in de fysieke wereld met Zeir Anpin, en de twaalf stammen komen overeen met de 12 verschillende combinaties van de letters Yud, Hei, Vav, Hei van de naam Havayah.  Deze zijn de spirituele bron van de zielen van elk van de 12 stammen en eveneens van de twaalf maanden van het jaar. De 70 vertakte zielen hebben hun oorsprong in één van de 7 sefirot in  Zeir Anpinchesed, gevoera, tiferet, netzach, hod en yesod. Elk van deze 7 is gemaakt en maken deel uit van de 10 sefirot, zoals chochma van chesed, bina van chesed etc.
Zeven sefirot vermenigvuldigt met de tien vertakkingen in elk, evenaren 70 in totaal. Op hun beurt worden deze 70 de spirituele bron waaruit de 600.000 zielen van het volk van Israël zich vertakken die Egypte verlieten (zie Sha’ar Hagilgoeliem, Introductie 31).

En Laben de Arameeër wilde Jacob vernietigen [en daarbij de bron van alle zielen van Israël ontwortelen]. Dit zou in zijn geheel de hele wereld geschaad hebben [omdat er dan geen dragend voertuig  zou zijn, om het G’ddelijke te manifesteren door de mensheid heen]. Maar de Heilige, Geprezen Zij Hij, redde hem [door op te treden in een droom, hem zeggende Jacob niet te schaden]. Jacob was getooid met zijn zonen [de 12 combinaties van de Heilige Naam], zoals we hebben uitgelegd, omdat hij  [de fysieke manifestatie is] van die boom [Zeir Anpin], en alles wat is verbonden in trouw hangt van hem af.

“Verbonden in trouw” betekent hier de verbinding van Zeir met malchoet, het spirituele met het fysische. Wat weergegeven wordt in het Shema Jisraël, “Hoor O Jisraël”, aangezien Israël Jacob is in zijn totaal concretiserende mogelijkheid. Dit wordt ook weergegeven bij het brengen van het eerste oogstfruit door bewust iemands afkomst te verkondigen en het terug verbinden van de zegeningen naar hun spirituele bron.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KIE TEETSEE

De mens is het doel van de Schepping, hij is geschapen in beeld en gelijkenis van G’D, en juist zoals Adam oorspronkelijk twee gezichten had om de gelijkheid van man en vrouw aan te geven, zo was ook de respectievelijk aanwending van lichaam en ziel van de mens perfect, zodat beide waren geheiligd aan hun G’D.
De vrouw werd vervolgens gesepareerd van Adam met de intentie om zijn levensgezellin en partner te worden, om hen de gelegenheid te geven een ware eenheid te vormen, zodat zij “één lichaam” worden. (Genesis. 2,24)
Adam (Mens) verkrijgt door deze separatie zijn perfecte vorm en wordt compleet.

G’D verloste ons van slavernij, om ons in staat te stellen Zijn dienaren te worden, zoals Hij zegt in Leviticus 25,55: “Want de Kinderen van Israël zijn dienaren van Mij.” Dus, door Zijn dienaren te worden, voegen wij meer vermogen toe aan de spirituele essentie van onze zielen. In de uiteindelijke toekomst zullen wij het spirituele niveau, dat Adam bezat toen hij nog de geweven kleding van licht droeg, terugwinnen.
Als we dit punt in onze historie zullen bereiken, zal ons leven oneindig worden en lichaam en ziel zullen een blijvende existentie hebben in deze wereld.
Wij zullen direct van voeding worden voorzien door de shechina, is de unanieme mening van de Kabbalisten en vastgelegd door Nachmanides. Een compleet andere mening daarentegen heeft Maimonides, die de periode in kwestie niet ziet als een leven in deze wereld.
De zuivering en verfijning van ons lichaam en iemands verhouding met de materiele zaken in deze wereld kan alleen worden bereikt door het uitvoeren van de mitzwot. Gezien het feit dat praktisch alle zeventig geboden die worden genoemd in deze parasha betrekking hebben op ons lichaam ofwel onze verhouding tot materiele zaken, mogen we aannemen dat de gehele parasha primair gewijd is, om ons te leren heiligheid tot stand te brengen met ons lichaam en onze omgang met materiele zaken.
We moeten zeer goed bedenken dat het voornaamste punt in het bereiken van heiligheid van het lichaam draait, om het reproductieve orgaan en wie en voor welk doel, wij onze levenspartner kiezen. We moeten ernaar streven dat de zaaddruppel welke de eicel van onze vrouw zal bevruchten heilig is en niet ontaard is door verontreiniging van de serpent (spirituele verontreiniging).
Heilige intenties gedurende copulatie brengt een vereniging teweeg tussen de Sefirot van tiferet en malchoet, welke het tweevoudige gezicht van Adam representeerde vóórdat Eva van hem was gesepareerd.
Deze twee Sefirot symboliseren de esoterische dimensie van ziewoek, copulatie, de fysieke vereniging van man en vrouw.
De heilige gedachten die iemand moet hebben gedurende de geslachtsgemeenschap zijn alleen spiritueel verdienstelijk als iemand de geschikte vrouw heeft gekozen.
De reden dat Eva was gescheiden van Adam op het moment dat er geen andere mensen waren, was om aan te tonen dat de vereniging van Adam en Eva een echtelijke staat was, een vereniging tussen twee partners die geschikt waren voor elkaar.
Als iemand een vrouw kiest, moet hij voor ogen houden tzelem elokiem, het beeld van G’ddelijk aspect van iemands persoonlijkheid.
Als iemand is gemotiveerd door andere overwegingen in het kiezen van een vrouw, of als iemand geslachtsgemeenschap aangaat, zelfs met zijn eigen vrouw, met redenen anders dan het procreëren van G’D vrezende kinderen, is iemands existentie onvolledig. G’D heeft het “tegenovergestelde” gecreëerd, m.a.w om ons te voorzien in het maken van de juiste keuze, voorzag Hij ons van de verkeerde keuze.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM, ROSH CHODESH ELLOEL

De Kroon van het Oordeel

Zohar, p. 274b

Je moet Rechters en Gerechtsbeambten aan je poorten aanstellen, die de Eeuwige, je G’D, je voor je stammen zal geven en zij zullen het volk berechten met rechtvaardige beslissingen.” (Deuteronomium. 16:18)

Dit is de mitzwa om rechters en ordehandhavende functionarissen aan te stellen en toch wordt er gezegd, “Maar [in het Hebreeuws, ki] de Eeuwige ]Elo-hiem] is de rechter, Hij vernedert deze persoon en verheft de andere”. (Psalm. 75:8)

Het woord “ki” aan het begin van het citaat wordt gespeld met kaf-joed. De numerieke waarde van de letter joed wanneer het voluit wordt gespeld [joed, vav, dalet] is 20. Na het woord “ki” gebruikt het vers het woord voor de G’ddelijke eigenschap van striktheid; “…Elo-hiem is de rechter, Hij vernedert deze persoon”, het woord voor “deze” is 12 in gematria, de zelfde numerieke waarde als de twee letters [voluit gespeld hé-alef] in de Heilige Naam Havayah; “… en verheft de andere”, het woord “en” voluit gespeld vav vav [ook de numerieke waarde van 12] wordt gebruikt.

De letter kaf van het woord “ki” is de eerste letter van de naam van de hoogste sefira, Keter. Het Hebreeuwse woord voor het getal 20 is “esriem“, hetgeen de oorsprong van striktheid uit de hoogste sefira, Keter bevestigt en neerwaarts daalt in deze wereld in de vorm van wijsheid van de op de juiste wijze benoemde rechters. Hun niveau wordt aangegeven door de joed die volgt na de letter kaf. De joed geeft altijd de sefira van Chochma aan en de numerieke waarde van de joed voluit is 20, aantonend zijn verbinding terug met de sefira van Keter. De joed is Chochma en de vav dalet in zijn spelling voluit (samen een numerieke waarde van 10) verwijst naar Bina, die de vonk van wijsheid van Chochma bevat. De twee letters in de heilige naam representeren de sefirot van Bina en Malchoet. De twee vav’s representeren de sefirot van Tifiret en Yesod op het spirituele niveau en de twee getuigen die het bewijs leveren aan de rechters op het fysiek niveau.

De volgende opdracht aan de rechters is om de juiste straf op te leggen hetzij dat het doodsoordeel moet worden voltrokken door zwaard, wurging, steniging of verbranding. Wie wordt ter dood veroordeeld door middel van het zwaard? Sam-el, de spirituele oorsprong van iemands inclinatie van slechte daden. Door iemand te doden, die een vehikel is geworden van zijn eigen kwade inclinatie, redt het gerechtshof in deze wereld zijn ziel voor bestraffing in de spirituele werelden. Dit is de verklaring van het vers ” Want Mijn zwaard doordrenkt de hemel, zie, het zal neerkomen op Edom en op het volk dat een anathema voor Mij is, om hun oordeel te ontvangen” (Jesaja. 34:5)

Het zwaard van de Heilige, Geprezen zij Hij, het zwaard van oordeel in de spirituele sferen wordt specifiek aangeduid in de naam Havayah [gespeld, joed, hé, vav, hé].  De joed representeert het handvat van het zwaard en ook de sefirot van Keter en Malchoet. De vav is het lichaam van het zwaard, de zes richtingen van de wereld, Tiferet, combineert striktheid met barmhartigheid. De twee letters symboliseren de twee scherpe snijkanten [in het Hebreeuws, “pipiyot, twee monden“] van het zwaard, [“pi” betekent “mond”in het Hebreeuws], de hogere mond, Malchoet en de mond van de rechter in Deze Wereld. Er is geschreven met betrekking tot deze twee monden, “Streef naar gerechtigheid, ware gerechtigheid, opdat je in leven blijft en het land in bezit kunt houden dat de Eeuwige, je G’D, je geeft.”(Deuteronomium. 16:20) De herhaling van het woord “gerechtigheid” in de tekst refereert aan de twee beslissingen in het recht: de uitspraak van het gerechtshof in de spirituele sfeer en de gelijktijdige uitspraak van het gerechtshof in de fysieke sfeer. Van uit hier zien wij dat oordeel in alles betrokken is, het maakt niet uit hoe klein de zaak is, zoals we hebben geleerd “Niemand bezeert zijn vinger in deze wereld zonder dat het was verordend tegen hem in de hemel”(Choeliem 7b). De schede van het zwaard van rechtvaardigheid is de naam Ado-nai, representerend  Malchoet, wanneer gecombineerd met de barmhartige heilige naam Havayah. De vereniging hiervan is de meditatieve staat van eenwording met het oneindige, gesymboliseerd door de namen wanneer ze samen worden gespeld: joed alef hé dalet vav noen hé joed.

SHABBAT SHALOM

LIED VOOR DE MAAND ELLOEL

Psalm 27 begint met de woorden “De Eeuwige is mijn licht en mijn redding.” Het wordt gelezen aan het einde van de ochtenddienst gedurende de Maand Elloel vandaag, tot na Hoshana Rabba-Simcha Thora, de zevende dag van het Soekotfeest. Vers 6 van de psalm, leest: “Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding”.Heb dit vers in gedachten zodat je de woorden ziet schitteren in het analytisch licht overeenkomstig aan de Kabbala.

De Eeuwige is mijn licht en mijn redding, voor wie zou ik bang zijn? De Eeuwige is de beschutting voor mijn leven, voor wie zou ik angst hebben? Al komen, die het kwade willen, mij te na om mij tot prooi te maken, al zijn mijn verdrukkers en mijn vijanden tegen mij, dan zullen zij struikelen en vallen. Al ligt een leger in slagorde tegenover mij, is het mij niet bang te moede. Al staat een oorlog tegen mij op uitbreken, toch blijf ik vertrouwen. Een ding vraag ik van de Eeuwige, daarnaar streef ik, dat ik in het Huis van de Eeuwige mag wonen, zolang ik leef. Dat ik de lieflijkheid van de Eeuwige mag ervaren en het heiligdom weer geregeld mag bezoeken. Dat Hij mij zal beschutten onder een beschermend dak in kwade dagen, mij zal bergen in de beslotenheid van Zijn tent, mij zal plaatsen boven op een rots. ‘Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding. Hoor Eeuwige naar mijn stem! Ik roep, wees mij genadig en antwoord mij. Ik dacht bij mezelf van U te horen: ‘Zoeken jullie Mij!’ Ik zoek U toch, houdt U zich niet voor mij verborgen, wijs Uw dienaar niet af in Uw woede, mijn hulp bent U. Laat me niet los, laat me niet in de steek! God van mijn redding! Al zouden ook vader en moeder mij in de steek laten, de Eeuwige zou me tot zich nemen. Leer mij Eeuwige Uw wegen en leid mij op het juiste pad, al zijn er die op mij loeren. Lever mij niet over aan de willekeur van mijn vervolgers, die als valse getuigen optreden en met woorden van geweld van zich afblazen. Zo zou het zijn als ik niet altijd geloofd had het goede van de Eeuwige te mogen ervaren in het land der levenden. ‘Vertrouw op de Eeuwige, wees sterk en blijf moedig, vertrouw op de Eeuwige!’

CHODESH TOV

 

PARASHAT RE’ÉE

 KOSHERE DIEREN EN KOSHERE DADEN

 Likkoeté Sichot, Vol, Ii, P. 375-378

Shaar Hamitzwot En Taamei Hamitzwot,  Geschriften Van De Ari.

 Het Thoragedeelte Re’ée geeft twee kenmerken aan waardoor we weten dat een dier gegeten mag worden: het herkauwt en het heeft gespleten hoeven.

Wanneer iemand een of ander type van voedsel eet, hetzij dierlijk, plantaardig of mineraal, wordt het voedsel een deel van zijn vlees en bloed. Door het te eten vervult iemand het doel van de Schepping, dat het in hem wordt opgenomen.

Er zijn bepaalde aspecten van de mens die gelijk zijn aan de minerale, plantaardige en dierlijke staat. Dan zijn er die componenten die de mens tot een compleet andere contrasterende entiteit maken. Het zijn deze laatste elementen die de mens tot een uniek wezen maken, een denkend en sprekend wezen, een medaber.

Juist zoals de minerale plantaardige en dierlijke delen van de wereld hun maximale potentie verkrijgen wanneer zij worden verenigd  tot een menselijk wezen, zo ook binnen de mens zelf:

Deze aspecten, minerale plantaardige en dierlijke, is niet het menselijk doel, zijn doel ligt in zijn unieke kwaliteit als medaber. De gepaste bestemming van zijn andere facetten is dat zij worden omvat en opgenomen in de eigenschappen van de medaber.

Dus het ware doel van de fysieke mens is als het ware om te worden verenigd met de Hemelse Mens, Tzelem. Hij bereikt dit door het vervullen van de missie die aan hem is toevertrouwd door de Hemelse Mens. Want wanneer iemand handelt als G’D’s afgezant en de missie vervult die hem is toevertrouwd, wordt de persoon als het ware “gelijk aan Hem”.

Idem,  het doel van het minerale plantaardige en dierlijke in de mens is dat zij worden verheven en opgenomen in de Hemelse Mens. Dit wordt bereikt door het menselijk hanteren hiervan voor het doel waarvoor zij tot existentie werden gebracht. De menselijk uitdaging is dus om zijn dierlijke inclinaties, die van nature iemand verre houdt van spiritualiteit, om te zetten in heiligheid. Om te weten of iemand G’D op een gepaste wijze dient en het dierlijke in hem verheft, of op de juiste manier neerwaarts is gebracht, geeft de Thora ons twee kenmerkende aanwijzingen.

 

De natuurlijke neiging van de mens is om G’D te dienen hetzij met liefde en goedheid, of met vrees en striktheid. Wanneer de mens in staat is om te dienen met beide eigenschappen, is dit een indicatie dat hij Hem dient, niet door middel van dwang uit gewoonte maar vanuit ware toewijding. Als hij G’D alleen diende van uit routine, zou het onmogelijk zijn om de zelfde graad van vitaliteit te tonen in beide benaderingen van dienst.

Deze ware dienst in het verheffen van de dierlijke ziel in de mens wordt aangegeven door de gespleten hoeven. De dienst is “kosher”, aangezien beide “kanten”het aspect van liefde  en goedheid zowel aan de ene zijde, als aan de andere, het aspect van vrees en striktheid, gelijk en eerlijk is verdeeld.

Maar omdat de mens is verwikkeld in de uitdaging van de Fysieke wereld, kan hij nooit en te nimmer zeker zijn dat hij G’D dient op de juiste wijze. Zelfs wanneer hij er voor zorgt dat zijn “hoeven gespleten zijn” kan hij zich niet  alleen maar verlaten op vluchtig onderzoek. Het is daarom noodzakelijk dat hij zich gedraagt als een  “herkauwend” dier en zijn spirituele dienst steeds weer opnieuw en opnieuw overziet en nagaat, om zeker te zijn dat hij  inderdaad op de juiste wijze dient en niet de ene vorm van dienst verkiest boven de andere.

In een meer algemene zin, leren deze kenmerken ons dat voordat we ons bezig houden met fysieke activiteiten, we zeker moeten zijn dat we het niet doen gewoonweg omwille van alleen maar fysiek genoegen, maar ook voor de spirituele kant. Bovendien, moeten we herhaaldelijk onderzoeken, om zeker te zijn, of al onze handelingen waarlijk uitvoeringen zijn voor het belang van de Hemel.

Rabbi Jitzchak Luria.

Shaar Hamitzwot en Taamei HaMitzwot,  geschriften van de Ari.

Wat volgt, zijn de meditaties die mijn meester [ de Arizal ] onderwees aan Rabbi Jitachak Cohen.

Aan het Joodse Volk is het gebod opgelegd om, voordat zij hun vlees consumeren, de dieren te slachten volgens nadrukkelijk daarvoor bepaalde regels: “Je moet van je rund en kleinvee, dat de Eeuwige je gegeven heeft, slachten zoals ik het je geboden hebt en dan mag je binnen je poorten er zoveel van eten als je hart begeert.” (Deuteronomium 12:21)

In tegenstelling tot een normale slachter, geniet de positie van de rituele slachter [Hebreeuws, “shocheet”] in het Jodendom grote eer. Om een shocheet te kunnen zijn, moet een persoon een ideaal voorbeeld zijn qua karakter, een Thorageleerde, godvruchtig en G’D vrezend, ter vermeerdering van de kennis en uitvoering van de zeer complexe wetten van het ritueel slachten. De eerste fase naar het eventuele consumeren door een Jood van vlees, is een intensieve spirituele daad, het spiritualiseren van het fysieke vlees is grotendeels afhankelijk van de intenties en het zuiver van denken van de shocheet.

Zoals we weten , benodigt iemand, tijdens het eten, de spirituele intentie te hebben om het wezen van deze wereld te verbeteren en te verfijnen, om zodoende het spirituele niveau te bereiken, van de primaire staat waarin alle creaturen zich bevonden bij het scheppen van deze wereld.

De primordiale zonde, het eten van het fruit van de boom van de kennis van goed en kwaad, veroorzaakte een spirituele val in vermogen van de materiele schepping om spiritueel bewustzijn, te dragen of te ondersteunen. Onze taak in het leven is om deze fysieke wereld te verfijnen en te zuiveren, zodat zij opnieuw ontvankelijk kan worden van dit niveau van G’ddelijk besef.

Dit [niveau raffinement] is gelijk aan [als toelichting] de ezel van Rabbi Pinchas ben Jair.

Rabbi Pinchas ben Jair was een Talmoedgeleerde. Zijn ezel weigerde voedsel (gerst) te eten waarvan geen tienden van afgescheiden was. (Choelien 7a)

(Als toevoeging). Het komt zeer vaak voor dat een ziel van een mens reïncarneert in dieren. Als het dier met de gepaste intenties is geslacht, helpt het de ziel van de gereïncarneerde te bevrijden van de straf die deze moest ondergaan. De ziel kan dan de volgende keer, wanneer hij in deze wereld komt, opnieuw in een menselijk lichaam binnentreden, zoals het origineel bedoeld was.

Er zijn dus twee fundamentele doelstellingen van de rituele slachter: het verheffen van de spirituele dimensie en aard van het fysieke dierlijke vlees, en, in sporadische gevallen, de gereïncarneerde ziel te helpen om zijn herstelproces te beëindigen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EKEV

Als gevolg                  Deuteronomium. 7:12 – 11:25

Men houdt eenheid in stand

 Van een persoon wordt verlangd om te mediteren over de esoterische betekenis van zijn/haar zegeningen.

 Rabbi Shimon bar Jochai

 Zohar p. 270b.

Als jullie gehoor zullen geven aan deze voorschriften en ze stipt ten uitvoer zullen brengen, zal het resultaat zijn dat de Eeuwige, je G’D, tegenover jullie zich stipt zal houden aan het verbond en Zijn goedheid zal tonen, waartoe Hij zich onder ede tegenover je voorouders verplicht heeft.” (Deuteronomium. 7:12)

En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Deze instructie is om de Heilige, Geprezen Zij Hij, te zegenen voor alles dat een persoon eet of drinkt en geniet in deze fysieke wereld. Als een zegen niet wordt gezegd, dan wordt de persoon een dief genoemd met betrekking tot G’D. Hiernaar wordt ook verwezen in het vers “Hij die zijn vader of zijn moeder besteelt en zegt, dit is geen misdaad, is een vriend van de destructieve krachten.” (Spreuken 28:24) De Medegeleerden hebben dit vers eveneens elders verklaard (zie Zohar p. 35b)

De reden dat hij een dief wordt genoemd is omdat de zegeningen waarbij iemand de Heilige, Geprezen Zij Hij, zegent, een spirituele stroom van overvloed teweegbrengt van de Bron van Leven naar de Heilige Naam van G’D.

Deze stroom ledigt de hemelse olie uit de Bron van Leven, in dat van de Naam,  en veroorzaakt een neerwaartse stoom van spirituele overvloed van dat niveau naar de complete fysieke wereld. Dit is de betekenis van het vers “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige [hier ‘Havayah’ , je G’D [‘E-lokecha’]”.

Door niet te zegenen is de persoon als een dief, die neemt zonder iets terug te geven, want hij veroorzaakt niet een meditatieve eenheid tussen “Havayah” en “E-lokecha”.

 De specifieke zegen die een persoon zegt, veroorzaakt de spirituele overvloed van de hogere diepe oorsprong en brengt teweeg dat al deze hogere niveaus en hun bronnen worden gevuld en gezegend en vervolgens worden leeggemaakt over alle werelden, zodat dat alles wordt gezegend in een ononderbroken eenheid. Dit is de reden dat een persoon wordt gevraagd zijn meditatie te concentreren op de esoterische betekenis van de zegeningen, omdat oorzaak en effect zal worden gezegend als een eenheid.

Bovendien, degene die zegent op deze wijze is zelf gezegend en neemt zijn spirituele aandeel als eerste, vóór alle anderen in de fysieke wereld. Dit omdat de Naam van de Heilige, Geprezen Zij Hij, daardoor is gezegend en van deze Naam zegen neerdaalt op het hoofd van degene die als eerste heeft gezegend. Dit hebben we verklaard als de betekenis van het vers, “…..op iedere plaats waar Ik het goed zal vinden Mijn Naam te gedenken zal Ik tot je komen en je zegenen.” (Exodus. 20:21)

Omdat die zegen nu is neergedaald en rust op het hoofd van die persoon die heeft gezegend is het vanaf dat fysieke punt dat de zegen zich uitspreidt tot de hele wereld.

SHABBAT SHALOM