PARASHAT KI TEETSÉE

 Geschriften van Rabbi Jizchak Luria

 Likoeté Thora en Sefer HaLikoetiem

VERLOSSINGEN VAN DE MAAND ELLOEL

 “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt en, de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven en je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt en je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw, je wordt verliefd op haar en je wilt haar als vrouw hebben, breng haar dan je huis binnen. Ze moet haar hoofd kaal scheren, haar nagels laten groeien, de kleding die ze bij haar gevangenneming droeg  afleggen en dan moet ze bij jou thuis blijven zitten en een volle maand om haar vader en moeder wenen. Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden. (Deuteronomium. 21:10-13)

 Dit vers, het openingsvers van Parashat Ki Teetsée, wordt altijd gelezen aan het begin van de maand Elloel, de laatste maand van het Joodse jaar. De Arizal reveleert hoe dit vers ons een specifieke les leert over deze maand.

Aangezien de goede inclinatie niet volledig bij iemand zijn intrede doet totdat hij 13 jaar oud is, raken zijn ledematen eraan gewend om de kwade inclinatie te volgen vanaf de dag dat hij is geboren.

 De kwade inclinatie, de drang jegens het vervullen van onze fysieke noden waarmee elk van ons wordt geboren en die mentaal gericht is op ons zelf, is aanwezig van af de geboorte, in tegenstelling tot de altruïstische “goede inclinatie” die zijn intrede langzaam doet, beginnend met gepaste religieuze educatie en die tot bloei komt op de leeftijd van 13 voor jongens en 12 voor meisjes. De kwade inclinatie heeft dus een duidelijke voorsprong van 12-13 jaar., waarin iemands lichaam gewend raakt aan het volgen van zijn bevelen.

Wanneer iemand de wil heeft tot berouw, trekt hij ten strijde tegen zijn vijanden”, met andere woorden, de kwade inclinatie en de ledematen van zijn lichaam.” “…de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven..” refereert aan de kwade inclinatie, en “je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt”, refereert aan de ledematen en het lichaam.

 “En je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw…” refereert aan de ziel.

 De G’ddelijk ziel wordt gevangen gehouden door het lichaam, die er gewend aan is geraakt om de kwade inclinatie te volgen.

“….Ze moet haar hoofd kaal scheren.. betekent dat de ziel kwade gedachte die het in zich draagt zal verwijderen.

 Wanneer de ziel gevangen wordt gehouden door de macht van de kwade inclinatie, wordt zij “geïndoctrineerd”met vervormingen of kwade filosofieën en verwrongen gedachten over G’D, zoals pantheïsme, atheïsme, cynisme, enz.

“” Haar nagels ” betekent het weg snijden en afstand doen van overbodige genoegens.

 Nagels symboliseren externe levenskracht, omdat zij groeien maar kunnen worden geknipt zonder pijn.

De kleding die ze bij haar gevangenneming droeg…”refereert aan de “kledingstukken” voortgebracht door negatieve handelingen, gelijk aan de idiomatische uitdrukking, “verwijder de vuile kledingstukken”. (Zachriah. 3:4)  

Een “kledingstuk” is een expressievorm van de ziel. Herhaaldelijk negatieve handelingen weven een grof en vulgair “kledingstuk” waaraan de ziel gewend raakt bij het dragen. Het ongevoelig maken voor spiritualiteit leidt ertoe dat de grofheid van vulgariteit niet wordt waargenomen en wekt de indruk dat zichzelf uitdrukken op grove wijze geavanceerd  en chique is. Dus het raakt eraan gewend om te denken, te praten en te handelen op deze grove manier.

Om haar vader” refereert aan haar Hemelse Vader, de Heilige, geprezen zij Hij.

 “En haar moeder” refereert aan de collectieve ziel van Israël, gelijk aan wat is geschreven, “Na mijn terugkeer,  zal ik troosten…” (Jeremiah. 31:18)

 De berouwvolle moet zich, als deel van zijn berouw, realiseren dat zijn gepasseerde handeling G’D heeft  “gekwetst “, met andere woorden, Hem van vooruitgang van Zijn doel in de Schepping heeft afgehouden. Ook, heeft hij de “Shechina” gekwetst”, die de collectieve ziel van Israël is, door het verhinderen van het actualiseren van G’ddelijk bewustzijn in de realiteit. Spijt hebben helpt de berouwvolle zijn energieën opnieuw te richten naar het goede.

Het werkwoord “Ik zal troosten” in het vers van Jeremiah is transitief, als of het betekent, “Ik troost G’D”.

“….een volle maand wenen”, refereert aan de maand Elloel, die dagen zijn en niet jaren en de meest gunstige tijd is voor berouw in de zin van Teshoewa.

 Het idioom “dagen en niet jaren” is van de Talmoed (Shabbat. 105b) en betekent “ slechts een korte tijd”.

De passage besluit: “…..Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters                Deuteronomium.  16:18 – 21:9

Rabbi Chaim (ben Moshe) Ibn Atar

Stad van de Ziel

Ohr HaChaim

Wanneer je een stad nadert om er strijd tegen te voeren, stel ze dan eerst vredesvoorwaarden voor. (Deuteronomium. 20:10)

Mogelijkerwijs duidt deze paragraaf op iets dat  Rabbi Shimon bar Jochai zei in de Zohar II:62, dat G’D een aanvullende zielt zend aan een man om hem op het rechte pad te houden en om hem te beschermen tegen het doen van zonden jegens Hem. We kunnen G’D waarnemen in het zich wenden tot deze aanvullende ziel, zeggend: “Wanneer je een stad nadert…” Met andere woorden, het lichaam van de mens die je zult bewonen, welke bekend is als “stad”.

We weten van de Zohar Chadash,  Ruth, p. 97, uit het vers “er was een kleine stad met weinig inwoners” (Prediker. 9:14), de stad waarover Koning Salomon  spreekt, is een menselijk lichaam. Deze aanvullende ziel zou het  “mirakel”  zijn dat nodig is om de Joodse soldaat te beschermen wanneer hij ten strijde moet trekken, want het helpt hem in het verhinderen van zonden, welke kunnen resulteren in een gewelddadige dood tijdens de oorlog. 

[De Thora verklaart: “Wanneer je een stad nadert om er strijd tegen te voeren…”], in het Hebreeuws “aliya“, letterlijk “op haar”, wat hier “op haar verantwoording”.betekent. Het idee is dat deze ziel is bedoeld om het lichaam te beschermen tegen de slechte aard; het is in overeenstemming met het vers in Prediker 9:14 welk continueert “een machtige koning trok tegen het stadje op en omsingelde het…Een onbelangrijk uitziende wijze man redde dat stadje van de omsingeling van de grote koning, door van zijn wijsheid gebruik te maken. “(vergelijk Nedarien 32)

Betreffende de zin “…stel ze dan eerst “‘vredesvoorwaarden voor’”, betekent, dat je niet onmiddellijk de zonde te lijf moet gaan [je slechte aard] en probeert om het in een  frontale aanval te veroveren; maar eerder voorstelt de hemel te geven wat zij verdient, met als resultaat dat je slechte aard groot voordeel zal ondervinden. Ten gevolge zal de slechte inclinatie toestaan dat de mens ook een taak heeft met betrekking tot de hemel. Per slot van rekening, seculaire activiteiten zoals eten en drinken in dit leven, stellen de mens in staat om zijn spirituele taken beter uit te voeren. Als resultaat van deze schikking met de slechte inclinatie, verzekert men zichzelf, in het algemeen, van het niet verliezen van een plaats in de Komende Wereld.  

In het vers, “Als ze je [in het Hebreeuws, ‘vayehi’] vredesvoorwaarden aanvaarden, etc…..dan is heel de bevolking aan jullie onderschikt en moet voor jullie werken (Deuteronomium. 20: 11), het woord “vayehi“, zoals gewoonlijk, verwijst naar iets vreugdevol; ook hier, als iemand de slechte inclinatie benadert in een wijze zoals we zojuist hebben beschreven zodat hij de deur op een kier stelt voor positieve spirituele waarden, zal G’D op Zijn beurt deze deur wijd openstellen, met andere woorden, de 248 botten en 365 spieren waar het menselijk lichaam uit bestaat, worden allen ondergeschikt aan de ziel [in plaats van aan de slechte inclinatie]. Het lichaam zal dan de positieve geboden uitvoeren en zich onthouden van overtreding van de negatieve geboden.

De frase “….en voor jullie werken” zinspeelt op  iemands slechte inclinatie als een slaaf die vrees heeft voor zijn meester en niet  afwijkt naar links noch naar rechts.

SHABBAT SHALOM

SHABBAT ROSH CHODESH ELLOEL

LIED VOOR ELLOEL

Psalm 27 begint met de woorden “De Eeuwige is mijn licht en mijn redding.” Het wordt gelezen aan het einde van de ochtenddienst gedurende de Maand Elloel vandaag, tot na Hoshana Rabba-Simcha Thora, de zevende dag van het Soekotfeest. Vers 6 van de psalm, leest: “Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding”.Heb dit vers in gedachten zodat je de woorden ziet schitteren in het analytisch licht overeenkomstig aan de Kabbala.

De Eeuwige is mijn licht en mijn redding, voor wie zou ik bang zijn? De Eeuwige is de beschutting voor mijn leven, voor wie zou ik angst hebben? Al komen, die het kwade willen, mij te na om mij tot prooi te maken, al zijn mijn verdrukkers en mijn vijanden tegen mij, dan zullen zij struikelen en vallen. Al ligt een leger in slagorde tegenover mij, is het mij niet bang te moede. Al staat een oorlog tegen mij op uitbreken, toch blijf ik vertrouwen. Een ding vraag ik van de Eeuwige, daarnaar streef ik, dat ik in het Huis van de Eeuwige mag wonen, zolang ik leef. Dat ik de lieflijkheid van de Eeuwige mag ervaren en het heiligdom weer geregeld mag bezoeken. Dat Hij mij zal beschutten onder een beschermend dak in kwade dagen, mij zal bergen in de beslotenheid van Zijn tent, mij zal plaatsen boven op een rots. ‘Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding. Hoor Eeuwige naar mijn stem! Ik roep, wees mij genadig en antwoord mij. Ik dacht bij mezelf van U te horen: ‘Zoeken jullie Mij!’ Ik zoek U toch, houdt U zich niet voor mij verborgen, wijs Uw dienaar niet af in Uw woede, mijn hulp bent U. Laat me niet los, laat me niet in de steek! God van mijn redding! Al zouden ook vader en moeder mij in de steek laten, de Eeuwige zou me tot zich nemen. Leer mij Eeuwige Uw wegen en leid mij op het juiste pad, al zijn er die op mij loeren. Lever mij niet over aan de willekeur van mijn vervolgers, die als valse getuigen optreden en met woorden van geweld van zich afblazen. Zo zou het zijn als ik niet altijd geloofd had het goede van de Eeuwige te mogen ervaren in het land der levenden. ‘Vertrouw op de Eeuwige, wees sterk en blijf moedig, vertrouw op de Eeuwige!’

ROSH CHODESH TOV

 

 

 

 

 

 

 

PARASHAT RE’ÉE

Zie      Deuteronomium. 11:26 – 16:17

 

Rabbi Jitzschak Luria

 

Geschriften van de Ari

 

In de Thoralezing van deze week wordt ons gezegd: “Breng het Pesach offer aan de Eeuwige, je G’D…zodat je de dag zult gedenken dat je uit het Land Egypte ging alle dagen van je leven.” (Deuteronomium. 16:3)

De reden dat ons wordt opdragen om de Exodus van Egypte te gedenken, in tegenstelling tot alle andere verbanningen (met andere woorden, Babylonie, Media en Griekenland) is als volgt

 

Er is een vierde verbanning, Rome, maar we beschouwen het alsof we ons nog altijd in deze verbanning bevinden, Er kan dus niet van ons verondersteld worden dat we de verlossing er van moeten gedenken.

Het is bekend dat Egypte meer ontheiligd was dan ieder ander land buiten het Land Israel en staat daarom bekend als “de naaktheid van de wereld”.

 

De term “naaktheid” (in het Hebreeuws, “erva“) wordt in de Thora aangewend als referentie naar de seksuele organen en het “onthullen van iemands naaktheid” is een eufemisme voor het aangaan van een seksuele relatie met die persoon.

 

Het idioom “naaktheid van het land” zoals in de Thora gebruikt in Genesis 42:9-12, betekent “het onbeschutte, kwetsbare deel van het land” waardoor het kan worden veroverd, met andere woorden, het binnendringen en ontheiligen door een binnenvallend leger. Ondanks de algemene betekenis, wordt de term treffend gebruikt alleen met betrekking tot Egypte.

 

In de Rabbijnse literatuur wordt dit idioom specifiek geassocieerd met Egypte dat gezien wordt als de meest gedegenereerde en ontaarde civilisatie in de wereld met betrekking tot seksuele losbandigheid en wellust.

 

De Goddelijke Aanwezigheid ging in verbanning met de Joden toen zij in Egypte verbleven, zoals staat geschreven: “Ik zal neerdalen met jullie in Egypte.” (Genesis. 46:4) Het is bekend wat is geschreven in de Zohar II:37b, namelijk, dat de Egyptenaren gebruik maakten van verschillende typen van bezweringformules en magie, die zij verkregen door de krachten van onzuiverheid te manipuleren, om de Joden te onderwerpen zodat zelfs een enkele slaaf geen kans had om van daaraan te ontsnappen.

 

Het is eveneens bekend  wat we hebben verklaard betreffende de betekenis van de verbanning van de G’ddelijke Aanwezigheid, dat de uiteindelijke reden voor deze [verbanning] was vanwege Adams primordiale verandering van status, de vermenging van goed en kwaad waardoor alle zielen van de sfeer van heiligheid geconfronteerd werden met de sfeer van kwaad. Zij bleven machteloos om zich ervan te bevrijden, behalve met de hulp van G’D’s barmhartigheid. Hij voelt hun leed en pijn aangezien Zijn Aanwezigheid, ook in verbanning, in de sfeer van kwaad, het Joodse Volk vergezeld. Wanneer G’ddelijke Aanwezigheid [met hen] hun plaats binnengaan, verzameld G’ddelijke Aanwezigheid deze zielen van daar.

 

De G’ddelijke Aanwezigheid volgt het Joodse Volk in verbanning om hen daar uit te bevrijden.

 

Er zijn zeventig aspecten van kwaad, corresponderend met de zeventig niet joodse volkeren en de Joden moeten worden verbannen door deze zeventig niet joodse volkeren teneinde alle zielen te verzamelen. Wanneer zij deze verzameling van alle zielen onder de zeventig volkeren hebben beëindigd, het tijdstip wanneer ” voet raakt voet” zal zijn, genoemd in de Zohar II:258a, en dan zal het vers, “Dood zal voor eeuwig worden verzwolgen” (Jesaja, 25:8) worden vervuld.

 

Elk volk of civilisatie/cultuur representeert een andere perversie van de waarheid van de Thora, hetzij gedeeltelijk of geheel. De Joden, de dragers van de G’ddelijke boodschap, moeten al deze perversies doortrekken om te rectificeren in het licht van de waarheid (in de vorm van de Thora).Dit rectificatieproces kan direct gebeuren, als de Joden worden erkend als de dragers van het G’ddelijk Licht aan een cultuur die welwillend tegen hen aankijkt voor advies en begeleiding of zoals gewoonlijk het geval was, indirect, als ideeën en concepten van de Thora “uitlekken” in de gastcultuur via contact met Joden.

 

 De “voet” is het laagste deel van het “lichaam” van de “mens van het kwaad” en de “mens van Heiligheid”. Dat is de laagste, meest ontaarde (en daarom de meeste krachtvolle) vorm van kwaad en de laagste en zwakste manifestatie van heiligheid. De verbanning van het Joodse Volk zal continueren tot het laagste het laagste ontmoet, dat is, tot het zwakste element van heiligheid het sterkste element van kwaad overwint.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ÉKEV

Rabbi Isaiah Horowitz, the Shelah 5320 (1560) Praag; 5390 (1630) Jeruzalem, Auteur van Shné Loechot HaBriet, De Grootsheid van Nederigheid

Het bewustzijn van G’D’s grootsheid is een direct gevolg van iemands verzonkenheid in alle niveaus van Thora. Er is geen belang en geen einddoel voor deze eerbied. Wanneer een persoon gelooft, in verhouding tot anderen, dat hij een groot inzicht heeft bereikt van het fysieke, zowel als van het celestische aspect van het universum, zijn deze inzichten vergeleken met de grootsheid van G’D Zelf, niets. De uiteindelijke bron van alle wijsheid is G’D Zelf.

Om die reden leert Koning Solomon ons in het boek Spreuken 22:4: “De uitkomst van bescheidenheid is vrees voor de Eeuwige”. Wat Solomon bedoelt is, dat hoe meer vrees men krijgt voor G’D, hoe bescheidener men wordt. Hoe meer men begrijpt van de grootheid van G’D, hoe bewuster men wordt van zijn eigen onbeduidendheid. Wat heeft de mens te bieden?

Dus de oorsprong van nederigheid is diepe eerbied voor G’D. Hoe meer een geleerde leert, hoe meer hij neigt naar bescheidenheid. Grootsheid staat gelijk aan nederigheid, omdat de waarlijk grote blijft uitzoeken hoeveel verder dan zijn vermogen bevatbaar is. De ultieme wijsheid die wij kunnen vergaren is dat onze kennis zeer beperkt is.

In het zicht, van wat we juist hebben gezegd, is het duidelijk dat Mozes werd beschreven als de meest nederige mens die ooit heeft geleefd, want geen enkel ander mens, voor hem en na hem, had op alle niveaus, zoveel kennis en inzicht in de werken en handelingen van G’D en van het universum. Nederigheid en bescheidenheid zijn een teken van diep inzicht van iemand, in de grootsheid van de Schepper. Iedereen die arrogantie vertoont, zich superieur voordoet, laat zien hoe leeg en oppervlakkig hij innerlijk is.

Na deze uitleg over de aard van bescheidenheid, kunnen we begrijpen waarom G’D Zijn Aanwezigheid laat rusten op de nederige, bescheidene en meest pretentieloze mensen. Het rust op hen omdat zij het grootst mogelijke inzicht hebben verkregen en de diepst mogelijke eerbied en waardering voor Hem hebben.

Zelfs mensen die niet intellectueel zijn uitgerust om bescheiden te worden door studies, erkennen door het grote verschil van wat zij weten en wat er is, om te weten, G’D’s Aanwezigheid, wanneer zij hun vertrouwen in G’D tot een waar essentieel punt maken. Zij zijn hier eerder toe in staat en bereid dan de arrogante en superieure persoon, welke gelooft G’D’s hulp niet nodig te hebben.

Rabbi Jochanan maakt dit standpunt zeer helder duidelijk in Megilla 31: “Overal waar je het bewijs aantreft van de grootheid van G’D, vind je ook het bewijs van Zijn nederigheid.”

Dan is de essentie van eerbied voor G’D, een bewustzijn van Zijn grootheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT Wa’etchanán

En ik smeekte (Deuteronomium. 3:23 – 7:11)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar. P. 260a

“In die tijd smeekte ik tot de Eeuwige”: “Mijn Heer, Eeuwige G’D, U hebt Uw dienaar eerst een begin van inzicht gegeven van Uw grootheid en van Uw sterke hand. Inderdaad, zou er een macht in de hemel of op de aarde zijn die zulke werken en zulke machtige daden als de Uwe zou kunnen verrichten?”  (Deuteronomium.3:23-24)

[Om dit vers te kunnen verklaren] Opent Rabbi Jossi zijn verhandeling met het vers: “En Hezekia keerde zijn gezicht naar de muur, en bad tot G’D” [om G’D te smeken te helpen in de genezing van zijn ziekte en niet te sterven zoals de profeet hem tevoren had medegedeeld, dat dit zou gaan gebeuren]. (Jesaja.38:2)

Van dit vers leiden wij af dat iemand moet bidden tegenover een muur. Een muur representeert malchoet, welke een muur is in relatie tot alle ander sefirot omdat zij allen er in eindigen en niet verder gaan. Dit is de reden waarom het zo passend is om te bidden aan de Westelijke Muur van de TempelBerg in Jeruzalem. Aangezien iemand moet bidden met zijn gezicht richting een muur, welke muur is dan meer geschikt dan de overgebleven muur van de TempelBerg?

Kom en zie. Hoe geweldig is de kracht en autoriteit van de Thora en hoe verheffend is haar studie in relatie tot andere inspanningen! Dit komt omdat iedereen die moeite doet om de Thora te begrijpen geen bedreiging kent [van diegene welke schade veroorzaken ] in de spirituele of fysieke werelden.
Hij heeft geen angst voor aanvallen en ongeluk in Deze Wereld, omdat hij één is met de Boom van het Leven. Hij eet er elke dag van [door Thoraleren voorziet hij zijn ziel van voeding, en fysiek beschermd door advies.

Dit komt omdat de Thora een persoon leert het pad van de waarheid te bewandelen. Zij geeft hem advies wat betreft berouw [Teshoewa] en hoe hij moet terugkeren naar zijn Meester. Zelfs als ernstige verordeningen en zelfs al zou de dood verordend zijn tegen hem, kan het herroepen worden. Zij maakt het mogelijk om hem te verlaten zonder een spoor achter te laten.

Aldus was Hezekia, een Koning, zeer geleerd in Thora, verdienstelijk genezen en beloond met 15 jaar extra leven, alhoewel de profeet Jesaja hem had geïnformeerd over zijn dreigende dood.

Om al deze redenen zou een persoon dag en nacht Thora moeten leren. Hij zou zich niet er van mogen afwenden, zoals Joshoea instrueert, “Dit boek van de Thora mag nooit van je lippen wijken, dag en nacht moet je er over nadenken opdat je nauwgezet zult handelen volgens alles wat erin geschreven staat.” (Joshoea 1:8) Als iemand zich geen tijd veroorlooft voor Thora of zich zelfs maar [tijdelijk] separeert van haar, is het alsof hij zichzelf heeft gesepareerd van het leven.

Kom en zie. Het is verstandig voor een persoon, wanneer hij naar bed gaat s’nachts, om het Hemelse juk met volle concentratie  op zich te nemen [door het zeggen van het Shema gebed].
Vervolgens, voordat hij in slaap valt zou hij zijn Nefesh moeten deponeren, overgeven [aan de Shechina in Malchoet van Atziloet, door het zeggen van het vers: “In Uw hand leg ik mijn geest”.
(Psalm. 31:6)

Door dit te doen, bereidt iemand zichzelf bewust voor op de komende slaaptoestand, welke beschouwd wordt als een 1/60 deel van de dood.
Juist zoals iemand voor de dood het Shema zou moeten zeggen, zo ook moet iemand het voor het slapen zeggen. Opgemerkt kan worden dat het woord “dormitorium” twee voorname lettergrepen heeft, “dor” gelijk aan het Aramese woord “dar”, wat “leven” betekent en “mit” van het Hebreeuwse woord “met”, wat “dood”betekent.
Je zou kunnen zeggen dat een dormitorium een plaats is waar de dood leeft!  In de context van onze uitleg is dit aannemelijk, omdat de ziel zich in een droomtoestand losmaakt van het lichaam, en het  achterlaat als ware het dood.

Dit is zoals we reeds eerder hebben uitgelegd [in parashat Bamidbar, Zohar bladzijde 119a] In een slaapperiode proeft de gehele wereld de smaak van dood [Berachot 57b], omdat de Boom van Dood heerst over de wereld.

De sefira van Malchoet, welke het aspect is van de Boom van kennis van Goed en Kwaad,regeert tijdens de nacht. Zij heerst over de krachten van duisternis dat haar sterkte verkrijgt bij nacht, welke de reden is dat de naam van de boom verandert. In plaats van zorg te dragen voor goed en kwaad, voedt het de krachten van duisternis.

Elke persoonlijke geest gaat uit [van het lichaam] en stijgt op [om zich te verantwoorden in de spirituele werelden voor de handelingen gedurende de dag, en ook om zich spiritueel te verfrissen en te vernieuwen].

SHABBAT SHALOM

SHABBAT CHAZON – PARASHAT DEVARIEM

SHABBAT CHAZON

De Shabbat van het visioen van Jeshajahoe (Jesaja 1, 1-27)

SEFER DEVARIM

Het boek Deuteronomium

Het boek Devarim ,ook wel genoemd “Mishné Thora”,ofwel, herhaling of overzicht van de Thora , bevat desondanks toch meer dan zeventig nieuwe mitswot (opdrachten).

Moshé richtte zijn woorden ( devarim ) tot de generatie die Eretz Yisrael zou binnen gaan. Hij herhaalde daarom ook nadrukkelijk de geboden ten aanzien van “Awoda Zara” ( afgodendienst ), om de joden er voor te waarschuwen zich niet in te laten met de praktijken van de heidense volkeren in Eretz Kanan, maar loyaal te blijven aan de Thora.

Sefer Devariem kondigt daarom ook de eventuele straffen aan bij verloochening van de Thora, waarvan verspreiding wereldwijd, van het joodse volk, er één is. Het sluit af met de bevestiging van de uiteindelijke verlossing (30:3), de voltooiing van de schepping, een historische cyclus die was begonnen met de schepping.

PARASHAT DEVARIEM

Woorden (Deuteronomium 1:1 – 3:22)

De Parasha van Devariem wordt altijd gelezen op de Shabbat vóór de 9de Aw, de datum waarop beide Tempels werden verwoest. Deze tragedies vinden hun reflectie in de keuze van de Haftara (profetenlezing na het lezen van de Thora op Shabbat, Feestdagen en Vastendagen) van afgelopen weken en de komende weken. Die van voor de 9de Aw benadrukken profetieën van berisping voor de zonden die de spirituele oorzaak waren van de verwoesting; de Haftarot na 9de Aw behielden in zich de boodschap van troost en bemoediging. De Haftara van deze week de fameuze “Visioen van Jesaja” (1, 1-27) geeft zijn naam aan de dag, Shabbat Chazon, de “Shabbat van het Visioen”. Traditioneel wordt dit gezien als een zeer krachtige aanklacht tegen een rebels volk. Maar vanuit de Chassidische traditie gezien schuilt zelfs in een vervloeking ook een G’ddelijke zegen. Rabbie Levi Jitschak van Berditchev, een van de eerste Chassidische leraren, zag het als een toekomst visioen van de Derde Tempel in de Messiaanse Tijd. Deze uiteenzetting onderzoekt de relatie tussen deze gedachten en de inhoud van de Parasha van Devariem.

DE SHABBAT VAN HET VISIOEN

Er is een uitspraak van Rabbi Levi Jitschak van Bertditchev dat deze Shabbat, Shabbat Chazon (als de fameuze Haftora van het vizioen ( chazon ) van Jasaja gelezen wordt) een dag is waarop een visioen aan ons wordt getoond van de toekomstige Derde Tempel, zelfs al zien we het alleen van een grote afstand. ( de woordenkeus visioen “chazon” geeft een visioen aan vanuit een afstand ) Dit stelt ons in staat de relatie te begrijpen tussen het “visioen” van de Haftara en de lezing van Devariem, welke altijd samen gelezen wordt op de Shabbat vóór de 9de Aw.

Want met Devariem begint de “Tweede Thora” Mozes herhaling van de Thora. Het boek Deveriem verschilt ten opzichte met de vier andere boeken van de Choemash, (de vijf boeken van de Thora) doordat het zich in zijn geheel richt op de generatie die op het punt staat het Heilige Land binnen te trekken. Zij benodigden raad en waarschuwing op een wijze die de vorige generatie niet benodigde.

Want het volk dat de wildernis doorkruist had bezat een directe kennis van het G’ddelijke, het had G’D gezien op de Sinaï.

Maar de volgende generatie was al betrokken met hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de fysieke wereld, zij waren het directe kwijt, zij hoorden G’D maar zagen Hem niet. Zij werden met de woorden toegesproken (Devariem 4,1) ” Nu dan Israël, luister…”

Het verschil tussen horen en zien is: iemand die met eigen ogen getuige is van een gebeurtenis is onwrikbaar in zijn verklaring hierover, hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Maar degene die hoorde over de gebeurtenis kan mogelijk enige twijfel hebben. Horen verleent geen zekerheid.

Daarom werd de generatie die het Land Israël zou binnentrekken, die G’D had gehoord maar niet had gezien, geïnstrueerd over zelfopoffering en dergelijke, een waarschuwing die compleet overbodig zou zijn voor de generatie van de wildernis.

Kortom, de latere generatie miste de spirituele directheid van hun ouders. Maar, desalniettemin, waren zij in een bepaalde staat die onbereikbaar voor hun vaders zou zijn, die was gezegd: “Jullie hebben tot nog toe niet de rust en het erfgoed bereikt die de Eeuwige, onze G’D je geeft.” (Devariem 12. 9)

Shilo en Jeruzalem was alleen haalbaar door de latere generatie.

Want alleen door betrokkenheid met materiele zaken, de omvorming van G’D’s wil tot praktische handelingen, zou de volbrenging zijn van de “de rust en het erfgoed”. (Babylonische Talmoed Megilla, 10a. Zevachiem, 119a. Jeruzalem Talmoed Magilla 1. Zohar, deel II, 241a, 242a.)

Devariem, vertelt ons over de paradox, dat ware betrokkenheid met het aardse, ware verheffing teweeg brengt; het hoogst bereikbare van de geest is haalbaar in aardse zaken, niet in hemelse sferen.

En dat is evenzo de boodschap van het “visioen” alhoewel deze Haftara gelezen wordt in de “Negen Dagen” van rouw om het verlies van de Tempels, is het niettemin dat door de resulterende verbanning ware verlossing zal komen, het visioen welke ons een vluchtige kijk geeft ( volgens de woorden van de Berditchever ) op de toekomstige hoop.

DROEFHEID EN VREUGDE

Het rouwgevoel, dat ons bewustzijn domineert tijdens de Negen Dagen wanneer wij ons de verwoesting van de Tempels herinneren, wordt gebroken door de Shabbat, de dag waarop vreugde prevaleert.

Inderdaad, op de Shabbat vóór de 9de Aw worden we gelast om meer vreugdevoller te zijn dan gewoonlijk om mogelijke melancholie van de omliggende periode niet te laten binnendringen in de Shabbat sfeer.

Maar het gelasten heeft een diepere betekenis. Shabbat is een weerspiegeling van de Komende Wereld; de toekomstige verlossing zal zo volkomen zijn dat zij alle sporen van de verbanning heeft uitgewist.

Daarom is op deze dag geen plaats voor evocatieve gevoelens van verbanning. We gaan verder dan alleen maar het elimineren van droefheid, we verhogen onze vreugde. Want de toekomstige verlossing zal spiritueel intenser zijn dan alle anderen tevoren.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHOT MATÓT – MAS’ÉE

Stammen – Reizen         Numeri. 30:2 – 32:42, 33:1 – 36:13

Mozes; “Strijder voor vrede”.

Ons wordt opgedragen om oorlog te voeren tegen de krachten van onenigheid en conflict.

Wapen de mannen onder jullie voor een legereenheid. Laten die zich tegen Midjan keren om G’D’s vergelding te brengen op Midjan. Een duizend van elke stam……”(Numeri. 31:3-4)

De spirituele betekenis en het belang van deze oorlog tegen Midjan is de onderdrukking van de negatieve energie van Midjan, die conflict en onenigheid is. (Zohar. 2:68) De oorlog tegen Midjan is de rectificatie van disharmonie, met ander woorden, het brengen van vrede en harmonische eenheid.       

Rabbi Schneur Zalman (likoetei Thora) verhaalt uitvoering over het feit dat onze Geleerden zeggen dat in de Eerste Tempel periode de Joden afgodenrij overspel en moord hadden bedreven. Gedurende de Tweede Tempel periode was de primaire zonde van de Joden ongegronde haat (Jeruzalem Talmoed Chagiga 1:5; Joma 9b) en om die reden was de Tempel verwoest. Doch de huidige verbanning, die voortkomt uit de tweede destructie, duurt 1700 jaar, terwijl de eerste verbanning, die kwam vanwege de zonden van veel grotere omvang, slechts 70 jaar duurde!

Waarom z’n voortdurende verbanning? Toen de Israëlieten Kanaän binnentrokken, werd van hun verondersteld het land te ontdoen van de zeven volkeren die daar leefden, de Kanaänieten, Hittieten, etc. (tenzij ze de zeven Noachidische wetten zouden accepteren). Maar de Israëlieten tolereerden sommigen van hen in het land en werden beïnvloed door hen. (Numeri. 33:55)

Deze volkeren hadden grove gruweldaden begaan, vanwege het feit dat zijn de negatieve tegenhanger van de zeven emoties, “afval” van de gevallen koningen van Tohoe. Omdat zelfs gedurende de periode van Eerste Tempel de Joden waren beïnvloed door deze krachten, duurde de eerste verbanning 70 jaar, tien jaar voor elke zeven eigenschappen.

In de Tweede Tempel periode echter, waren de zonden niet gerelateerd aan de zeven negatieve eigenschappen, maar ongegronde haat onderlinge. Dit was de negativiteit van Midjan, een veel subtieler kwaad en niet een van de zeven volkeren. 

Dus zeggen onze geleerden in Joma 9b: “Degene van de Eerste Tempelperiode, wiens zonden werden geopenbaard, is in het einde van hun verbanning evenzeer geopenbaard.” Met andere woorden, de zonden van de Eerste Tempelperiode waren onmiskenbaar kwaad en waren makkelijk herkenbaar en te berouwen. De zonde van ongegronde haat echter, is subtieler en veel moeilijker te corrigeren, aangezien de beoefenaar zichzelf voor de gek houd door te denken dat het niet echt een zonde is.  

 Dus “daarin is het einde niet geopenbaard”, de tweede verbanning duurt veel langer omdat er een veel langere tijd van erkenning nodig is van het kwaad en om het te berouwen. Net zoals het langer duurt om minuscule deeltjes van een ongewenste stof te verwijderen dan grote grove elementen. De rectificatie van de zonde van ongegronde haat verlangt een langere periode omdat mensen het niet als volledig kwaad beschouwen, zij zijn veelal er van overtuigd dat hun haat gerechtvaardigd is.

 In werkelijkheid echter is zijn haat en disharmonie de tegenovergestelden van G’ddelijkheid en Heiligheid, welke eenheid belichamen, G’D is één. Eenheid is het fundament van de hele Thora, zoals Hillel de Oudere het uitdrukt: “Wat hatelijk voor jou is doe dat niet voor je medemens.” (Shabbat. 31a)

TRANSFORMATIE

In feite volbrengt deze oorlog tegen Midjan meer dan juist onderdrukking van Midjan; de energieën die voordien aanwezig waren in het domain van Midjan werden getransformeerd naar de sfeer van Heiligheid, duisternis werd veranderd tot licht.

TWEE PAMALYAS

In een zelfde stemming zeggen onze Geleerden: Iedereen die Thora studeert voor zijn eigen bestwil brengt vrede in de Hogere “Pamalya” (klassiek  Aramees voor “heerscharen”) en de Lagere Pamalya. (Sanhedrin 99b) In de letterlijke zin refereert Hogere “Pamalya” aan de spirituele werelden, terwijl de Lagere “Pamalya” refereert aan deze laagste wereld. Maar in bredere zin bevat de hele realiteit een hogere en een lagere “Pamalya”, inclusief de menselijke realiteit. De onzelfzuchtige student van Thora brengt vrede in beide sferen in al hun verschijningsvormen. In de menselijke zin, zijn de twee niveaus het verstand en het hart. Wanneer er vrede heerst tussen hen, heerst het verstand over het hart. Immers de emoties worden geleid door het intellect.

DE LERING

De oorlog tegen “Midjan” moet worden gestreden [met ons zelf]; we moeten vrede en liefde hebben [met onze medemens en omgeving.

Alle Chabad Meesters hielden verhandelingen die zij zouden herhalen van tijd tot tijd om de atmosfeer van de wereld te zuiveren en te louteren. Deze verhandeling bekend als Heichaltzoe werd oorspronkelijk gegeven door Rabbi Schneur Zalman in het jaar 1768, toen hij op reis was naar huis van een bezoek aan zijn leermeester Rabbi Dovber van Mezrich en was een van degen die dit vele malen zou herhalen.

Sindsdien herhaalde de Meesters de verhandeling over dit onderwerp bij speciale gelegenheden om gevoelens van onenigheid te onderdrukken. In 1898 gaf Rabbi Shalom Dovber, de vijfde Chabad Rebbe, de meest fameuze verzie van deze verhandeling op Simchat Thora en opnieuw op Parashat Noach ter gelegenheid van een familie bijeenkomst.

Moge het met G’D’s wil zijn dat er vrede zal zijn in de Lagere Pamalya en de Hogere Pamalya, zowel vrede tussen de ziel zoals die existeert in het Hoge, waaraan wordt gerefereerd als “de ziel die U in mij heeft geplaatst die puur is” en de ziel als die neerdaalt, waaraan wordt gerefereerd als “U creëerde, vormde en blies het in mij”. En ten slotte moge we de ultieme vrede hebben, die zal plaatsvinden in de Toekomstige Era.

SHABBAT SHALOM     

PARASHAT PINCHAS

 Rabbi Shimon bar Jochai

 De Zohar leert dat juiste rectificatie van de ziel stap voor stap plaatsvindt.

 Zohar, p. 213a

 Rabbi Shimon citeert het vers, “En toen Pinchas, de zoon van El’azar, de zoon van Aaron de Priester, dit zag stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand.” (Numeri. 25:7)  Waarom wordt er tweemaal naar Pinchas verwezen als de zoon van? Het gaat erom de voltooiing te laten zien van wat verloren was gegaan.

 Nadaw en Awihoe, de twee zonen van Aaron, werden verteerd bij het brengen van het wierook offer op een ijverige, maar misplaatste wijze. Hun zielen waren verdwaald ofwel niet in vrede, tot aan de handeling van Pinchas. Hij velde Zimri en Kosbi op een ijverige en gepaste wijze. De spirituele kracht voortkomend vanuit zijn standvastig voorgevoel van deze moedige daad, leidde er toe dat de verloren zielen van Nadaw en Awihoe zich samenvoegden met zijn Nefesh. Hun zielen werden toen gerectificeerd door zijn daad en het was alsof Aaron zijn twee verloren zonen weer levend had terug gekregen. Dit is de innerlijke betekenis achter de herhaling van het woord zoon. De Nefesh is parallel aan de wereld van Actie/Asiya en het vereist actie in de Fysieke wereld om een bevlekte Nefesh in de spirituele dimensie te rectificeren. Rabbi Shimon werkt dit concept in de volgende verhandeling verder uit.

Rabbi Shimon zei dat iemand die een gereïncarneerde ziel verkrijgt [die hij ontvangt om te rectificeren, die was bezoedel in een vorige incarnatie] en niet waardig genoeg was [in zijn handelingen] om te rectificeren, wordt beschouwd alsof hij de waardigheid van de Koning heeft genegeerd.

 Voor de geboorte van de ziel legt de ziel een eed af om rechtvaardig te zijn. Door het doen van onterechte handelingen minacht men deze eed en bezoedelt daarbij de eigenschap van oprechtheid.

Naar een dergelijk persoon verwijst het vers (Leviticus.5:22)  betreffende iemand die “heeft gevonden wat verloren was” [met andere woorden, het gereïncarneerde deel van zijn ziel] “en verraderlijk is met betrekking tot het verlorene” [door onrechtmatige daden toe te voegen, in plaats van het te rectificeren], “en een valse eed aflegt” [door zich niet rechtvaardig te gedragen zoals hij heeft beloofd]. Het zou beter geweest zijn voor zo iemand dat hij niet was geboren [want hij maakt bepaalde dingen erger zowel voor hem als voor het gereïncarneerde deel van zijn ziel].

 Om Rabbi Shimon’s verhandeling te kunnen begrijpen, is het nuttig om een uitleg te vermelden van de Midrash Melech (een commentaar op de Zohar). Hij stelt dat iemand die zichzelf niet in de eerste incarnatie heeft gecompleteerd, zal worden gereïncarneerd om hem de kans te geven de vergissingen die hij heeft begaan te rectificeren. Maar we weten niet welk van de twee lichamen zal worden herrezen in de tijd van de Opstanding van de Doden. Volgens een opinie, zal onder bepaalde omstandigheden het lichaam dat het belangrijkste was voor de rectificatie van de ziel herrijzen en zal er alleen een spoor zijn van het andere.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BALÁK

Balak Numeri. 22:2 – 25:19

De geschriften van de Ari

En Moab werd heel bang voor het volk, omdat het zo talrijk was en Moab was vol afkeer [van de Israëlieten]. Numeri. 22:3)v

De esoterische uitleg is als volgt:

Er waren twee verschillende typen van [mensen waaruit] Israël [bestond in die generatie]. De eerste waren de Joden zelf die in die generatie leefde, de oorsprong van hun zielen waren vonken van Mozes [ziel], die op zijn beurt voort kwam uit Abel. (Dit werd uitgelegd in onze uiteenzetting over de generatie van de woestijn, in het vers, “En een nieuwe Koning heerste over Egypte.”)

Het tweede type [van mensen] was de Gemengde Menigte, die in de Schrift wordt aangehaald als “het volk”, zonder enig bepalend woord. (Zie Rashi op Exodus. 32:7: Likoetei Sichot, vol. 16, pp. 408 ff) Zij komen voort uit het kwade aspect van Cain.

Het is met betrekking tot hen dat wordt geschreven, En Moab werd heel bang van het volk , want zij waren talrijk.” Dit verwijst naar de Gemengde Menigte, die wordt beschreven als “talrijk”.

De letterlijke vertaling van de woorden die vertaald worden als “Gemengde Menigte” (in het Hebreeuws, “erev rav” is “een grote mengelmoes”. Daarom verwijst de frase “het volk, want zij zijn talrijk”, zeer duidelijk naar de Gemengde Menigte.

De beschrijving vervolgt met te zeggen dat “Moab vol afkeer was omdat de Israëlieten“, hetgeen refereert aan Joden zelf, die voort kwamen uit Abel.

De letterlijke vertaling van de woorden vertaald als “de Israëlieten” (benei Yiraël) is “de kinderen” of “nakomelingen” van Israël, met andere woorden, van Jacob; dit refereert alleen aan de nakomelingen van Jacob, in tegenstelling tot Mozes bekeerlingen.

Rabbeinoe Bachya

De Eeuwige had een gebeurtenis met Bilaam (Numeri. 23:4)

Later in (vers 16) vinden we dat Bilaam zelfs een visioen ervaart van Havayah, een hogere eigenschap dan [dat wat wordt gerepresenteerd door de naam] Elo-hiem. Dit gebeurde tengevolge van Bilaam’s visioen welke hem reeds had verheven naar een status waar hij profetische inspiraties kon ontvangen van de zelfde celestische bron als Mozes. Het was toen dat hij zich realiseerde dat het idee van vervloeking van Israël compleet absurd was, aangezien Israël onder de beschermende vleugels van de eigenschap van Barmhartigheid was.

Zolang als Bilaam werd “bezocht” door de eigenschap van Recht, durfde hij te hopen dat hij ergens een zwakke plek zou vinden in Israëls spirituele uitrusting om hen te vervloeken zodat de eigenschap van Recht bereidwillig zou zijn om zich op het volk te storten. Zodra G’D hem benaderde in Zijn hoedanigheid als Havayah, realiseerde Bilaam zich dat zijn hoop tevergeefs was.

De grote “spirituele bevordering” welke Bilaam ondervond toen hij werd benaderd door de eigenschap van Havayah duurde niet lang, aangezien het slechts omwille van het Joodse Volk was, en niet vanwege Bilaam’s eigen spirituele verdiensten.

G’D wilde niet dat de volkeren van de wereld zouden beweren dat als aan hen het niveau van de profeet Mozes zou worden verleend, zij zelf spiritueel verheven zouden worden gelijk aan het Joodse Volk. Door Bilaam vermogens en inzichten te geven, gelijk aan die van Mozes, demonstreerde G’D aan de volkeren van de wereld dat ondanks het ter beschikking hebben van een opmerkelijk begaafd persoon als Bilaam, hetgeen impact heeft op hun morele/ethische wijze van gedrag. Dit gaf evenzo het Joodse volk een argument ten gunste van hun bevoordeelde positie ten opzichte van G’D, toen zij konden wijzen op het feit dat de profeet en spiritueel leider van al deze volkeren de spirituele superioriteit toegaf van het Joodse volk weerspiegeld in zijn lofzangen tot hen.

Zodra Bilaam zijn lofzang op het Joodse volk had beëindigd, met andere woorden, hun morele superioriteit over de ander volkeren had bezongen, ontnam G’D hem deze geest van profetie. Hij keerde terug tot het vertrouwen in magie en dat is waarom hij eindigde door de dood van het zwaard in plaats van zichzelf te verzekeren van de dood der rechtvaardigen die hij voor zichzelf wenste.

SHABBAT SHALOM