CHANOEKA – PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA LAAT ZIEN DAT VERLOSSING AFHANKELIJK IS VAN BEWUSTZIJN.

Rabbi Jitzchak Luria

In de volgende meditatie, introduceert de Ari aan ons de mystieke methode hoe wij, in de verdienste van Chanoeka, sublieme heiligheid neerhalen naar de lagere sferen die zelden verbonden is met dergelijk verheven goddelijk licht. Rebbe Nachman van Breslov leert dat de feestdag van Chanoeka, waarvan de naam is geworteld in het Hebreeuwse woord “chinoech”, “educatie” of “wennen”, ons stuurt in onze voortdurende worsteling met de krachten die proberen om ons van G’D te distantiëren, die van de macht van onzuivere verbeelding, of in het Hebreeuws “m’damei”, door onze imaginatieve vermogens te purificeren, zijn we in staat om de primaire kracht achter al onze negatieve karaktereigenschappen en illusies te breken. (Likoetei Halachot Chanoeka 1:1)

 

Het woord “m’damei”, waarvan de numerieke waarde (89) gelijk is aan het woord “Chanoeka”, is geworteld in de letters dalet enmem, die het Hebreeuwse woord “bloed” vormen. Bloed representeert onder andere, de negatieve krachten van oordeel, onze missie is om het verzachten. Via de 44 (de numerieke waarde van dalet, 4, en mem, 40) lichtjes die we aansteken gedurende Chanoeka (inclusief de shammes) en het opwekkende bewustzijn die zij belichamen, worden de klipot voor ons genullificeerd. [Dit is ook gerelateerd aan de traditie van verhoogd geven van liefdadigheid (“geld”) gedurende Chanoeka, want het Aramese woord voor geld is “Dami” die de zelfde stam letters deelt met “m’damei”]. Zoals wij zo duidelijk in onze tijd getuigen, dat alles lijkt te staan tussen onze huidige situatie en de complete verlossing is onze vastberadenheid en duidelijkheid van onze nationale wil. In het licht van deze inzichten, is Chanoeka, waarin we onze verlossing vieren van vreemde mogendheden die proberen ons te verleiden om onze G’D en Zijn Thora in de steek te laten, een bijzonder gunstig moment voor meditatie, vooral op het licht van de kaarsjes of olie lampjes van de Chanoeka Menora.

De mystieke meditaties die iemand moet hebben voor het aansteken van de [Chanoeka] lichtjes gaat primair om een hemelse en volledig mystieke eenwording genaamd Ner[Hebreeuws voor “kaars”]. Kortom, er zijn drie primaire aspecten van de unificatie Zeir Anpin en NoekvaHavayah [verenigd] metEh – yeh (die een numerieke waarde heeft van 47), Havayah metElo – hiem ( gelijk aan 112), en Havayah met Ado – nai (gelijk aan 91). Soms wordt één aspect verenigt, soms twee en soms alle drie, waarin het bovenstaande wordt helemaal verenigd wordt en [dan] Noekva “Ner heet “, [waarvan de numerieke waarde 250 is], gelijk aan het totaal van de zes bovengenoemde G’ddelijke Namen.

 

 

Havayah = 26
Eh-yeh = 21
Havayah = 26
Elo-him = 86
Havayah = 26
Ado-nai = 65

Plus 6, voor elke naam, de kolel,
= “Ner” (250), gespeld noen (50), reish (200)

In de eerste zegen [“……Die ons heeft opgedragen het Chanoekalicht aan te steken”] wordt op alle drie [bovenstaande unificaties] gezinspeeld [in het woord “kaars”].

In de tweede zegen [“……..Die wonderen verricht….”], de tweede unificatie waar op gezinspeld wordt.

En in de derde zegen [“……Die ons leven heeft gegeven….”] de laagste van alle waarop gezinspeeld wordt.

De opdracht om het mirakel van Chanoeka bekend te maken vereist dat we onze menora aansteken op een plaats die zichtbaar is voor voorbijgangers en op een tijdstip niet te laat, zodat zich niemand meer op straat bevindt om het te zien. De boven genoemde termen geven aan, dat de kracht van Chanoeka zo groot is, dat gedurende de feestdag, de meest verheven hemelse niveaus van heiligheid (gerepresenteerd door de bovengenoemde unificaties van de G’ddelijke namen), zelfs toegankelijk zijn in de laagste sferen. Deze minder verheven domeinen worden gerepresenteerd door de term “marktplaats” (in het Hebreeuws, “shoek”, gerelateerd aan het woord voor “dij”, geassocieerd met de sefira van Hod. De achtste sefira van boven), een plaats die gekarakteriseerd wordt door verspreiding, disharmonie en gevoeligheid voor Externe Krachten. Chanoeka laat ons zien dat vonken van heiligheid overal zijn en biedt ons de mogelijkheid om deze vonken te verlossen, om zelfs heilig licht te laten schijnen in de sferen van duisternis.

CHAG ORIEM SAMÉACH – GELUKKIGE FEESTDAGEN VAN LICHT

PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

Aan het einde                        Genesis. 41:1 – 44:17

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

JOSEF, DE GEZEGENDE RIVIER

ZOHAR I, p. 193bå

In de volgende sectie bespreekt  de Zohar  Farao’s droom, in welke hij zeven vette koeien uit de rivier ziet komen,  die vervolgens werden verslonden door zeven magere koeien. Toen zag hij zeven korenaren  uit één halm, voldragen en mooi, welke werden verzwolgen door zeven magere verlepte korenaren.

Kijk, er komen uit de rivier zeven koeien naar boven, prachtig om te zien en vol in hun vlees, die in het oevergewas gingen weiden.” (Genesis. 41: 2)

Het enige beeld in Farao’s droom dat niet geïnterpreteerd werd door Josef was de rivier.

Met rivier wordt de Nijl bedoeld, welke de bron van levensonderhoud was voor Egypte.

Rabbi Elazar zei: “Uit de rivier….

In de vragende zin, “Wat is de betekenis van de rivier in Farao’s droom?”

Het is de rivier die op alle niveaus is gezegend, omdat deze rivier neerwaarts gaat om te irrigeren en om allen te voeden. Josef is de rivier waarmee heel Egypte werd gezegend.

Met andere woorden, de rivier die alle lagere niveaus draagt is de eigenschap van Josef, de sefira van yasod van de wereld van Atziloet, welke wateren  van Atziloet neerhalen tot in Beriya.

Meer technischer gezien, in da’at van Berya, van welke de zevenmidot van chesed naar malchoet zich verspreiden.

Kom en zie: zeven niveaus [de zeven midot zoals boven vermeld] zijn geïrrigeerd en gezegend door hem. Zij zijn degene over wie men zegt, “[Zij waren] prachtig om te zien en vol in hun vlees”.

Die in het oevergewas gingen weiden.

Het Hebreeuws voor oevergewas [riet] “ba’achoe“, heeft dezelfde stam als het woord “broederschap”, “b’schava“.

[Parallel duid op ] hun wederzijdse verbinding en overeenstemming, er is geen separatie tussen hen.

En daarom hebben zij deze loffelijke eigenschappen [van éénheid].

Al deze zeven niveaus die wij genoemd hebben, zijn een mystieke waarheden , zoals is geschreven, “

“Zij kreeg zeven kamermeisjes tot beschikking uit het huis van de koning” (Ester. 2:9).

Dat waren de zeven dienstmeisjes die aan Koningin Ester werden gegeven door Koning Achasjwerosh.

Om die reden verwijzen zij naar de “zeven koeien van prachtig om te zien” [refererend aan de zeven sefirot van de zijde van heiligheid].

In tegenstelling tot degene waarover het vers verklaart: “….de zeven eunuchs die de Koning in nabijheid diende” ( Ester. 1:10).

Deze verwijzen naar de zeven magere koeien. Zij duiden op de sefirotvan de niet heilige domeinen.

Op een dieper niveau, zijn de sefirot van heiligheid feitelijk de sefirotvan de wereld van Tikoen, terwijl de sefurot van de niet heilige kant desefirot zijn van de wereld van Tohoe. Het Joodse Volk zou moeten afdalen naar Egypte om de heilige vonken te verheffen die in de fysieke wereld waren gevallen toen de wereld van Tofoe werd versplinterd. Dit is wat aan Josef werd duidelijk gemaakt in de dromen van Farao. (Ramaz)

Rabbi Jizchak was het oneens met de voorafgaande analyse. Volgens hem zag Farao niet de sefirot van de wereld van Beriya. Hij zei: “de zeven koeien” verwijzen naar die niveaus boven desefirot van de wereld van Asiya. En “de zeven magere koeien” zijn de zeven ander niveaus daar onder.

Dit verwijst naar de zeven niveaus van Kelipa.          (Mikdash Melech)

De eerste zeven zijn van de kant van heiligheid, en de zeven andere van het aspect van spirituele onzuiverheid.

Rabbi Jehoeda [ het eens zijn met Rabbi Jitzchak] zei: de eersten waren goed, aangezien zij van de rechterzijde zijn [van de kant van heiligheid], welke aangaande is geschreven, “[G’D zag] dat het goed was” (Genesis.1:4). En de slechten zijn beneden      [inKelipa].

De zeven schoven zijn van de zijde van zuiverheid; de anderen zijn van de zijde van onzuiverheid. Deze niveaus existeren als één boven de ander, als twee tegenovergestelde. Farao zag ze allemaal in zijn droom.

Zei Rabbi Yaisa: werd dit alles getoond aan de slechte Farao?

Rabbi Jehoeda antwoordde: Hij zag alleen hun gelijkenis, want er zijn niveaus op niveaus, sommige tegenover elkaar, en sommige boven elkaar. Hij zag alleen die niveaus onder elkaar.

Hieruit leren we, dat dingen die zichtbaar worden in iemands dromen naar gelang hij is als persoon. Wanner hij slaapt, stijgt zijn ziel op om kennis te verkrijgen, ieder gelang zijn eigen niveau.

Zo zag Farao alleen wat voor hem passend was om te zien, en niets meer.

Dit in tegenstelling tot Josef, die dit onderwerp op een veel dieper niveau  begreep. Daarom is er geen meningsverschil tussen de twee opinies, Rabbi Elazar’s uitleg is van toepassing op wat Josef begreep van Farao’s dromen, terwijl Rabbi Jitzchak en Rabbi Jehoeda uitleggen wat Farao zelf zag.

SHABBAT SHALOM, CHANOEKA SAMEACH

 

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

Het gemeenschappelijk kenmerk van deze en de twee volgende Parashot zijn hun gepreoccupeerdheid met de relatie tussen Joséf en zijn broers. Gezien het feit dat het feest van Chanoeka plaatsvindt gedurende de weken dat we deze Parashot lezen, en gezien Koning Solomon’s zeer bekende regel in Prediker, dat er een plaats en tijd voor alles is, zullen we zien dat de timing van de verschillende feestdagen, verordent door de Rabbijnen en zelfs de vastendagen die door hen zijn opgelegd, zinspelen op de onderwerpen en handelingen van de Thoralezing gedurende die respectievelijke week van het jaar. “Adonai echat weshemo echat” de Eeuwige is EEN en Zijn Naam is EEN. Het mysterie van G’D’s Eenheid en de Eenheid van Zijn Naam, wordt in het boek Sefer Yetzirah en in alle andere Kabbalistische teksten vergeleken met de verwantschap tussen een vlam en een gloeiend houtskool. Dezelfde relatie bestaat tussen Ja’akov en Joséf, Ja’akov is het gloeiend houtskool, het vuur verbonden aan het houtskool, terwijl Joséf de vlam is. Schriftelijk bewijs voor deze gedachte wordt gevonden in Ovadiah 1,8, waar de profeet schrijft, “Het huis van Ja, akov is als vuur en het huis van Joséf als een vlam.” De letters van het woord éésh (vuur) zijn respectievelijk de eerste letters van èmet (waarheid, oprechtheid) en shalom (vrede), welke de eigenschappen zijn van respectievelijk Ja’akov en Joséf. Esav daarentegen was exact het tegenovergestelde. Hij representeerde kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Jaloersheid is precies het tegenovergestelde van oprechtheid. De eigenschap van oprechtheid is te definiëren als een bereidheid om te erkennen dat iets objectief is, zonder het te ontkennen of anders weer te geven ( zelfs als men daarbij in een slecht daglicht komt te staan). Toen de profeet Ovadiah in het aangehaalde vers beschrijft hoe het huis Esav werd als kash (stro), waren dat respectievelijk de eerste letters van kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Hoewel er een verband is tussen het aansteken van de Chanoeka menora (kandelaar) en het aansteken van de menora in de Heilige Tempel, zijn er enige wezenlijke verschillen. De menora in de Tempel werd aangestoken binnen, in het gebouw, het aantal lichtvlammetjes elke dag was constant en zij werden aangestoken gedurende de dag. Ook gedurende de tijd van Mozes en later Koning Solomon, daar waar het Joodse Volk materieel welvarend en veilig was. In tegenstelling tot nu, de huidige era, ontsteken we de Chanoeka menora bij het vallen van de avond en voegen we elke avond een nieuw vlammetje toe aan de Chanoeka menora, bovendien zijn de lichten geplaatst om de buitenwereld te verlichten. In de tijd van Chanoeka waren de Joden onder de tirannieke Syrisch – Griekse heerschappij. Het Joodse leger was klein, en op spiritueel niveau, er was aanvankelijk geen zuivere olie [voor het aansteken van de menora in de Tempel] beschikbaar, zelfs niet voor één nacht. Het bovenstaande impliceert dat er in tijden van materiële overvloed, spirituele taken makkelijker worden gedaan. De noodzaak voor bijzondere inspanningen en zelfopoffering zijn veel minder, dus het aansteken van een constant aantal lichtvlammen elke dag is voldoende. Echter, wanneer spirituele duisternis over de Joodse gemeenschappen valt, zoals in onze dagen, is er een andere wijze van praktiseren nodig. We steken de lichten aan bij het vallen van de duisternis en richten en sturen het licht naar de buitenwereld en verhogen constant het aantal vlammetjes, daarmee geven we uitdrukking aan het feit dat we ons niet staande kunnen houden op één constant niveau, maar moeten vooruitgaan en omhooggaan tot we het moment bereiken dat we de menora kunnen aansteken in de herbouwde Heilige Tempel.

SHABBAT SHALOM EN VROLIJKE CHANOEKA

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond   Genesis. 32:4 – 36:43

Om een spirituele overwinning te behalen moeten we ons lichaam voorzien van de fysieke behoeften.

 De wekelijkse Thoralezing verhaalt Jacobs terugkeer met zijn vrouwen en kinderen van Haran naar het Land van Israël. Onderweg zendt hij boodschappers naar Ezau, om hem gunstig te stemmen opdat hij niet gedood zou worden zoals we hebben gelezen vorige week in gen.27. (Nadat Jacob de zegeningen van hun vader als eerste had ontvangen, zei Rebecca hem te vluchten naar Haran, aangezien zijn broer Ezau hem wilde doden). 

 Rashi schrijft dat Jacob zichzelf voorbereidde -voor de ontmoeting met zijn broer van wie hij was vervreemd- op drie punten: het geven van een gift, het doen van gebed en de voorbereiding van een oorlog.

 We vinden het zelfde idee terug op Jom Kippoer. Een deel van de dienst van de Hogepriester op die dag betrof het offeren van twee geiten. Het ene was een offer voor G’D en de andere was de “zondebok” aan Azazel. Er staat geschreven in de Zohar dat deze zondebok een gift is aan de Sitra Achara (de “Andere Zijde”, de krachten van onzuiverheid), om niet te procederen tegen het Volk van Israël.  Na het offeren van de geit, bad de Hogepriester voor heel het Volk van Israël.

 De Zohar schrijft verder dat men van elke maaltijd een portie moet geven aan de Sitra Achara, dit is het idee achter wassen Mayiem Achariniem (“het laatste water” het wassen van de vingertoppen, voor het zeggen van dankgebed na de maaltijd).

 De praktische les die we hieruit kunnen leren is, dat het noodzakelijk is om te vechten met al onze vermogens tegen de krachten van het kwaad, maar dat de overwinning alleen kan komen als de Andere Kant iets krijgt. Bijvoorbeeld, iemand kan niet alleen bezig zijn met Thorastudie of het doen van liefdadigheid en het vervullen van de mitzwot zonder te eten en te drinken. Aangezien iemand is geschapen met een tweevoudige natuur, de zintuiglijke zoals een kunnen zien tezamen met een fysiek lichaam. Men is verplicht om zijn lichaam de fundamentele basis benodigdheden te geven, niettegenstaande dat het de materiële verlangens zal versterken, want alleen dan zal men in staat zijn om goed Thora te studeren en Mitzwot uit te voeren.

 Als iemand zou zeggen, “Ik wil geen enkel voordeel hebben hoe dan ook, ik wil gewoon gesepareerd zijn van het fysieke en alleen maar Thora leren en het vervullen van de Mitzwot, als de Wil zijn van de Schepper,” zal hij niet in staat zijn dit te doen. Integendeel men moet het nodige deel geven aan het fysieke lichaam. Dit is als een portie geven aan de Sitra Achara, net zoals Jacob geschenken gaf aan Ezau. Dan zal het kwaad hen met rust laten om de Mitzwot te vervullen, zoals Ezau, die de Sitra Achra  representeert en Jacob met rust laat om zijn reis te kunnen continueren. Dit geldt ook voor iemand die oorlog wil voeren met de Yetzer Hara, de kwade inclinatie, diegene opereert door het menselijk lichaam en is het nodig om een geschenk te geven als de basis die het lichaam nodig heeft. Echter na de overwinning op de Yetzer Hara.

 Desalniettemin is het nodig dat we bidden, omdat zonder de hulp van G’D Almachtig we niet in staat zijn om de negatieve impulsen in ons te overwinnen, zoals onze Wijzen van gezegende herinnering zeggen, “Als G’D hem niet zou helpen, zou hij niet in staat zijn om zijn Yetzer Hara te overwinnen.” Dat is vanwege de autorisatie van de ziel die moet komen uit de Hemel, omdat een mens is geschapen met een fysiek lichaam. 

 Hier is uiteengezet in de relatie van de drie punten voor het behalen van een spirituele overwinning waarom Jacob zich voorbeidde op het geven van een gift, op het doen van gebed en op het voeren van een oorlog.”

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, P. 150a

In deze klassieke passage laat Rebbe Shimon zien hoe de Ladder van Jacob een beeldbeschrijving is, hoe de sefirot zijn verbonden. Hij verschaft dus een inzicht in de structuur van de spirituele wereld.

“En zie, daar staat de Eeuwige boven hem en zegt: “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham en de G’D van Izaak; het land, waarop je ligt zal Ik jou geven en aan je nakomelingen.” (Genesis. 28:13)
G’D stond boven Jacob, om zodoende een Heilig voertuig te creëren [Merkawa], rechts en links en Jacob in het midden.

G’D, sefira van tiferet duidelijk zichtbaar makend, stond boven Jacob om hem zo, tiferet te geven, om van hem een vehikel, een voertuig te maken, voor deze spirituele eigenschappen en om er mee om te gaan. Daarom de positie in het midden van de ladder, om door het vasthouden van de beide zijden, de eigenschap van Abraham, die de rechterzijde van de ladder representeert en de sefira van chesed, te verenigen met Izaak, die de linkerzijde van de ladder representeert en de sefira van gevoera. De eigenschappen van de drie Patriarchen, eenmaal verenigd, werden een vehikel voor bina, een vereiste om de spirituele en fysieke wereld te kunnen begrijpen.

Dan is de Gemeenschap van Israël [malchoet] met hen verbonden.

De sefira van malchoet, eenmaal met hen verbonden, creëert het vierde wiel van het vehikel voor bina. Dit is een beschrijving van de basisstructuur van het fameuze diagram van de tien sefirot.

Dit wordt bedoeld met de woorden “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham [chesed] en de G’D van Izaak [gevoera].”

Van waar leren wij dat Jacob in het midden was? Op de manier waarop de tekst is geschreven “G’D van je vader Abraham en G’D van Izaak”. Er staat niet geschreven dat Izaak zijn vader was. Aangezien zijn relatie met Abraham nadrukkelijk wordt benadrukt, is dit een vaststelling dat hij in het midden was.

De tekst verklaart dat Abraham Jacob’s vader is, ondanks het feit dat het Izaak was. Deze nadruk op Abraham, die één generatie verwijderd was, wordt goed gemaakt door hem vader te noemen, in plaats van Izaak. Dit brengt de twee met betrekking tot Jacob in evenwicht. We hebben hier dus een paradigma van spirituele werkelijkheid welke ook wordt weergegeven in de atomen van de fysieke wereld. Positieve/Abraham/chesed is verbonden met de Negatieve/Izaak/gevoera, en met de neutron/Jacob/tiferet. Nu kan elektriciteit stromen in de fysieke wereld en shefa/abondantie kan stromen in het spirituele.

En vervolgens staat er geschreven, “Het land [malchoet] waarop je ligt zal Ik jou geven”. Nu hebben we een vehikel, een drager, een voertuig voor het Heilige [chesed, gevoera, en tiferet]. Van hier uit zag Jacob dat hij de voltooiing was van de voorvaderen.

Jacob realiseerde zich dat hij de completering van de voorvaderen was. Hij zag in zijn droom hoe hij chesed en gevoera, Abraham en Izaak verenigde, en hen verbond met de wereld, welke de representatie is van G’D’s koninkrijk – malchoet.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak            Genesis 25:19 – 28:9

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Toledot, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

De 24 Boeken van de Schrift vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Torat Chaim 128a; Tikoenei Zohar, Introductie (17a)

“En het meisje was heel mooi om te zien, een maagd, geen man had gemeenschap met haar gehad, ze kwam naar beneden naar de bron, vulde haar kruik en ging naar boven. (Genesis. 24:16)

 De numerieke waarde van het woord voor “kruik” (in het Hebreeuws, “kad”) is 24, en verwijst naar de 24 Boeken van de Schrift. De bron verwijst naar de oorsprong van G’ddelijke Wijsheid. De 24 Boeken vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Bovendien verwijst het woord voor “haar kruik” (“kadah”, “kad” plus de letter hé) naar de Mondelinge Thora. De Mondelinge Thora wordt vereenzelvigd met de sefira van expressie, Malchoed, die op haar beurt wordt vereenzelvigd met de laatste van G’D’s Naam. De Mondelinge Thora is als een kruik die geput wordt in 24 boeken van de Geschreven Thora.

De kruik symboliseert de Geschreven Thora, de bron waarin de kruik wordt neergelaten, symboliseert de Mondelinge Thora. De onderdompeling van de kruik in het water beduidt dus de vereniging van de Geschreven Thora en de Mondelinge Thora.

Vervolgens personifieert Isaac de Geschreven Thora en Rebecca de Mondelinge Thora. De gebeurtenis bij de bron is een uitdrukking van de eenheid die spoedig zal worden bereikt door hun huwelijk.

Ondanks de enorme hoeveelheid kennis die de Mondelinge Thora omvat, is het niet meer dan een “kruik” met water vergeleken bij de onmetelijke “ zee” van G’ddelijke Wijsheid in de Thora. Alleen in de Messiaanse Tijd zal deze oneindige hoeveelheid van kennis in zijn ware omvang worden geopenbaard en “de wereld zal vervuld worden met de kennis van G’D zoals het water de zee vult.” (Jesaja. 11:9)

In Kabbala drukt het huwelijk van Isaac en Rebecca ook de eenwording uit van twee van de vier grondprincipes van de spelling van G’D’s Naam. Isaac wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de  numerieke waarde 45;  terwijl Rebecca wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D  indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de numerieke waarde 52. Zo wordt in Kabbala de vereniging van deze twee variaties op G’D’s Naam verklaard namelijk de essentie van onze studie van Thora en het uitvoeren van haar Mitzwot.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

Rabbijn Juda Groenteman geeft 5 en 12 november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

 

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

Dit Thoragedeelte bevat de positieve mitswa, gebod, dat mannen besneden moeten zijn.
De Thora zegt: “zot beritie asher tishmeroe bénie oewénéchem oewén zar acha acharècha himol lachèm kol-zachar” Dit is Mijn verbond met jullie en jullie nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: Besneden wordt bij jullie, al wat van het mannelijke geslacht is. (Genesis. 17,10) Dit gebod wordt herhaald in Parashat Tazria waar de Thora zegt: “oewajom hashminie jimol besar arlato” Op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ( Leviticus. 12,3 ) Veel geboden worden in Thora twee maal herhaald. Er is altijd een noodzakelijke reden voor, zoals onze wijzen hebben aangetoond.

Er zijn een aantal zeer diepe esoterische verklaringen op deze mitswa, vooral hoe de Thora de vervulling van deze opdracht relateert aan Israëls bezit van het Heilige Land. G’D zegt namelijk tot Abraham in vers 17,8, direct voor het gebod van de besnijdenis: “Ik geef jou en je nageslacht het land, waar je nu als vreemde vertoeft, het gehele land Kana’an, tot een eeuwig onvervreemdbaar bezit en Ik zal hun tot G’D zijn.”
Onze wijzen becommentariëren, dat G’D tegen Abraham zei: “Als je nakomelingen het gebod van de besnijdenis in acht nemen kunnen zij het Heilige Land binnentrekken; zoniet, kunnen zij het Land niet betreden.” (vergelijk Rashi op Jehoshoewa 5.4)
We zijn dus gewaar van het feit dat het Land van Israël vast verbonden is met de besnijdenis, relevant aan het vers in Het Schrift (Deuteronomium 32,9) kie chèlek HaShem amo ja’akov chèwel nachalato, Want het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed (het “toegemeten erfgoed” is het Land Israël). G’D nam ons vanuit alle andere volkeren, om G’D voor ons te zijn, Zijn volk. Hij gaf aan de andere zeventig naties hun respectievelijke talen en landen (zie 32,8), allen onder supervisie van de zeventig vertegenwoordigers van het Celestische Hof. Onze taal echter, is een heilig taal. Aan ons gaf Hij het Heilige Land, een land onder direct toezicht van G’D en niet van Zijn vertegenwoordigers.
Dit land is tegenover zijn tegenhanger gesitueerd in de Hemelse Sferen. Wij kunnen dit land niet claimen zonder eerst onze voorhuid te verwijderen, welke klipa, schil, (bron van kwade sensuele menselijke verlangens) representeert, het symbool van de serpentverontreiniging, de invloed van de sitra achra (letterlijk”de andere zijde” het tegenovergestelde van heiligheid en zuiverheid).
Als een jood zou falen in het in acht nemen van dit gebod, G’D verhoede, zou dit beschamend zijn voor het land. Alle studenten van Kabbala zijn zich bewust van eretz jisraël in de Hemels Regionen, m.a.w de sefirot jasod en machoed symboliseren esoterische verwantschap tussen Zion en het aardse Jeruzalem.
Zij zijn omgeven door klipot, bekend als aréliem, onbesneden mensen, aangezien de berg Zion en de berg Moria, de Tempelberg, zijn omgeven door de bergen van Ezau en zijn nakomeling Amalek. Zolang Izaak in leven was, namen Ezau’s nazaten de mitswa van de besnijdenis in acht, maar direct na zijn overlijden werd het reeds opgeheven. (Tanna de Bey Eliyahoe, Hf. 24)
Alle kwade mensen omgaven Jeruzalem, zoals is geschreven: “kol gojiem sewawoenie,” allerlei heidense naties omsingelden mij. (Psalm. 118,10)
Jeruzalem kan vergeleken worden met “Lelie onder de doornen” Koning Salomon’s beschrijving van Israël in Hooglied 2,2.

We kunnen ons de vraag stellen waarom de niet-Joodse volkeren, meer dan alle andere geboden , het gebod van besnijdenis hebben geweigerd.
Het is een glasheldere zaak, dat door het uitvoeren van deze handeling, er een duidelijke onderscheiding getrokken werd tussen Abraham [en later het Joodse Volk] en de rest van de mensheid.
Het thema die de verbinding vormt tussen de heiligheid van het Land Israël en het geven van het Land Israël aan Abraham en zijn nakomelingen, wordt in deze Thoralezing niet minder dan drie keer herhaald.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Rabbijn Juda Groenteman geeft in november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

Noach (Genesis 6:9 – 11:32)

De Tsadiek, de rechtvaardige, is verbonden met de sefira jasod, deze sefira is verbonden met de sefira malchoed door het verbond van de besnijdenis.
De positie van Noach in deze wereld manifesteerde zich door het feit dat hij besneden geboren werd, m.a.w zonder voorhuid. (Avot de Rabbi Nathan 2,8)
Onze wijzen zeggen: “hij bewaakte het verbond” en ondanks dat hij niet erin slaagde om het verval van de mensheid te keren naar het extensieniveau, zoals dat er was vóór de zonde van Adam, m.a.w het kleden van de mensheid in kleren van licht, zodat de individuele onsterfelijkheid zou zijn hersteld, slaagde hij op z’n minst in het herstel van de onsterfelijkheid van de diersoorten.
De reden dat Noach niet slaagde in het overwinnen hiervan, ligt in het feit dat hij naderhand wijn dronk van de wijngaard die hij had aangelegd, in tegenstelling tot Adam, die de druiven van de boomgaard van kennis uitperste tot sap.
Eigenlijk, toen hij de wijngaard aanlegde (de boomgaard die G’D Zelf had geplant in Gan Eden), had hij de intentie om de schade te herstellen die was veroorzaakt door de zonde van Adam, maar hij dronk te veel wijn. Spreuken 25,27 verwijst naar dit incident met: “Het is niet goed om teveel honing te eten.”
Pardes Rimoniem beschrijft het hele onderwerp van de wijngaard als iets dat, ofwel een fontein van spiritualiteit kan zijn of een bron van losbandigheid, dronkenheid. Alhoewel Noach streefde naar het herstel van het evenwicht van jajin hamashimer, het reservoir van spiritualiteit welke Adam had verloren, door het tot zich nemen wat aan hem was verboden, verlaagde Noach zich toen hij de wijngaard plantte; het fruit van zijn wijn werd niet zijn kos jeshoe’ot, de beker van verlossing, maar veranderde in gefen sodom, de wijngaard van Sodom en de druiven veranderde in inbee- rosh en ashkelot merorot lamo, “hun druiven zijn giftige druiven, bittere trossen dragen ze (Deuteronomium 32,32). Kortom, Noach had de verkeerde wijn gedronken.
Wat gebeurde met Noach was gelijk aan wat gebeurde met de collega van Rabbi Akiva die de verbindende mysteries onderzocht tussen G’D en mens, wat zijn brein in een staat van krankzinnigheid bracht. (Chagigga 14).
Iemand moet niet zijn spirituele capaciteit overschatten, en niet onderschatten.
Ondanks dit alles, zwoer G’D niet opnieuw het menselijke ras te laten ondergaan, wat was gebeurd tijdens de zondvloed. Toen G’D dit beloofde, verwees Hij naar Zijn eerder gemaakte uitspraak, keets kol-basar, eind van alle wezens in Genesis 6,13; wat aangeeft dat de huidige staat van onsterfelijkheid van de levensvormen, alleen in stand zal blijven gedurende de lengte van de natuurlijke historie van de mensheid. Alleen na de komst van Mashiach zal er een verandering plaatsvinden, en wanneer “G’D Zich opnieuw zal verheugen over Zijn handwerk” (Psalm 104,31) zal de staat van het universum terugkeren naar zijn origine, die er was, in de tijd dat Adam werd geschapen.

SHABBAT SHALOM

SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM