PARASHAT ÉKEV

Als gevolg      Deuteronomium. 7:12 – 11:25

De G’ddelijke Dimensie van de Eettafel

De Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Gepaste aandacht voor wassen en reciteren van de zegeningen na de maaltijd sensibiliseert de ziel. In het Thoragedeelte van deze week geeft Mozes het Joodse Volk de opdracht om het Dankgebed Na de Maaltijd te zeggen: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede Land dat Hij je gegeven heeft” (Deuteronomium. 8:10) Er zijn vele voorschriften omtrent de juiste uitvoering van deze opdracht en de Arizal bespreekt de esoterische dimensie ervan uitvoerig.

Één van deze voorschriften is die van “majiem acharoniem”, “water na [de maaltijd]”. Voorafgaand aan het reciteren van dank, wordt er van de persoon verlangd om zijn vinger toppen te overgieten met water.

Weet dat de “andere zijde” boven de tafel zweeft, zoals wordt beschreven in de Zohar ( II: 154a, b) en controle kan uitoefenen over iemand meer dan in andere situaties.

Zoals beschreven in de Zohar, versterken eten en drinken van nature iemands materiele oriëntatie, wat hem ongevoeliger maakt voor spiritualiteit en het ervaren van G’ddelijkheid. Een persoon is dus, na zich vol te hebben gegeten, in het bijzonder ontvankelijk voor de mogelijkheid van kwaad.

Dit geldt vooral indien hij alleen heeft gegeten en er geen drie personen zijn om het Dankgebed samen te reciteren. Want de uitnodiging voor het Dankgebed drijft de “andere zijde” weg, zoals wordt aangehaald in de Zohar II:186b, betreffende de anekdote van het jonge kind.

Als drie of meer mannen of vrouwen samen brood hebben gegeten, moeten zij, volgens de Joodse Wet het Dankgebed samen reciteren. Één van de aanwezigen fungeert als leider en nodigt formeel de anderen uit om met hem het Dankgebed te reciteren.

In de Zohar, wordt weergegeven dat de jonge ouderloze zoon van Rabbi Hamnoena de Oudere, grote spirituele gewaarwording en esoterische kennis van de Thora  bezat. Één van de leringen die hij deelde met zijn gasten, twee studenten van Rabbi Shimon bar Jochai was, dat wanneer de uitnodiging voor het Dankgebed is gereciteerd, het vermogen van het aanwezige kwaad aan de tafel is verzwakt.

De collectieve kracht van de drie individuele zielen en de positieve energie gegenereerd door hun kameraadschap overwon de negatieve vermogens van het kwaad. Dit gebeurt echter alleen wanneer zij bewust hun individuele energieën samen verenigen voor het reciteren van het Dankgebed, dat wil zeggen, zich focussen op de spirituele dimensie van de maaltijd in plaats van simpelweg de wellust van het eten. Vandaar de kracht en importantie van de uitnodiging om het Dankgebed te reciteren.

Iemand moet daarom dus zeer nauwkeurig de juiste intenties hebben bij het afspoelen van zijn vingertoppen na de maaltijd, opdat de “ander zijde” hem niet kan achtervervolgen.

Wanneer een persoon zwicht voor de verleidingen van het kwaad, fungeert de zonde die hij doet als een “aanklager” tegen hem in het Hemelse hof.

Want door het geven van dit geschenk, zoals bekend, vertrekt de “ander zijde”,

Maar als de persoon niet het Dankgebed reciteert met de juiste intentie en concentratie, wordt het de gastheer en aanklager tegen hem. Zoals we hebben gezegd, is dit van toepassing wanneer men alleen eet, zonder de [bescherming geboden door de] invitatie om het Dankgebed te reciteren.

Het afspoelen van etensresten van de maaltijd van de vingertoppen wordt gezien als het “werpen van een been naar de hond”. Kwaad bezit geen intrinsieke kracht, het verkrijgt zijn vermogen enkel en alleen krachtens menselijke wandaad. Echter in de huidige orde, moet het aanwezig zijn in ten minste een aantal minimale vormen, zodat er sprake kan zijn van vrije keuze. Als kwaad deze minimale voeding ontvangt, is het tevreden en beseft het dat er niets meer te verwachten valt van deze maaltijd en gaat heen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT DEVARIEM – SHABBAT CHAZON

SHABBAT CHAZON

VISIOENEN VAN VERLOSSING

Elke Shabbat is een elevatie en voltooiing van al onze verwerkelijkingen van die week. Dit is één van de primaire leerstellingen van de Safed Kabbalisten, zoals wordt geïllustreerd door de jaardag van de Arizal, wiens heengaan plaatsvond  op Av, de vijfde dag van de maand Av. Verder is het de bron van alle G’ddelijke zegeningen van de week die zal volgen. Aangezien Shabbat elk facet van ons dagelijks leven beïnvloedt, is het belangrijk om voor elke Shabbat terug te blikken naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in de afgelopen week en onze verwachtingen van de komende week, met inbegrip van zowel grote als kleine evenementen, te beginnen.

Deze overdenkingen helpen onze krachten te convergeren om op de meest effectieve wijze profijt te hebben van Shabbat. De Shelah breidt dit Kabbalistisch concept inhoudelijk uit tot het wekelijkse Thoragedeelte, verklarend dat de Thora in zijn oneindigheid ook is verbonden met onze wekelijkse ervaringen.

Hoe meer we het wekelijkse Thoragedeelte bestuderen, des te meer zullen we ontdekken hoe de Thora ons zegent met inzichten en instructies en hoe om te gaan met obstakels op onze weg en hoe ze te overwinnen, om zo doende G’D volledig te kunnen dienen.

In het licht van het bovenstaande, is het gemakkelijker te begrijpen waarom Shabbatot  waar belangrijke gebeurtenissen aan verbonden zijn, gewoonlijk hun eigen unieke namen hebben. De Shabbat tussen Rosh Hashana en Jom Kippoer wordt “Shabbat Teshoewa” genoemd. De Shabbat voorafgaande aan elke Rosh Chodesh (eerste dag van de maand) wordt “Shabbat Mevorchiem”genoemd.

De Shabbat tussen Rosh Chodesh Av en de 9e Av, onze jaarlijkse rouwperiode voor de verwoesting van de twee Heilige Tempels, wordt “Shabbat Chazon” genoemd. Het woord “chazon, het Hebreeuwse woord voor “profetisch visioen”, is het eerste woord van de Haftora, gelezen op deze Shabbat. Deze Haftora bevat strenge vermaningen van de profeet Jesaja aan het Joodse Volk om berouw te hebben.

Rabbi Levi Jitzchak van Berdichev, een van de grootste Chassidische meesters en legendarisch als verdediger van het Joodse Volk aan het Hemelse Gerechtshof, openbaart een andere betekenis van Shabbat Chazon, hij leert dat elke Jood een subtiel visioen van de Derde tempel wordt gegeven op deze Shabbat. Dit visioen is bedoeld om in ons het verlangen op te wekken de Derde Tempel uiteindelijk te verkrijgen, vergelijkbaar met een kind dat een cadeau wordt getoond wat het zal krijgen als hij streeft naar verbetering van zijn gedrag. “Genoeg van deze verbanning” we zijn bedoeld te zeggen en te voelen, “Wij willen de Tempel”, zodat we uiteindelijk G’D kunnen dienen op de meest juiste manier, de manier die G’D oorspronkelijk van ons verlangde.

Elke neergang is omwille van de stijging die zal volgen. De tragische gebeurtenissen waar we jaarlijks om rouwen om deze tijd van het jaar hebben als doel, de grote elevatie die eruit voort zal komen, de herbouw van de laatste eeuwige Tempel. Niets kan onze wil in de weg staan. Al we waarlijk iets willen, zullen we het bereiken.

De Shelah schrijft dat dit de reden is dat de drie Thoragedeelten, Matot, Masé en Devariem altijd gelezen worden gedurende deze periode. Onze sterke leiders (Rashé HaMatot), en eindeloos lijkende verbanning (Masé, letterlijk “reizen, tochten”) zullen ons leiden naar “G’D” , “de G’D van onze vaderen, zal jullie duizend maal zoveel laten zijn en jullie zegenen, zoals Hij jullie heeft beloofd” (Deuteronomium. 1:11), een zegen zonder beperkingen. Het is niet verbazend dat dit vers altijd wordt gelezen op Shabbat Chazon. Moge de 9e Av veranderd worden in een feestdag!

Rabbi Jitzchak Ginsburgh verklaart waarom de jaardag van het heengaan van de Arizal, op de 5e Av , ook gedurende deze rouwperiode is, in feite, is het exact het middelpunt van de Negen Dagen van meest strenge rouw. De leringen van de Arizal bereiden de wereld voor op de verlossing. Op de jaardag van het heen gaan van een Tsadiek, worden al zijn levensvervullingen in de wereld nog eens gereveleerd op een hoger niveau, als zij zijn verenigd met alles wat tot dan toe was bereikt, ten gevolge van zijn goede werken. Deze revelatie is het meest krachtige instrument in onze handen om de rouw te overwinnen en ons met de verlossing te verbinden.

Het grootste gedeelte van de Geschriften van de Arizal werden aan ons over gedragen door zijn voornaamste student Rabbi Chaim Vital. Hij verklaart het vers,     “ De Eeuwige, onze G’D, sprak tot ons aan de Chorew, zeggende “Lang genoeg [rav lachem] zijn jullie bij deze berg gebleven”. (Deuteronomium. 1:6) “Rav Lachem” kan ook worden vertaald als “jullie zijn groot geworden”, betekenend, aangezien jullie waardig zijn om de Thora rechtstreeks van G’D te ontvangen, zijn jullie nu groot en krachtig geworden. Waarom hier zitten blijven? Keer om en volg je bestemming! Ga en gebruik de kracht die je is gegeven en verover de wereld. Maak de wereld tot een verblijfplaats waar G’D is geopenbaard.

SHABBAT SHALOM

DE 9e DAG VAN DE MAAND AV, DE VERBORGEN FEESTDAG

Het antwoord is dat Tish’a B’Av inderdaad wordt beschouwd als een feestdag. Alhoewel de Heilige Tempel werd verwoest op die dag, werd het Joodse Volk desalniettemin bewaard voor ondergang. G’D in Zijn Oneindige barmhartigheid stortte in plaats Zijn toorn op hout en steen [fysieke materialen waaruit de Tempel was geconstrueerd.] Dus zien we de goedheid van G’D; zelfs in een tijd van boosheid denkt Hij aan het Joodse Volk in vergevensgezindheid.

 Bovendien is onderwezen dat de zelfde dag waarop de Heilige Tempel werd verwoest (Tish’a B’Av), de dag is dat Mashiach is geboren.

 [In ieder generatie wordt iemand geboren die in potentie Mashiach is, dat moment vindt plaats wanneer zijn Mazal, zijn hemelse ziel, zich verenigd met zijn verwante neergedaalde aardse ziel in deze wereld.]

 Dit bewijst dat de straf die kwam op dat tijdstip niet was vanwege haat of wreedheid, de Hemel verhoede, maar zoals een vader die een kind straft uit liefde, om hem terug te zetten op het juiste pad. (Zie Nechamat Zion op Megilat Eicha, 2:7, 3:32)      

Het vasten op Tish’a B’Av, Zaterdagavond \ Zondag 14  Augustus, 2016, 9 Av.

Het vasten van Tish’a B’Av verwijst naar:

 1.    De verwoesting van de Eerste

  1. 2.    En Tweede Tempel
  2. 3.    Het decreet dat de generatie van de wildernis, die luisterden naar het onware verslag van de verkenners, niet het Land Israël konden binnengaan
  3. 4.    Verovering van de stad van Beitar na de mislukking van de Bar Kochba opstand.
  4. 5.    Verwoesting van de stad Jeruzalem door de Romeinen.

 Hier komt bij, de verdrijving en verbanning van de Joden uit Engeland in 1290 en Spanje vanwege de inquisitie in 1492, evenzo als vele andere tragedies die plaatsvonden op Tish’a B’Av.

Behalve het onthouden van eten en drinken, wordt diepe rouw die dag in acht genomen, inhoudend, het zitten op lage stoeltjes of matjes op de grond en zich onthouden van wassen en het gebruik van olie, het dragen van leren schoenen en huwelijksrelaties. Zelfs het genoegen van Thorastudie is verboden, uitgezonderd de passages van berisping in Jeremia, Job, etc. en werken van Moessar  en Chassidoet die ons aanspoort tot berouw.

Na de avonddienst wordt Meggillat Eichat, klaagliederen gelezen, gevolgd door het reciteren van Kinot, droeve treurzang over de verwoesting van de Tempel en andere tragedies in de historie van het Joodse Volk.

De ochtend Thoralezing wordt vervolgd met lange Kinot en daarna de lezing van Eichah. Dit neemt bijna de gehele morgen in beslag tot aan de middag. Vele bezoeken Joodse begraafplaatsen op Tish’a B’Av om de zielen van de doden te bewegen om barmhartigheid voor ons te bewerkstelligen.

Het vasten eindigt na het vallen van de avond, wanneer drie sterren zijn verschenen op woensdagavond. Vele kiezen om Kiddoesh Levanah te reciteren, “de heiliging van de Maan” na het avondgebed. 

PARASHOT MATOT – MASEE

Stammen / Reizen (Numeri 30:20-32:42 / 33:1-36:13)

De Mitswot in de Parshot Matot, Masee en Devariem, zijn verdeeld in drie groepen, sommige met de bedoeling om onze ziel te perfectioneren, sommige om ons lichaam te perfectioneren en anderen om onze eigenschappen er voor te bewaren dat zij “puur”blijven, m.a.w dat we ons niet schuldig maken aan roof en oneerlijkheid. Omtrent deze drie aspecten van perfectionering, zegt de Thora: “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden met heel je hart, m.a.w de zetel van je fysieke leven, heel je ziel, m.a.w de zetel van je spirituele leven, en met alles waartoe je bij machte bent, m.a.w met al je economische bezittingen.” (Deuteronomium. 6,5)

In Parashat Matot behandelt de Thora de mitswot die bedoeld zijn om onze ziel spiritueel te ontwikkelen en te perfectioneren. De regels handelen over het afleggen van een officiële eed of belofte, zij bevat tevens de waarschuwing om alle woordelijke uitspraken in ere te houden, “kekol hajotsé mipien ja’asè,” “precies dat wat over zijn lippen is gekomen heeft hij te volbrengen”. (Numeri. 30,3)
Dit is gericht op de ziel, omdat het spraakvermogen wordt verkregen van de eigenschap wijsheid welke op zichzelf een uitvloeisel is van de ziel.
Spraak is alleen maar een externe versie van iemands denken, iets wat de mens verheft boven alle andere levende creaturen. De mens wordt een “medaber” genoemd, een sprekende creatuur. Daarom mag hij niet zijn spraak “ontheiligen”. We zien dat ook bij Onkelos in het weergeven van Genisis 2,7: “waijehie ha’adam lenefésh chaija” zo “werd de mens een sprekende ziel”.
We zijn reeds ervan bewust dat de mens ontwikkeld is geworden vanuit het superieur beeld van een hogere wereld, dat elk van zijn ledematen een tak is van een “boom” in de Celestische Regionen en dat de mond waarmee hij is uitgerust, alleen dient om hem in staat te stellen, de grootheid van de Eeuwige te proclameren en Zijn glorie te verhalen.
Het is een gegeven om de Eeuwige te dienen. Dit bedoelde Koning David, wanneer hij zegt in Psalm 145,21: “Een lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst Zijn heilige naam, voor altijd.”

Het gedeelte van Masee bediscussieert de Thora, de onderwerpen die betrekking hebben op het perfectioneren van het lichaam. Het lichaam wordt gezien als een bekleding van de ziel, en is evenzo geschapen in het evenbeeld van G’D (Genesis.1,27). Daarom wordt, als iemand een ander creatuur, die geschapen is in G’D’s evenbeeld, vermoordt, zelf gedood als een passende manier van vergoeding. Door zijn daad heeft hij een ziel gesepareerd van zijn lichaam, [ bekleding ], vandaar dat zijn ziel wordt gesepareerd van zijn bekleding.
De moorddaad wordt gezien alsof de moordenaar ook een leven van een ziel in de Celestische Regioen heeft gescheiden van zijn “lichaam”.
Ofschoon, zo’n separatie vroeger of later, zonder meer zal plaatsvinden { door een natuurlijke dood van het slachtoffer } wordt de moordenaar gestraft voor het premature.
Wanneer de dood van het slachtoffer echter te wijten is aan een daad zonder intentie hem te doden, beschouwt de Thora hem niet schuldig aan het vergieten van bloed. De dood van het slachtoffer was een handeling van G’D, m.a.w de eigenschap van justitie koos iemand als zijn instrument, iemand die een ander, niet ontdekt, vergrijp heeft gepleegd. De doder heeft onbewust G’D’s bedoeling uitgevoerd, hij had geen enkele intentie of plan om het slachtoffer te doden met of zonder moordwapen. De doder zal moeten vluchten naar een asielstad, één van de steden van de Levieten. Deze steden werden beschouwd als steden van het recht. De Levieten zelf representeren de sifera van gevoera, in het patroon van chesset, gevoera teferet, een patroon dat correspondeert met de respectievelijke niveaus van koheen, levie, jisraël.
De doder, zonder voorbedachte rade, moet in de asielstad blijven tot de dood van de Hoge Priester (Numeri. 35,25). Dit is, omdat het lichaam van het slachtoffer was gedood, ook zijn ziel van hem was genomen en in exil moest blijven, tot aan het tijdstip van G’D’s goedvinden. Wanneer de Hoge Priester overlijdt, wanneer zijn ziel opstijgt naar de Celestische Regionen, is het de ziel van de doder eveneens toegestaan om op te gaan naar deze regionen. Een ziel welke in “exil” is, mag worden vrijgelaten van zo’n exil als gevolg van een overlijden van een groot persoon, m.a.w een prominente Tsadik, een Rechtvaardige.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PINCHAS

Pinchas          Numeri. 25:10 – 30:1

Fases van relatie

Joods mystiek leert dan onze verhouding met G’D bestaat uit rationele-, super-rationele- en intrinsieke niveaus.

Likoeté Sichot, vol. 28, p. 176-181

 “Aan bovengenoemden moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen. De talrijke moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelde. Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

Het Land Israël werd verdeeld op drie verschillende wijzen:

(1)  volgens populatie, dat wil zeggen, hoe groter de stam, hoe groter het ontvangen deel.

(2)  door loting (waar G’D’s hand aan het werk was) en

(3)  door erfenis.

Met andere woorden, de verbinding van het Joodse Volk met het Land Israël existeert vanuit drie verschillende opzichten:

 1)    rationaliteit, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

2)    door G’ddelijk decreet en

3)    door erfelijkheid.

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos als het centrale kader, decor, waarin zich het proces, van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, zou worden ontvouwd. Het Joodse Volk is eveneens, op de zelfde manier, de natie die G’D koos om de centrale spelers te zijn in dit plan. Om die reden moet de verhouding die moet worden gevestigd, tussen het gekozen volk en het gekozen land de vestiging tussen G’D en Zijn gekozen volk reflecteren.

In terminologie van Kabbala vindt de rationele, contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken, beperkt”  binnen het limiet van logica en natuur. Met ander woorden: Zijn immanente creatieve “Licht” (mamalé kol almien). De vrije keuze van de verhouding vindt plaats op een niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is gedefinieerd door de limitaties van de gecreëerde realiteit, maar nog steeds creatieve G’ddelijkheid is, met andere woorden, contextueel gerelateerd aan de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almien). De erfelijke verhouding vindt plaats op een niveau van G’D’s essentie, die compleet boven de context van Schepping uitgaat.       

De verhouding tussen G’D  en het Joodse Volk is eveneens drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtend liturgie:  “Gelukkig zijn wij: hoe goed is ons aandeel, hoe aangenaam ons lot, en hoe mooi is onze erfenis.”

“Aandeel” refereert aan de contractuele relatie tussen G’D en Israël. We hebben het dienen van G’D op ons genomen op verschillende wijzen en Hij heeft beloofd ons te belonen voor onze dienst. Het deel dat wij ontvangen van G’D is evenredig aan de inspanning die we aanwenden om het te verkrijgen. Op een dieper niveau refereert “aandeel” aan het feit dat de Joodse G’ddelijke ziel “een waarlijk deel van G’D Boven is”, zoals de Tanya zegt, net zoals een kind mag gezien worden als extensie van zijn ouders. Deze intrinsieke verhouding tussen G’D en het Joodse Volk bindt hen op een onafscheidelijk samen.

Lot” refereert aan de over-rationele verhouding die isgesmeed met ons door ons te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keuze was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s zijde; Hij was niet gedwongen door enige logische consideratie om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop een lot valt niet vooraf bepaald is door enige externe factoren. Deze over-rationele relatie is niet alleen dieper dan de contractuele dienst als relatie beloning, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouders-kind verhouding, aangezien het G’D ook “dwingt” bij wijze van spreken, tot een relatie met Israël. Behalve dit, koos G’D  Israël ook vrijwillig vanuit Zijn eigen over-rationele wil.

Erfenis, refereert aan de wederzijdse identiteit tussen G’D en Israël. Volgens Joods recht, neemt de erfgenaam de juridische status van de ouders over en neemt daardoor automatisch het eigendomsrecht over de bezittingen van de ouders.  Hij verkrijgt het niet door verdienste noch verkozen de ouders om hem te legateren; in essentie wordt hij zijn ouders. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D koos; zij en G’D, bij wijze van spreken, zijn één en de zelfde.

Voordat de Thora werd gegeven, was de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk enkel en alleen op een contractuele, kind-ouder niveau. Dienst aan G’D was gelimiteerd; een individu kon G’D dienen en kon G’ddelijke openbaring teweegbrengen naar mate zijn natuurlijke talenten en eigenschappen het toestonden. Tegelijkertijd toonde G’D het Joodse Volk bijzondere aandacht en zorg wegens de G’ddelijke ziel die zij verkregen vanwege de periode van Abraham.

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keuze verhouding tussen G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt bepaalde G’D de toon in de relatie, wat betekent dat zelfs de dienst-beloning wederkerigheid niet langer beperkt werd door onze eindige capaciteiten; de Thora en zijn mitzwot stelt ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te verwerven ver boven onze natuurlijke vermogens uit.

Echter in de Messiaanse Verlossing zal de erfelijke relatie het voornaamste worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten in een nieuwe co-existentie met het bewustzijn van onze Schepper, als onze unieke persoonlijkheden zullen schijnen en paradoxaal existeren in G’D’s absolute realiteit.

Dus, aangezien het Land Israël bedoeld was te zijn, zoals we hebben gezegd, de microkosmos van verstandelijk proces van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, was het noodzakelijk, voor de verhouding tussen het Land Israël en het Joodse Volk, te worden gevestigd op drie niveaus: rationeel, super-rationeel en intrinsiek. Op deze manier is ons binnengaan en de bezit name ervan voorbode van de uiteindelijke verlossing, waarin onze intrinsieke en essentiële identiteit met G’D, het meest relevant bewustzijn van realiteit wordt.

SHABBAT SHALOM      

PARASHAT BALÁK

Balak                   Numeri. 22:2 – 25:9

De profetie van Bil’am

Shené Loechot Habrit, Rabbi Isaiah Horowitz

 Kabbala leert dat zelfs de negatieve krachten instrumenten zijn van het G’ddelijk Plan.

Bil’am, die bereid was te komen om te vervloeken, was gedwongen om te zegenen; de engel die behagen schept in onheil werd gedwongen in te stemmen met zegeningen; de aanklager werd een pleitbezorger.

Er was een kosmische noodzaak voor Bil’am om een instrument van God te worden. Hij was per slot van rekening de profeet van de niet joden en een spiritueel leider van de toenmalige beschavingen. Wanneer onze Wijzen het vers “En nooit stond er meer een profeet in Israël op als Mozes…” noemden (Deuteronomium. 34:10), zeiden zij dat omdat onder de andere volkeren niet iemand opstond in vergelijk tot Mozes. Ze hadden niet de intentie om Mozes te vergelijken met Bil’am o.a. ten aanzien van heiligheid, karaktereigenschappen en de verhouding tot G’D.

 De Zohar, Balak, p. 193b, is zeer expliciet in het beschrijven van Bil’am’s lage karakter, door het geven van veel voorbeelden van zijn optreden om eer te verschaffen met grote inzichten en daarbij degene die hem beschouwen als een grote ziener te misleiden. Enkele citaten van de passage van de Zohar: “Deze slechte man eigende zich veel trots en verwaandheid toe door te beweren alles te weten. Door dit te doen, misleidde hij de mensen in het geloof dat hij een zeer hoog niveau had bereikt. Hij accentueerde elke kleine verrichting die hij deed. Alles wat hij zei had betrekking op het domein van de krachten van onzuiverheid. Hij sprak de waarheid, letterlijk gesproken, want iedereen die naar hem luisterde kreeg de impressie dat hij de meest opmerkelijke en vooraanstaand profeet van de wereld was.  Wanneer hij zichzelf beschrijft als “ingewijde in de woorden van G’D, gewaar van de kennis van de Opperwezen”, vormde zich de impressie dat hij sprak over G’D in de Hemel. In feite was hij alleen gewaar van de woorden van “god” die in tegenstelling staan met de woorden van “G’D”.

Hij communiceerde met de krachten van onzuiverheid, krachten die door de volkeren worden beschouwd als godheden.  Als hij sprak gewaar te zijn van de Hemelse Kennis, kreeg de luisteraar de indruk dat Bil’am beweerde een ingewijde te zijn van G’D’s bereik van kennis, terwijl hij in feite alleen een ingewijde was van de “hoogste” vorm van onzuiverheid, die G’D toestond, om te heersen als deel van de natuurlijke orde. Bil’am, was technische gesproken juist, omdat hij toegang had tot een macht die in zijn gebied werd beschouwd als het hoogst aanwezig. Echter de luisteraar wist niet dat deze macht op geen enkele wijze een onafhankelijke autoriteit had. Deze macht was slechts een instrument van G’D.

SHABBAT SHALOM    

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting       Numeri. 19:1 – 22:1

Op het juiste spoor blijven

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 283b

[En Hij deed meer goed voor hen, in de zin dat] drie heilige bloedverwanten te midden van hen. Wie waren zij? Zij waren Mozes, Aaron, en Miriam. Het was hun verdienste dat G’D Israël geschenken gaf vanuit de spirituele sferen [het Manna, de Wolken van Glorie en de Bron van Miriam, die hen voedde en voorbereidde zowel fysiek als spiritueel en hen in staat stelde om de Thora te absorberen]. De Wolken van Glorie vertrokken niet zolang Aaron leefde. Dit is zoals is uiteengezet, omdat Aaron de rechter arm [representerend Chesed] van Israël was. Het wordt ook aangegeven door het vers “Toen de Kana’aniet, de koning van ‘Arad’, die in de Negev, het zuiderland, woonde, had vernomen dat Israël in aantocht was langs de weg van Atariem, voerde hij oorlog met Israël.(Numeri.21:1)

Rashi zegt dat Arad hoorde dat Aaron was overleden en dat de beschermende Wolken van Glorie waren verdwenen. Hij hoorde ook dat zij door Atariem moesten komen, de eenvoudige Aramese vertaling van  “plaatsen”. Dit verwijst duidelijk naar het feit dat zij begonnen te dwalen omdat  zij de precieze begeleiding misten van de wolken.

Zij dwaalden zoals iemand zonder een voorarm, die zichzelf overal waar mogelijk moet ondersteunen [om vallen te voorkomen]. [Omdat zij doelloos waren], bevocht hij Israël en maakte onder hen gevangenen. Dit omdat zij werden achtergelaten zonder hun rechter arm [Aaron].

***********************************************************

Rabbi Jitzchak Luria

De Geschriften van de Arizal

De Thoralezing van deze week opent met de mitzwa van de rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”. De as van de rode koe werd gebruikt om iemand te zuiveren van de onreinheid van dood. “Dood” is een spirituele afname van de ene staat van G’ddelijk bewustzijn naar een lagere (of gebrek aan) G’ddelijk bewustzijn. Dus de mitzwa van de rode koe bevat in zich de esoterische verklaring van kwaad en de purificatie van bezoedeling van kwaad, dood, met andere woorden, verlies van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron, ‘Dit is de choekat (G’ddelijk decreet) van de Thora, die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed ervan en spat met dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan samen met de mest ervan verbranden. (Numeri. 19:1-5)

Weet dat de vijf vormen van de sluitletters aangeven de vijf staten van Gevoera. Hun gecombineerde numerieke waarde is 280, en wanneer we 5 toevoegen voor de letterts zelf, hebben we [285, de numerieke waarde van] “rode koe”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet hebben verschillende vormen die zij aannemen aan het eind van een woord. Omdat deze sluitvormen een pauze te kennen geven in de stroom van het lezen, beduiden zij de vijf staten van strengheid (Gevoera), of beheersing. De vijf letters met hun numerieke waarden zijn:

Mem (40), noen (50), tzadik (90), (80), chaf (20). Rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”, pé, résh, hé = 80+200+5= 285. De rode koe moest rood zijn, omdat het is neergehaald van Bina.

Alternatief, [de extra hé, waarvan de numerieke waarde de vijf is, noodzakelijk om gelijk te zijn aan de numerieke waarde van “rode koe”, en aangevend dat de vijf staten van Gevoera] afdalen naar Bina, waaraan wordt gerefereerd door de eerste letter [van de Naam Havayah] of afdaalt naar Malchoet, waaraan wordt gerefereerd door de tweede letter [van de Naam Havayah] . Daarom wordt de rode koe “parah” genoemd, met andere woorden, de koe [“par”] van de hé.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KORÁCH

Korach (Numeri 16:1 – 18:32)

De Thora wordt “or” “licht”genoemd, omdat het licht brengt. Ook wordt het “ésh” “vuur” genoemd. Men kan zich aan haar warmen wanneer men afstand behoudt, maar kan zich branden als men te dichtbij komt, zo is het ook met het “esoterische” van de Thora.
Als iemand de Tempel te dichtbij komt, verder en boven de positie in het leven gaat, waar hij recht op heeft, maakt men zich kwetsbaar en verwondbaar en kan men in het ernstigste geval, zelfs sterven, hij aanschouwt wat hij in feite niet kan aanschouwen. We hebben dit uitvoerig beschreven en uitgelegd in verband met de dood van de twee zonen van Aaron, Nadav en Avihoe, waar zij de aanwezigheid van de Eeuwige te dichtbij kwamen. (Leviticus 16:1)

De Thora koos niet de verwoording bahakriwam, wat zou betekenen, “toen zij een offer brachten.” De uitdrukking die de Thora gebruikte, geeft aan dat deze zonen een gebied betraden die hun positie in het leven ver te boven ging. Met als gevolg, dat zij stierven.
Enigszins het zelfde gebeurde met de tweehonderd en vijftig mensen toen zij G,D wilden aanschouwen, (volgens Sefer Briet Menoecha) zie Numeri 16, vers17-18 en 35; Numeri 17, vers 1 t/m 5.

Men kan hier van leren dat men niet moet pogen om een positie van een groter en hoger persoon in te nemen tijdens de aanwezigheid van die persoonlijkheid. Men zal niet in staat zijn om die houding te handhaven.
Bedenk dat het Joodse Volk het aantal van zeshonderd duizend vormt, bovendien zeggen de kabbalisten dat zij, de zeshonderd duizend zielen, hun oorsprong hebben in de zeshonderd duizend letters van de Thora. De spiritualiteit van de Thora bestaat uit de zielen van Israël, dus is het toepasselijk dat de generatie die de Thora ontvangt uit zeshonderd duizend zielen bestaat.
Alle successievelijke generaties en hun zielen moeten gezien worden als “vertakkingen” van deze zeshonderd duizend zielen.
Dit roept de voor de hand liggende vraag op, waar de zielen van de Levieten hun oorsprong hebben, aangezien het aantal zeshonderd duizend reeds was bereikt, toen de andere stammen waren geteld. Was de stam Levi niet de uitverkorene? Waar zijn hun zielen uit voortgekomen?

Bedenk dat de eerste van de dertien interpretatieregels (zie Talmoedisch Denken, Rabbijn Mr Drs. R. Evers, de methodologie van de Talmoed en de dertien interpretatieregels van Rabbi Jisjmaëel) die gebruikt worden voor exegese van de Thora, het principe zijn van klal oefrathet algemene en het bijzondere m.a.w de algemene term bevat niet alles, het bijzondere beperkt de betekenis van de algemene term, die eraan voorafgaat
In onze dagelijkse recitaties van deze dertien interpretatieregels is deze gerangschikt als nummer vier.

Het is een algemeen gedachtegoed dat deze dertien interpretatieregels niet zijn samengesteld door het menselijk intellect, maar dat zij grondregels zijn waardoor G’D te werk gaat, zowel voor ons op visueel gebied, als in domeinen die compleet verborgen zijn voor ons. Onze geleerden, die de aspecten van ma’asé beréshiet, de scheppingdaden bediscussieerden, hebben reeds gezegd, met betrekking tot het fysieke universum, dat elk minuscuul detail dat uiteindelijk zal worden onthuld, reeds deel uitmaakte van de dingen die geschapen waren op de eerste dag. Bij het voortgaan van de schepping werden deze pratiem, details, onthuld en werden dag na dag functioneel toepasselijk. Rashi heeft dit uitvoerig verklaard in zijn commentaren op Genesis 1:14 en 1:24.
Filosofen noemen deze eerste fysieke existentie hiyoeli, de grondstof van de wereld. Alle andere elementen zijn daaruit voortgekomen.

Enigszins parallel gebeurde dit in de Celestische Regionen. De oorspronkelijke oorzaak en beweegreden, m.a.w de gedachte van G’D om het universum te creëren, is wat we noemen kalal, omvatten, geheel, een potentieel geheel waarin alles in kon existeren. Alle andere gedachten en plannen van G’D zijn in vergelijking Pratiem, “details”.
Dit concept wordt geheel weergegeven in het feit dat het aantal Levieten bij telling exact twee en twintigduizend bedroeg. Als zodanig waren zij de kalal ten aanzien van de zeshonderd duizend Israëlieten. De Israëlieten zijn de pratiem van de kalal, de Levieten.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELACH LECHA

Zend jij     Numeri. 13:1 – 15:41

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

HET OVERTREFFEN VAN HET NIETS

ZOHAR III, p. 159a

Mozes zendt verkenners het Land in met de instructie om verslag te doen over zijn inwoners, hun steden en over het natuurlijke karakter van het Land. Hen werd ook gevraagd om bij terugkomst enkele vruchten mee te nemen. Deze sectie van de Zohar onderzoekt de diepere betekenis van de voorgelegde vraag aan de verkenners: “Zijn er bomen of niet?”

….Wat voor Land is het? Is het vruchtbaar of schraal? Zijn er bomen of niet? Gedragen jullie je moedig en nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee. (Numeri. 13:19-20)      

Rabbi Shimon [bar Jochai] leert: Mozes gaf hun een wijze hint aangaande wat in eerste instantie moest worden onderzocht,  zoals staat geschreven “Is G’D onder ons of niet?” (Exodus. 17:7)

Dit werd eveneens weergegeven in een eerder vers, toen het volk zich beklaagde dat zij geen water had en Mozes water onttrok aan een rots bij Massah en Meribah. Beiden verzen gebruiken de expressie im ayin wat “of niet” betekend. In het voorafgaande vers was de vraag per slot van rekening niet of G’D met hen was of niet, “Vul Ik niet de hemelen en de aarde?” (Jeremia 23:24), of, zoals de Zohar zelf zegt, “Er is geen plaats verstoken van Hem” (Tikkoenei Zohar, Tikkoen 57). Integendeel, de vraag was welk niveau van G’ddelijkheid was met hen op dat moment?. Werd het niveau aangeduid door de naam Havayaha of erd het aangeduid door het niveau wat “Ayin” heet?

Elk van de namen van G’D die gegrondvest zijn in de Thora verwijzen naar een specifiek type van handeling, zoals in G’D’s antwoord aan Mozes: “Je wilt Mijn Naam weten? In overeenstemming met Mijn daden wordt Ik aangeroepen.” (Shemot Rabba 3:6) De naam Havayah verwijst naar G’D als Schepper van de wereld, van het woord “mehaveh“, wat “in tot het zijn” betekend. (Opgemerkt moet worden dat sommige commentaren de naam Havayah afleiden van “haja” “hojeh“, ´vejih jeh“, simultaan aangevend het verleden, het heden en de toekomst, een directe verwijzing naar de superioriteit van G’D. Hoe dan ook, in onze context wordt de eerste betekenis”  bedoelt, zoals vanuit de tekst duidelijk zal worden. Het woord “ayin” ( wat transcendent,”het niet zijn”, betekend), verwijst echter naar zo verheven niveau dat het elke naam te boven gaat.

Hij [Mozes] vertelde hen: Bepaal of dit Land is verbonden met de naam Havayah of met Ayin.

Technisch gezien gaf hij hun de opdracht om te bepalen of het was Land was verbonden met de sefira van tiferet (Havayah) of met keter (Ayin). Hoe konden zij dit bepalen?

Hij zei tot hen dat als zij zagen dat de vruchten van het Land leken op die van andere landen, dan “heeft het bomen”, verwijzend naar de Levensboom [welke Tiferet is].

Noteer dat we de frase “im yesh bah etz im ayin” vertalen als “zijn er bomen (meervoud) of niet”. Een meer correcte vertaling zou zijn “is er een boom (enkelvoud) of niet”? Daarom kunnen wij aannemen dat het refereert aan de Boom van Leven.

Maar als je ziet dat het fruit van het Land uitzonderlijk groot is, groter dan ergens anders, dan zul je weten dat het is gekoesterd door een fundamenteel heilig niveau,  vanwaar zijn ongewone eigenschappen zijn neergedaald.  Op die wijze zul je weten als het Land een Boom heeft [van Tiferet] of niet [Ayin, het transcendente niet zijn van keter]… Om die reden zei hij tot hen, nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geheim van de lamp

Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

Neem op   Numeri.  4:21 – 7:89

Rabbi Shimon bar Jochai

De gedaante verwisseling van Jitro

Zohar, p. 122a

 Wanneer een man of een vrouw een of andere menselijke overtreding begaat……(Numeri. 5:6)

Om dit vers te kunnen verklaren, introduceert Rabbi Shimon een ander vers en zegt:

Kom en zie [wat is geschreven in relatie tot de oorlog tussen Barak en Yavin, de koning van Kanaän]:

Heber, de Keni, die één van de  nakomelingen was van Hobab, de schoonvader van Mozes, had zichzelf gesepareerd van de Kenieten. (Richteren 4:11)

Bedenk dat Heber de Keniet, een nakomeling was van Jitro, die ook bekend was onder de naam Hobab. Om die reden waarschuwde Koning Saul de Kenieten  om hun kampement te verplaatsen, weg van de Amalekieten, voor de aanvang van de strijd.

Het vers verklaart, “En Saul zei tegen de Kenieten, ‘Ga….”‘. (Samuel, 15:6) Waarom werden zij “Kenieten” genoemd? Dit hebben wij reeds eerder uitgelegd, omdat zij nakomelingen waren van een volk met de naam “Kenie“.

Zij zijn nadrukkelijk vermeld als een volk dat leefde in Israël in de tijd van Abraham:

Zoals het vers in Genesis. 15:19 bevestigt, de Kenieten en de Kenizieten…..

Nu zou je kunnen zeggen dat de naam “Keni” komt van het Hebreeuwse woord voor vogelnest [“ken“] omdat zij een tijdelijke behuizing maakten in de woestijn, zoals een vogel voor zichzelf een tijdelijk nest bouwt. Zij verlieten hun steden en gingen naar de woestijn om Thora te leren.

Maar dit was niet om een nieuw nest maken, want het vers stelt uitdrukkelijk dat zij zich separeerden van de Kenieten.

Zij separeerden zichzelf van het Kenietische volk, dat met hen was van het prilste begin en verenigden zich met de Heilige, geprezen zij Hij. [Dus], “separeerden zij zich van ‘Kayin‘ [Hebreeuws voor “kain”]”.

Hoe gelukkig is het leven van een persoon die waardig is om zich onder te dompelen in de Thora, zich eraan te hechten en om haar pad te bewandelen.

Leren is niet genoeg; men moet de opgelegde mitzwot ook uitvoeren en in de praktijk  brengen, in de vorm zoals ze zijn opgelegd. Dit is de betekenis van de term “Halacha” wat zowel “wet” als “weg te gaan”, of “wandelpad” betekent.

Wanneer iemand de mitzwot van de Thora uitvoert, haalt hij neerwaarts in zich, een hogere heilige geestelijke kracht, zoals wordt aangegeven in het vers “Totdat vanuit het hogere een geest over ons wordt uitgegoten” (Jesaja. 32:15).

In het begin heeft iemand alleen zijn levend gevende ziel (Nefesh) en als hij Thora leert en mitzwot uitvoert verkrijgt hij zijn geest (Roeach).

Echter, wanneer een persoon afwijkt van dit pad, haalt hij neerwaarts in zich, een geestelijke kracht van de andere kant van het heilige. Dan ontvangt hij een onzuivere geest uit de oorsprong van Noekva de Tehoma Rabba.

Dit is het niveau van bina van de wereld van Beriya van Kelipa. Dan is zijn verstand ontaard door egotistisch denken waardoor zijn realiteitsbesef wordt  vervormd.

Deze oorsprong  is de verblijfplaats van de negatieve krachten [depressies, rechtvaardiging van slechte daden en dergelijke]. dit beschadigt niet alleen de persoon, maar veroorzaakt ook schade aan de wereld. Zij worden “schadeveroorzakers” [“nizikin“] van de wereld genoemd. Zij zijn aanwezig door de eerste Kain [de moordzuchtige zoon Adam].

Jetro was van oorsprong een priester van afgoden. Hij vereerde exact deze kwade kant. Hij haalde van daaruit een negatieve geestelijke kracht in zich neer en om die reden werd hij een “Keniet” genoemd.

Alhoewel hij een Keniet werd genoemd nadat hij teshoewa had gedaan en terugkeerde tot G’D, was deze naam niet gegeven in een minachtende zin.

Hij hechte zich aan G’D en volbracht de goede kant die in Kain was.

Dus leren we van Jetro, zelfs als een persoon valt naar het laagste niveau, kan hij, door het leren van Thora en de praktische wegen van Mitzwot  te gaan, zijn negatieve natuur achter zich laten  en zich hechten aan het Heilige.

SHABBAT SHALOM