PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt Numeri. 8:1 – 12:16

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het geheim van de lamp

 

Zohar, p. 151a

 

De parasha van deze week begint met de voorschriften over het aansteken van de zevenarmige kandelaar [Menora] door Aaron in de tabernakel in de woestijn. De beschrijving van de Menora evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken, werden al eerder benoemd en behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave.

 

Rabbi Elazar – zoon van Rebbe Shimon- stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, de vraag. Waarom wordt het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, herhaald op een ander tijdstip?

 

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar -zoals beschreven in de parasha Bemidbar- en nu gaat de tekst over de functie van de Menora in relatie tot het aansteken door Aaron. Daarmee aangevend, dat dit belangrijker is dan alle andere offers die waren gebracht.

 

Boven [in de wereld van Atziloet] vertegenwoordigt de Menora wijsheid ( waarmee de sefira van Malchoet wordt verlicht)]; al de lichten op de armen van de Menora [die de sefirot representeren] verlichten, door de verrichtingen van Aaron.

 

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid wordt geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie instaat stelt om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Door zijn aansteken van de Menora als een fysieke meditatieve handeling, wordt een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg gebracht vanuit de hogere sefirot aan deze wereld. Dit wordt gerepresenteerd door elk olie lontje, in elke arm van de Menora.

 

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit al hebben uitgelegd.

 

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen: Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de bovenste sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet en Malchoet weergeven.

 

Iedere bovenste sefirot is verbonden met elke andere in de sefirot boom, door drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van beïnvloeding en laten zien hoe zij samenkomen en zich onderlingverhoudentot de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen, was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, daarmee representerend: het koninkrijk van de Koning der Koningen.

 

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

 

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. ( wijsheid).  Zoals men kan zien als men de Sefirot boom visualiseert, is Chesed de eerste van de zeven sefirot die het licht van wijsheid ontvangt. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij te leggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie,inwijsheid en er over te mediteren, door het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot : Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat de wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbindt door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken op de zelfde tijd als de Menora werd ontstoken, aangezien zij samen het bewustzijn in eenheid representeren om de hogere niveaus neerwaarts te halen.

 

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

 

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

 

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora met de sefira van Chochma.

 

Het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

 

Detabernakel en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in de fysieke realiteit, waar olie kalmeert.

 

Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, dat betekent, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

 

Zoals gesteld is er: Één altaar binnen, om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het altaar binnen verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

 

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

 

En iemand die kijkt en [hierop] mediteert zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

 

Door heel de Tenach, worden deze namen uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

 

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

 

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

 

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

 

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in de visualisering van de boom van Sefirot boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT NASÓ

Neem op             Numeri. 4:21 – 7:89

 

 De Zohar zegt dat het spirituele ontvangen van de Thora afhankelijk is van hoe we onze seksualiteit rectificeren. 

 Gebaseerd op Metok MiDevash

 

 Zohar, Emor. p. 96b.

 

 Rabbi Shimon zegt dat het gerstoffer gebracht door de sota [de vrouw verdacht van overspel te hebben gepleegd], verwijst naar een “offer van jaloezie, een graanoffer van herinnering, herinnerend aan ongerechtigheid”. (Numeri. 5:15) Het woord “jaloezie’ [in het Hebreeuws, “kina’ot”] in dat vers, is geschreven zonder de vav omdat de Sefira van Malchoet, die ook zo wordt genoemd, in een staat van verwaarlozing is. Haar ontbreekt de overvloedige stroom van Yesod, dit wordt geïndiceerd door de ontbrekende vav.  Het zelfde stamwoord “kina” wordt gebruikt in het voorval van Pinchas, die de prins van de stam van Simon doodde, die overspel pleegde met een Moabitische prinses. Pinchas werd gezegend met eeuwigdurend priesterschap, “….omdat hij verontwaardigd ( als de bezorgde afgunst)  [of zelotisch] was voor zijn G’D”.

 

 Jaloezie  [in het Hebreeuws, “kina’ot”] is een eigenschap van de Sefira van Yesod [de Sefira van seksualiteit] en om het even wie ontrouw is aan hetverbond van Israël wekt zelf de kracht van Yesod op die afgunst teweeg brengt aan degene zelf.  Dat wordt bedoeld  met de frase in de Talmoed (Sanhedrin. 81b) “Zeloten zullen hem straffen”.  

 

 Kom en Zie [een term van de Zohar om de esoterische betekenis aan te duiden]. Het gerst [veevoer] van de Omer [ een offergave van gerst verzameld van de velden op de tweede dag van Pesach en geleverd aan de Tempel] was wat de sota gebruikte als haar offer. Het werd geplet en gemalen onder maalstenen en ze verzamelden een isaron [een antieke maat uit de oudheid] en ziften het dertien keer in een zeef.

 

 Dertien is het aantal G’ddelijke Eigenschappen van Barmhartigheid. Door het schift en zeefproces werd de gerst gezuiverd van alle toebehoren, met andere woorden, schillen en omhulsels werden ontdaan die het fysieke en dus ookhet spirituele verontreinigen.

 

 Dit wordt bedoeld met de frase die wordt gebruikt in het gebod om de Omer te tellen, “Zeven volle weken”. (Leviticus. 23:15) 

 

 Het woord “volle” refereert aan de completering van de purificatie van de Sefira van Malchoet gedurende de periode tussen Pesach en Shavoe’ot. Gedurende deze periode,- is Malchoet gezuiverd van alle negatieve aanhechtingen en zijn alle zeven Sefirot van Zeir Anpin, die weer elk bestaat uit zeven Sefirot, geteld. Dit roept in het bewustzijn op al de 49 facetten van Malchoet  en dient als een voorbereiding op het 50e niveau, dat het spirituele ontvangen van de Thora is.  

 

SHABBAT SHALOM      

 

 

 

Shavoe’ot

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

 

 

Likoetei Thora

 

Er is een passage in het Boek Spreuken waarin de Thora zelf de spreker is en zichzelf antropomorfiseert en beschrijft al te hebben geëxisteerd vóór de Creatie van het universum. Na uitspraken als “Toen G’D de hemelen vestigde, Ik was daar; toen Hij een cirkel trok over de oppervlakte van de diepten”, gaat de Thora verder met te zeggen, “Ik was met Hem als een zuigeling en Ik was elke dag Zijn vreugde, spelend voor Hem te allen tijden; spelend met de wereld, Zijn wereld en Mijn vreugde was met de zonen van de mens.” (Spreuken, 8:30-31) Deze uitspraken zijn niet alleen poëtisch, maar bevatten ook diepgaande esoterische verwijzingen naar de essentiële aard van de Thora die werd gegeven, hetgeen wij vieren op de feestdag van Shavoe’ot.  

 

 

De Thora’s beschrijving als zijnde een “zuigeling” (“amon” in het Hebreeuws) herinnert en verwijst naar Mozes vraag aan G’D nadat Mozes net heeft verteld  dat de Joden op miraculeuze wijze zullen worden voorzien van vlees in de woestijn en Mozes “zich, als het ware, beklaagt”, dat hij niet kan fungeren als een instrument van dat gebeuren: [Wie ben ik], zegt Mozes tot G’D, dat U zegt tot mij, Draag het [Joodse Volk]  aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft [in het Hebreeuws, “omen”] …. waar [haal] ik vlees vandaan?” (Numeri, 11:12-13)

 

 

[Zoals verklaard ergens anders in Likoetei Thora, komt Mozes’ ziel voort uit een uitermate subliem spiritueel niveau. Zijn ziel was zo verheven dat Mozes, die juist 40 dagen en nachten bovenop de Berg Sinaï had doorgebracht, in zo een krachtige staat van heiligheid verkeerde dat hij geheel werd onderhouden door spiritualiteit en geen behoefte had aan fysiek voedsel, hij voelde dat hij zich niet meer kon relateren aan zulke aardse dingen als vlees. Hij had het begrip verloren hoe hij het aan de gewone mensen verstrekt kon worden.

 

Op een vergelijkbare manier, had Mozes G’D duidelijk gemaakt dat hij ongeschikt was om G’D’s boodschap van verlossing over te brengen aan het Joodse Volk in Egypte omdat hij leed aan een spraakgebrek. De Chassidische leer verklaart dat Mozes’ bezorgdheid was dat zijn eigen verheven ziel niet in staat zou zijn om de kloof tussen de gewone Joden te overbruggen, zodat G’D’s boodschap niet succesvol zou worden overgebracht. G’D’s antwoord was dat Hij Mozes zou assisteren in het “overbrengen en het doen begrijpen van de boodschap”, Mozes moet zijn bijdrage leveren in het spreken tot het Joodse Volk en G’D zou ervoor zorgen dat de spirituele “kloof” werd overbrugd. Dus in plaats van met gewoon fysiek voedsel wordt Mozes geassocieerd met het Manna dat miraculeus neerdaalde van de hemel vanwege zijn verdienste (zie Taanit 9a; Zohar III 156a). Dit was spiritueel voedsel en iets waar Mozes zich aan kon relateren.]

 

 

Hier, de opmerking om een zuigeling te voeden duidt eerder op een diepere betekenis dan op eenvoudige literaire beeldspraak. Een pasgeboren baby is niet volledig ontwikkeld; een baby moet een heel groeiproces doormaken. In het begin is een kind bijna uitsluitend een creatuur van emotie, voelend plezier, angst, etc. maar niet in staat om te denken over of te begrijpen wat het ervaart. Zelfs zijn emoties hebben tijd nodig om zich te ontplooien en om al de nuances te ontwikkelen die zij in zich bergen. (Bijvoorbeeld, een kind ervaart niet “bitterzoet” of schrijnende gevoelens, alleen wilde vreugde en immens tekeergaan.)

 

 

Hoewel het waar is dat in moderne tijden vele zuigelingen geen borstvoeding meer wordt gegeven, symboliseert deze natuurlijke praktijk een zekere spirituele groei. In feite bevordert melk de ledematen van het kind, dus borstvoeding representeert en veroorzaakt de spirituele ontwikkeling en groei van de emotionele ziels eigenschappen. Tijdens de periode van verzorging rijpen de emoties van de zuigeling en ontwikkelen zich. Nochtans is het niet veel later dat het intellect van het kind zich manifesteert, dat is waarom, ofschoon het bekwaam is in het voortbrengen van geluid ( en soms zelfs heel veel) is het niet in staat om intelligent te spreken. Dit latere stadium van ontwikkeling is mystiek geassocieerd met het spenen van het kind en het begin van vast voedsel, in het bijzonder brood, zoals de Talmoed leert, “Een kind weet niet “Vader” of “Moeder” te roepen tot het de smaak van graan heeft geproefd” (Berachot 40a, in ondersteuning van de uitleg dat de Boom van Kennis, die werd geïntroduceerd als intellectueel bewustzijn aan Adam en Chava, in feite graan was).

 

 

Kabbalistisch gezien, spelen de voorname Joodse Feestdagen, Pesach, Shavoe’ot en Soekot, een rol in de creatie van de Joodse zielen. Op de zevende dag van Pesach als het ware, waren nieuwe zielen “geboren”, in de zin dat zij voortkwamen uit de verheven spirituele sfeer van Atziloet, welke onafscheidbaar is  van G’D Zelf, in de relatief “lagere”sfeer van Beriya, worden zij beschouwd als separate entiteiten. Echter deze “nieuwgeboren” zielen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Zoals ergens anders verklaard, een ziel bezit tien spirituele eigenschappen, zeven overeenkomend met de emotionele eigenschappen van een persoon en drie intellectuele eigenschappen.

 

De nieuwgeboren ziel, net zoals een zuigeling, heeft tijd nodig voordat zijn emotionele vermogens volgroeid zijn; dit heeft in het bijzonder betrekking op de zo geheten “dierlijke ziel”, die de oorsprong is van iemands natuurlijke inclinatie. Ook deze, en niet alleen iemands spirituele tendensen, behoeven te worden ontwikkeld in instrumenten voor dienst aan G’D. Elk van de zeven emotionele eigenschappen, wanneer volwassen, is een compositie van alle zeven ( makend 49 emotionele componenten van ziel in totaal), en om deze “nuances” naar buiten te kunnen brengen, moet de ziel een periode ondergaan van spirituele “verzorging”. Dit refereert aan de 44 dagen van de Omer periode tussen de zevende dag van Pesach en de Feestdag van Shavoe’ot.

 

 

De Omer periode, de tijd in welke de Jood de dagen telt van de Exodus van Egypte tot het geven van de Thora op de Berg Sinaï, begint in de tweede nacht van Pesach en omvat 49 dagen in totaal. Deze corresponderen met de 49 emotionele eigenschappen van de ziel. Echter de eerste vijf dagen van deze telling ( met andere woorden, de vijf dagen van de telling) van de tweede tot de zevende dag van Pesach, representeren de mystieke vijf eigenschappen van goedheid ( de vijf Cheseds, de eerste vijf emotionele eigenschappen binnen de samengestelde eigenschap van Chesed, of goedheid zelf), welke de groei van de rest van de eigenschappen voortbrengt. De eerste vijf worden geïdentificeerd met de sfeer van Atziloet, overhoudend 44 die zich ontwikkelen na “geboorte”.

 

 

De mitzwa van het tellen van de Omer, dient de mystieke functie van verzorging van de ziel, en het ontwikkelen van hun innerlijke emotionele eigenschappen naar volwassenheid. Echter verzorging is niet een doel op zich zelf;  het leidt naar spenen en de bekwaamheid om vast voedsel  op te nemen. Dit wordt gesymboliseerd door brood en juist als “de smaak van graan” een nieuw niveau van intellectueel vermogen introduceert voor een kleuter, is het het spirituele “brood” dat de zielen na verzorging ontvangen, dat hun intellectuele eigenschappen zich uiten. Dit “brood” is de Thora zelf, die “voeding”  voor de ziel genoemd wordt (zie Talmoed Chagiga14a; Beréshiet Rabba 43:7), en waarover is geschreven, “Kom, eet Mijn brood.” (Spreuken, 9:5)

 

 

De feestdag van Shavoe’ot, toen de Thora aan het Joodse Volk werd gegeven, correspondeert dus mystiek met het “spenen” van de nieuwgeboren zielen. Dit is de reden dat ons op Shavoe’ot  wordt opgedragen een offer te brengen dat hoofdzakelijk bestaat uit twee broden (Leviticus. 23:17): één representeert de Geschreven Thora en de andere representeert de Mondelinge Thora (het gehele corpus Joodse Kennis, inbegrepen de Mishna en Talmoed, die de latente betekenis van de Bijbelse verzen reveleert). Dit niveau is ons door G’D verleend in antwoord op de zelf nullificatie van het Joodse volk uit eerbied voor Hem gedurende de overdenking van het Shema gebed, om die reden zegt het vers dat de twee broden gebracht moeten worden “vanuit je woningen” (in het Hebreeuws, “mimoshvateichem “), wat ook letterlijk van je “zittend” betekent, aangezien het Shemawanneer het gepast wordt gereciteerd zittend moet gebeuren.

 

 

“Verzorging” kan worden begrepen in de zin dat het een voorbereidende fase is leidend naar het eten van brood. Mozes, in al zijn nederigheid, voelde zich ongeschikt tot deze laatstgenoemde taak van het introduceren van “vast voedsel” van Thora aan het Joodse Volk, dat is wat hij bedoelde met het protest, “[Wie ben ik] dat U tegen mij zegt, “Draag [het Joodse Volk] aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft…” waar [haal] ik vlees vandaan?”

 

 

Men moet zich volkomen bewust zijn dat G’D absoluut transcendent en onkenbaar is. Elke relatie die wij hebben met Hem is een gift van G’D, die Hij verleent aan ons door overbrenging van de Thora: door Zich Zelf  “samen te persen” als het ware in de Thora, we zijn in staat om G’D Zelf te vatten door ons begrip van de Thora. De Thora zelf een is vat, het kanaal, dat deze G’ddelijkheid in zich draagt en doorgeeft  aan ons. Dit is waarom, ofschoon Mozes in zijn nederigheid voelde dat hij onbekwaam was in het overbrengen van G’ddelijkheid, helemaal afdalend naar ons niveau (dat van “brood”), de Thora zichzelf beschrijft als ze deze functie uitvoert, en zegt, “Ik was met Hem als een zuigeling.”

 

 

Het vers gaat verder met te zeggen, Ik was Zijn vreugde elke dag.”Dit verwijst naar de vreugde en het genoegen die alleen komt na intellectueel begrip. Niet alleen is de Thora een “zuigeling” die het intellectuele niveau van de ziel naar buiten brengt, het gaat zelfs verder met openbaren van diepere aspecten van  vreugde.

 

 CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

 

 

 

      

 

                      

 

 

 

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn      Numeri. 1:1 – 4:20

 

Heilige der Heilige

De kracht van barmhartigheid verzachtde negatieve strengheid van anderen.

 

Hitva’ adoeyot 5748, vol.3, p. 405-407

 

 

Wanneer ze het allerheiligste naderen, moeten Aaron en zijn Zonen komen en ieder afzonderlijk aanwijzen voor de te verrichten diensten.” (Numeri. 4:19)

 

 

De algemene toestand van “het Heilige der Heilige” representeert allegorisch de hoogste niveaus van spiritueel leven en een G’ddelijk bewustzijn. Het gebeurt vaak in ons streven naar spirituele aangelegenheden, dat we verschillende krachten van oppositie ontmoeten. Soms is dit de spot en vijandigheid van andere mensen en soms zijn het de innerlijke stemmen van vertwijfeling. De Thora leert ons hier dat het juiste respons tegenover deze uitdagingen niet is hen te bevechten, maar eerder hen te confronteren met de kracht van Aaron, de vredestichter. [zie Perké Avot.1:12]

 

 De kracht van barmhartigheid verzacht de negatieve strengheid van anderen, of elimineert het vaak helemaal en kan een antagonist veranderen in een bondgenoot als de meest mogelijke overwinning.

 

 In Kabbala personifiëren de Levieten Gevoera (ingetogenheid en strengheid), terwijl de Priesters (Aaron in het bijzonder) Chesed (liefde en goedheid) personifiëren. In de Tempeldienst inspireerden de muziek van de Levieten de aanbidders om de hoogten van heiligheid en zuiverheid te vergroten, terwijl door de offers, gebracht door de priesters, de G’ddelijke zegeningen en openbaring neerwaarts worden gehaald. Door de priesters de verantwoording over de Levieten te geven, geeft de Thora hier aan dat zowel Chesed en Gevoera nodig zijn om de facetten van spiritueel leven te  complementeren, we moeten niettemin veilig stellen dat Chesed Gevoera verzacht, zoalsliefde en vrees en goedhartigheid de directe strengheid intoomt.

 

 SHABBAT SHALOM                  

 

PARASHOT BEHÁR- BECHOEKOTAI

Op de berg – In Mijn inzettingen.                      Leviticus. 25:1 – 26:2, 26:3 – 27:34

 

Rabbi Shimon bar Jochai

VERTROUW IN G’D EN DOE GOED

Zohar, Parashat Behar, p.111a;

En als jullie zeggen, ‘Wat moeten we dan eten in het zevende jaar, we mogen toch niet zaaien noch onze oogst binnenhalen’. (Leviticus. 25:20)

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met een citaat: “Vertrouw op G’D en doe goed; zodat je zult wonen in het Land en het vertrouwen zal je hoeden.” (Psalm. 37:3) Dit vers leert dat iemand voorzichtig moet zijn om dat wat hem overkomt altijd toe te schrijven aan zijn Meester. Dit moet gelden voor zowel het goede als de slechte omstandigheden. Men moet de gebeurtenissen in zijn leven altijd verbinden met despirituele oorsprong en niet alleen met de onmiddellijke oorzaak. Menmoet met heel het hart zich verbinden  aan de oorsprong van zijn vertrouwen. Wanneer iemand één is met zijn Meester, inziet dat alles wat gebeurt in zijn leven een resultaat is van G’ddelijke Voorzienigheid, dan zal zijn hart in hem een welbehagen ondervinden. Wanneer zijn geest kalm is als resultaat van zijn kennis, kan niets hem schaden, omdat hij ziet dat alles wat gebeurt in zijn leven een leerproces en leidraad voor verdere groei is.

” Vertrouw in G’D en doe goed.” Waarnaar verwijst hier het “goed”? Zoals we geleerd hebben, wekkende goede daden die iemand doet in de fysieke wereld, de oorsprong van dat goed op in de Sefirot in de spirituele wereld. Dit is eerder uitgelegd in verband met het vers “Hoor de woorden van het verbond en doe hen”.

 

(Jeremia. 11:6) De woorden “doe hen” kunnen ook gelezen worden als “door jou”, met andere woorden, door je handelingen. Datbetekent, jij rectificeert de Sefirot, waardoor een overvloedige stroom van Licht en G’ddelijkheid wordt veroorzaakt die neerdaalt in jou. Dit is zo omdat door het geven van liefdadigheid en het doen van mitzwot en vanwege de goede daden, je een corresponderende vloed van liefdadigheid en goedheid van Boven ertoe brengt om te worden betrokken in je leven.

Weet dat, in tegenstelling tot het Nederlandse woord “liefdadigheid” wat verbindingen heeft met andere concepten, het Hebreeuwse woord “tzedaka” direct verbonden is met de woorden “tzedek”, dat betekent, “gerechtigheid” en “tzadik”, dat betekent, “rechtvaardige” en is gerelateerd aan de Sefira van Yesod, die ook “tzadik” wordt genoemd. Dus, in het Hebreeuwse concept verbindt het woord de fysieke en spirituele werelden, want de tzadik tzadaka, die een handeling is van tzedek in deze wereld geeft op zijn beurt een weldadige vloed van zijn oorsprong in Yesod (tzadik) naar Malchoet en veroorzaakt een verzachten van eenstreng oordeel.

Het is aangaande je handelingen en de daarmee verbonden spirituele vertakkingen, dat het vers zegt, “doe goed”, want de oorsprong van goed is in de Sefira van Yesod [tzadik]. Dit wordt specifiek aangegeven in het vers “Zeg van de tzadik [de rechtvaardige], dat hij goed is, want zij zullen de vruchten van hun handelingen eten.” (Jesaja.3:10) Aangezien je tzedaka geeft en mitzwot doet en goede daden, zul je met zekerheid een corresponderende vloed van de Sefira van Yesod  teweegbrengen die zal kanaliseren in Malchoet. Om die reden is er geschreven, “woon in het Land [Hebreeuws, ‘eretz’ en vertrouwen [‘emoena’] zal je hoeden.” “Eretz en “Emoena” zijn beide namen voor de Sefira van Malchoet.

SHABBAT SHALOM       

PARASHAT EMOR

Zeg             Leviticus. 21:1 – 24:23

VERTROUWEN OP DE THORA

 

 De Zohar leert dat de opdracht van het tellen van de Omer als een opstijging is in de Hogere Werelden.

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Raya Mehemna, Zohar III:97 a-b.

 

 Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen……” (Leviticus. 23:15-16)

 

 Dit is de opdracht om de Omer te tellen, volgens de Geleerden. (Soekka 58). De esoterische diepgang is als volgt : Alhoewel de Israëlieten zichzelf zuiverden door het Pesachoffer te brengen, dus door het verlaten van de spirituele sfeer van onzuiverheid, waren zij desalniettemin niet op een gepast niveau van perfectie en reinheid.

 

 Zij waren niettemin toch in staat om het Pesachlam te offeren omdat de verlichting die voortvloeit  uit de Sefirot, omvattend de drie hogere Sefirot van het hoger bewustzijn (Chochma, Bina, Da’at), niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar een voortvloeisel is van G’D’s goedheid (Ramaz).

 

 Dit is ook de reden dat we het Hallelgebed, na de eerste dag van Pesach, niet compleet reciteren (in Israël) , omdat het Joodse Volk nog niet het gepaste niveau van perfectie hadden bereikt.

 

 Deze periode van zeven weken van reiniging is vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na de menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is  geëindigd, begint zij zeven dagen te tellen.

 

 Zo deden ook  de Israëlieten toen ze Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend  in het voedsel van hun Vader (zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en van dat moment af telden zij de dagen tot aan de vrouw [het Joodse Volk] haar Echtgenoot [G’D] kon naderen. Dit zijn de vijftig dagen [tot de dag na de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van zuivering die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen en het mogelijk maakt de vrouw tot haar Echtgenoot te komen.

 

 Aangezien het masculiene dagen betreft [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling opgelegd aan mannen alleen (zie Magen Avraham, Orach Chaim siman 489). Om deze reden moet men de telling staande doen, omdat aangelegenheden die te maken hebben met de Lagere Wereld zittend gedaan moeten worden.

 

[Bijvoorbeeld, het Shema Israël wordt zittend gereciteerd, aangezien het refereert aan de Wereld van de Troon (Beriya) de vrouwelijke wereld, want de predominante Sefira in Beriya is Bina, terwijl het Staande Gebed (Shemoné Esré) is gerelateerd aan de hogere wereld, Atziloet, waar Chochma de predominante Sefira is.]

 

Dit is de diepe esoterische betekenis tussen de verschillende delen van gebed die staande en die zittend worden gezegd.

 

Deze vijftig dagen bevatten negenenveertig dagen als facetten van Thora, maar de vijftigste dag is het geheim van de Thora zelf. Als je je nu afvraagt waarom deze vijftig niet negenenveertig zijn want zeven weken van zeven dagen is gelijk aan 49, is het antwoord: wat was verborgen in deze 49 wordt geopenbaard, zoals de Koning die de kamer van koningin binnengaat en daar verblijft.

 

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, werd voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

 

SHABBAT SHALOM 

 

 

 

PARASHOT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

 Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 -20:27

 

 

Een diepere kijk op afgoderij

 

Door onwaarheid te zien door de ogen van Thora, kunnen we deze overwinnen.

 

 

Sefer HaMa’amarim 5743, p. 85-7


 

 

Wendt je niet tot de afgoden en maak geen gegoten beelden voor jullie zelf, Ik ben de Eeuwige jullie G’D.

 

 

Dit vers is de grondslag voor de wet die verbied te staren naar afgodsbeelden of het bestuderen van hun rituelen. De Thora verbiedt ons om te verdiepen in de beleving van afgoderij, zelfs als we niet de intentie hebben om afgoden te dienen. Dit is om ons verre te houden van de aantrekkelijkheid van afgodische praktijken want het contact schendt de heiligheid omdat enigszins zowel sensueel als intellectueel een verlamming wordt veroorzaakt ten aanzien van heiligheid.

 

Een uitzondering op deze regel is de studie van afgoderij in de context van Thorastudie. Om gepast de overtreding van afgoderij te voorkomen, moeten we noodzakelijk vertrouwd gemaakt worden met de exacte typen, aspecten en vormen van afgoderij die de Thora verbiedt. Eén van de grotere traktaten van de Talmoed heet “Avoda Zara” (Letterlijke betekenis, “dienst aan de andere zijde”) en bespreekt, onder andere, de rituelen van verschillende klassieke vormen van afgoderij.

Dus in de context van Thorastudie is het ons niet alleen toegestaan om verschillende vormen van afgoderij te bestuderen, we moeten.

 

Spiritueel wordt van ons verlangd om de wetten van verboden zaken (waarvan afgoderij slechts een voorbeeld is) te bestuderen omdat we alleen door direct contact de toegestane elementen van de fysieke wereld kunnen verheffen.

 

 

[Het Hebreeuwse woord voor “toegestaan” (“moetar”) kan ook “vrijmaken” betekenen; toegestane dingen zijn “vrij” om te worden verheven door menselijke inspanning. Naar deze elementen wordt in Kabbala verwezen als afstammend van de “doorschijnende schil” (Kelipa nogah), dat betekent dat zij neutrale energieën zijn die, in de sfeer van heiligheid of in haar tegenovergestelde sfeer gehaald kunnen worden. De mens verheft deze krachten door ze voor heilige doelen te gebruiken. Afgoderij echter behoort tot de realiteitssfeer die verboden is (in het Hebreeuws, “asoer”, letterlijk, “vastgebonden”). Aan deze verboden realiteitselementen wordt in Kabbala gerefereerd als afgeleid van de “onzuivere schillen” (Kelipot hatemei’ot), dat betekent dat ze intrinsiek kwaad zijn en dat we ze niet kunnen verheffen.

 

Desondanks kunnen we zelfs deze “vastgebonden”, verboden aspecten van realiteit verheffen, niet door hen te beleven uit de eerste hand, maar door studie van de Thora. In de Thora vormen deze entiteiten een intrinsiek onderdeel van het G’ddelijke Plan; zij worden geen onderwerpen van studie op zich, maar zijn referenties gezien vanuit de context van hun implicaties van de G’ddelijk wijsheid en heiligheid die zij veronderstellen en waarvan zij deel uitmaken.

 

 [Met de kracht van de Thora, heeft onze indirecte reis door afgoderij en andere “verboden zones” de capaciteit om spirituele duisternis te transformeren naar licht.

 

SHABBAT SHALOM    

PARASHOT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 -20:27

 Een diepere kijk op afgoderij

 

 Door onwaarheid te zien door de ogen van Thora, kunnen we deze overwinnen.

 

 Sefer HaMa’amarim 5743, p. 85-7


 

 “Wendt je niet tot de afgoden en maak geen gegoten beelden voor jullie zelf, Ik ben de Eeuwige jullie G’D.

 

 Dit vers is de grondslag voor de wet die verbied te staren naar afgodsbeelden of het bestuderen van hun rituelen. De Thora verbiedt ons om te verdiepen in de beleving van afgoderij, zelfs als we niet de intentie hebben om afgoden te dienen. Dit is om ons verre te houden van de aantrekkelijkheid van afgodische praktijken want het contact schendt de heiligheid omdat enigszins zowel sensueel als intellectueel een verlamming wordt veroorzaakt ten aanzien van heiligheid.

 

 Een uitzondering op deze regel is de studie van afgoderij in de context van Thorastudie. Om gepast de overtreding van afgoderij te voorkomen, moeten we noodzakelijk vertrouwd gemaakt worden met de exacte typen, aspecten en vormen van afgoderij die de Thora verbiedt. Eén van de grotere traktaten van de Talmoed heet “Avoda Zara” (Letterlijke betekenis, “dienst aan de andere zijde”) en bespreekt, onder andere, de rituelen van verschillende klassieke vormen van afgoderij.

 

Dus in de context van Thorastudie is het ons niet alleen toegestaan om verschillende vormen van afgoderij te bestuderen, we moeten.

 

 Spiritueel wordt van ons verlangd om de wetten van verboden zaken (waarvan afgoderij slechts een voorbeeld is) te bestuderen omdat we alleen door direct contact de toegestane elementen van de fysieke wereld kunnen verheffen.

 

 [Het Hebreeuwse woord voor “toegestaan” (“moetar”) kan ook “vrijmaken” betekenen; toegestane dingen zijn “vrij” om te worden verheven door menselijke inspanning. Naar deze elementen wordt in Kabbala verwezen als afstammend van de “doorschijnende schil” (Kelipa nogah), dat betekent dat zij neutrale energieën zijn die, in de sfeer van heiligheid of in haar tegenovergestelde sfeer gehaald kunnen worden. De mens verheft deze krachten door ze voor heilige doelen te gebruiken. Afgoderij echter behoort tot de realiteitssfeer die verboden is (in het Hebreeuws, “asoer”, letterlijk, “vastgebonden”). Aan deze verboden realiteitselementen wordt in Kabbala gerefereerd als afgeleid van de “onzuivere schillen” (Kelipot hatemei’ot), dat betekent dat ze intrinsiek kwaad zijn en dat we ze niet kunnen verheffen.

 

 Desondanks kunnen we zelfs deze “vastgebonden”, verboden aspecten van realiteit verheffen, niet door hen te beleven uit de eerste hand, maar door studie van de Thora. In de Thora vormen deze entiteiten een intrinsiek onderdeel van het G’ddelijke Plan; zij worden geen onderwerpen van studie op zich, maar zijn referenties gezien vanuit de context van hun implicaties van de G’ddelijk wijsheid en heiligheid die zij veronderstellen en waarvan zij deel uitmaken.

 

 [Met de kracht van de Thora, heeft onze indirecte reis door afgoderij en andere “verboden zones” de capaciteit om spirituele duisternis te transformeren naar licht.

SHABBAT SHALOM    

 

PARASHAT TAZRIA / METSORA

Zij geeft zaad / ‘Melaatse’ (Leviticus 12:1 – 13:59 / 14:1 – 15:33)

Een verhandeling vanuit de geschriften van de Ari

De wekelijkse parasha begint met drie- ogenschijnlijk- niet verwante onderwerpen. De rituele onreinheid van een vrouw, na de geboorte van een kind; het gebod om een mannelijk kind acht dagen na zijn geboorte te besnijden en de rituele onreinheid tengevolge van de omstandigheid genaamd Tsara’at. (Een term die vaak verkeerd wordt vertaald als “lepra”, maar in feite verwijst naar een unieke aandoening, die er alleen was in de tijd toen de Tempel bestond en enigszins uiterlijke overeenkomst vertoont met wat wij heden ten dage lepra noemen.)
Vanwege de volgorde van de onderwerpen, die zeer kenmerkend zijn in de Thora, wekt het naast elkaar zetten van deze onderwerpen een belangstelling voor een uitleg.  

Bovengenoemde types van rituele onreinheid, zijn puur spirituele omstandigheden en moeten niet worden verward met medische of hygiënische condities. Ofschoon spirituele onreinheid wordt teweeg gebracht door fysieke condities en fysieke repercussies hebben, is het meer een psychologische malaise dan een fysieke. De rituele onreine persoon lijdt aan typische psychologische aandoeningen die geassocieerd zijn met dood, depressie, ego, of andere condities en vormen een  antithese voor een vreugdevol optimistische karakteristiek van een gezonde spiritualiteit.
Om een actief en gezond spiritueel leven te hervatten, moet hij\ zij  “gereinigd” zijn van deze mentaliteiten. Dit is evident in de verhandelingen van de Arizal die worden ingezet in deze bespreking.

De parasha opent met (letterlijke hebreeuwse tekst): En G’D sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend: Als een vrouw moet bevallen en ze krijgt een jongen dan wordt ze zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden.” (Leviticus. 12:1-3)
Het is de moeite waard om te onderzoeken, waarom de Thora het woord “zeggend” twee maal vermeldt in deze passage; waarom het gebod van de besnijding wordt genoemd in de context van menstruele onreinheid en dat de onreinheid plaats vindt door tsara’at. Wat hebben zij gemeen?

Bovendien, continueert de Thora: “Wanneer iemand op de huid van zijn vlees een zwelling krijgt of een uitslag of een glimmende plek, die zich daar tot een huidziekte, Tsara’at, ontwikkelt………” (ibid. 13,2)
De woorden in dit vers lijken in een verkeerde volgorde te staan, het zou moeten zijn: ”Wanneer iemand in de huid van zijn vlees de Tsara’at ziekte heeft, in de vorm van een zwelling, een uitslag, een glimmende plek…….”

Het bovenstaande wordt door de verklaring van onze geleerden begrijpelijker. Vanwege de ongehoorzaamheid van Eva aan het gebod van G’D, zou zij de periodieke bloeding en de maagdelijke bloeding ( bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer) moeten ondergaan. (Eroeviem 100b)
Zij concluderen deze dubbele bloeding vanwege de dubbele uitdrukking in het Hebreeuwse vers, “Ik zal [je lijden] dubbel verhogen.” (Genesis. 3-16)

 Oorspronkelijk was de vrouw fysiologisch geschapen zonder een menstruele cyclus en het proces van zwanger worden en het baren veroorzaakten geen bloedingen. Evenmin had zij bloedingen bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer. Deze en alle andere facetten van het leven kwamen tot realiteit als gevolg op de eerste oorspronkelijke zonde. Met andere woorden, door de onjuiste wijze van denken en de verkeerde kijk op het leven, die Adam en Eva leidden na het nemen van het verboden fruit, vonden er in de realiteit zekere fysieke veranderingen plaats, waaronder de menstruele cyclus en de maagdelijke bloeding.
Door er op de juiste wijze mee om te gaan, zou de mensheid een ideale spirituele volwassenheid ondergaan, die tenslotte zal leiden naar de uiteindelijke Verlossing. In die tijd zijn deze condities van een gevallen realiteit niet langer van toepassing, en het leven, inclusief de vrouwelijke fysiologie, zal terugkeren naar zijn Paradijselijke staat.

Met deze kennis onderzoeken we de bovengenoemde drie punten met behulp van de verhandelingen van de Arizal. Dit is de uitleg waarom er een herhaling van het woord “zeggend” in het openingsvers is.

“En G’D sprak tot Mozes, zeggend”- dit is, wat Ik te zeggen heb aangaande menstruele en maagdelijke bloeding. Als het Joodse Volk jou vraagt waarom zij onrein worden door menstruele bloeding, aangezien zij een heilig volk zijn, dan……….

“Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend.” – “Zeg hen dat het is omdat Eva overschreed wat Ik haar vertelde te doen, zij was het die het lijden van onreinheid en menstruatie bracht. Om deze reden………”

“Als een vrouw bevalt en een zoon baart, is zij voor zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn.”

Het eerste verwijst naar G’D’s aanspreken van Mozes aangaande de geboden van geborenen en de tweede is het antwoord aan het Joodse Volk voor hun potentiële vraag naar de reden van deze geboden. Zij zijn een gevolg van de overtreding van Adam en Eva op G’D’s gebod.

 Waarom het gebod van de besnijdenis geplaatst is tussen de geboden van menstruele onreinheid en tsara’at onderzoeken we nu als tweede punt met de verhandeling van de Arizal.

Het gebod om te besnijden wordt genoemd in verband met de onreinheid van menstruatie, aangezien het de besneden persoon zal weerhouden om zich te verontreinigen aan spirituele onreinheid van menstruatie. Doordat G’D ons oplegt om een mannelijke baby te besnijden wanneer hij acht dagen oud is, verzwakken wij de onreine kracht en elimineren de kwade aandrift.
De voorhuid van het mannelijk voortplantingsorgaan effectueert zijn belevenis van echtelijke relatie op twee manieren: het verhoogt in grote lijnen zijn seksuele genot en verlaagt zijn gevoeligheid voor zijn vrouw door zich van haar, in bepaalde mate, te isoleren. Door verwijdering van de voorhuid, wordt de ervaring van de echtelijke relatie voor de man een minder narcistische bevrediging en vormt een ware, meer religieuze spirituele hechte verbintenis met elkaar  waarin ook de fysieke dimensie wordt verhoogd. De wijzen van de Talmoed verklaren om die reden dat idealiter, het Joodse paar de ware vreugde ervaart in de echtelijke relatie.

Gedurende de menstruatie, is de vrouw te zelfbetrokken om een echtelijke relatie aan te gaan met die gepaste spirituele oriëntatie. De Thora verbiedt dus echtelijke relatie gedurende die periode. ( Taharat Ha Mischpacha)

Wanneer een man is besneden, bewaart hij meer controle over zijn seksuele passie. Vervolgens, indiceert de besnijdenis dat de man de dienaar van G’D is, gekenmerkt met Zijn zegel. Als zodanig zal hij zeker niet de geboden van zijn Meester overtreden.

De Thora verwijst naar de besnijdenis als een “teken”van het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. De Joodse man is dus getekend als G’D’s dienaar en dit dient om hem te herinneren dat hij verantwoordelijkheden heeft tegenover een hogere autoriteit.

Om die redenen is het gebod van de besnijdenis geplaatst tussen de geboden van menstruele onreinheid en de onreinheid die tsara’at veroorzaakt, want de besnijdenis beschermt hem van beide. Hij wil geen seksuele relaties aangaan met een menstruerende vrouw en wil ook nederig en bescheiden van geest blijven, en de arrogantie schuwen, zoals een dienaar betaamt met een zegel van zijn Meester.

Met behulp van de Arizal  onderzoeken we nu het derde punt: over de onreinheid die wordt verwekt door tsara’at.  Daarin spreekt hij van  arrogantie of een meerwaardigheidsgevoel als de wezenlijke essentie van tsara’at.  Er zijn drie types van arrogantie: een persoon is arrogant in zijn hart, maar tegenover iedereen gedraagt hij zich nederig. ( een vorm van schijnheiligheid).

Een tweede type van arrogantie is, wanneer een persoon zich superieur voelt aan diegene die is zoals hij\zij, maar niet aan diegene welke hem overtreft in wijsheid of status. Dit type van arrogantie wordt “een uitslag” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “uitslag”, “sapachat”, betekent een verbonden toevoeging in de zin van “deel uit maken” en “verbinden”.

Het derde type van arrogantie is ernstiger [en vereist daarom een langer proces van zuivering]. Dit is de “glimmende vlek”, wat betekent, dat de persoon zich superieur voelt en ook zo handelt, zelfs tot diegenen die hem in wijsheid, status of rijkdom overtreffen. Hij\zij  handelt schaamteloos tegenover iedereen.
Daarom zinspeelt dit type van arrogantie op de sterk glimmende vlek.

G’D verafschuwt al deze vormen van arrogantie, alle drie vormen veroorzaken het lijden aan de onreinheid van Tsara’at, zelfs de eerste, welke de meest onschadelijke is van de drie, omdat het alleen innerlijk is. Daarom herhaalt de Thora de frase “in de huid van”, om te aan te geven dat hij\zij weloverwogen is getroffen met deze onreinheid, zelfs al was het niet zichtbaar voor de buitenwereld en dat hij\zij  naar behoren gestraft wordt.

De Arizal heeft met betrekking tot de volgorde van de woorden in het vers over tsara’at gesproken.  Hij eindigt in het kort met het algemene probleem van arrogantie.

Zoals eerder is genoemd, werpt arrogantie een grove smet op iemands persoonlijkheid, zo zelfs dat G’D het haat. Vandaar dat er is geschreven, “De Eeuwige regeert, Hij is gekleed in hoogmoed.” (Psalm 93:1) m.a.w  G’D omhult Zich met het kledingstuk van arrogantie en hoogmoed in het regeren van de wereld, om zijn schepselen schrik aan te jagen, maar ontdoet zich er direct weer van. Om aan te geven hoe afschuwelijk dit is. Waarop onze wijzen verklaren: “Telkens wanneer er in de Bijbel G’D’s grootheid wordt aangehaald, wordt onmiddellijk Zijn nederigheid genoemd.” (Meggilla 32a)

Met de boven gegeven uitleg kunnen we de aangehaalde verzen beter begrijpen.

Rabbi Jitschak Luria […Ashkenazie ben Shlomo] ( 5294 – 5331 = 1534 – 1572 ) Jaartijd van overlijden: 5e Av. Begraven op het oude kerkhof van Tzfat.
Gewoonlijk bekend als de Ari, Ook Rabbenoe HaAri HaKadosh [de heilige Ari] of Arizal [de Ari in gezegende herinnering].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

ACHTSTE   LEVITICUS. 9:1 – 11:47

 DE UNIEKHEID VAN DE ACHTSTE DAG

 De Kli Yakar, Rabbi Slomo Ephraim van Luntshits, 1550-1619, verklaart dat de frase in Wajikra. 9:1, “Op de achtste dag”, een verbinding impliceert met de voorafgaande zeven dagen van miluim, ter voorbereiding op de uiteindelijke oprichting van het Heiligdom, zoals is geschreven in, ibid, 8:33, : “ Jullie inauguratie zal zeven dagen duren”.  Tijdens deze zeven dagen werd het altaar ingewijd.

 De achtste dag daarentegen dient een ander doel, deze was voor de opdracht en inwijding van Aharon en zijn zonen. Waarom kreeg deze dag dan een naam die een continuatie impliceert van de vorige zeven?

 De Kli Yakar verklaart dat de intentie was, met de naam de uniekheid van de dag te doen uitkomen, “G’D zal zich aan jullie reveleren”. De achtste dag is gekenmerkt door een unieke  eigenschap van heiligheid, en zoals de Kli Yakar continueert:” Het cijfer zeven refereert altijd aan deze wereld, terwijl het cijfer acht refereert aan heiligheid.”

 Dit wordt weergegeven in het feit dat de mitzwa van de besnijdenis het verbod van verboden werk op Shabbat overschrijdt. De besnijdenis wordt geassocieerd met het cijfer acht en Shabbat met het cijfer zeven en “het spirituele gaat het fysieke vooraf”.

 TWEE NIVEAUS VAN HEILIGHEID

 De uitdrukking dat “zeven refereert aan deze wereld”, moet niet strikt in de letterlijke zin worden opgevat, want de zevende dag is eveneens heilig. Aangezien Shabbat een van de zeven dagen van de schepping is, deelt het een verbinding met de wereld. Het cijfer acht daarentegen gaat boven de schepping uit en is “gereserveerd voor Hem, gezegend zij Hij”. In vergelijking hiermee wordt zelfs Shabbat als werelds beschouwd.

 Een voorbeeld: Er zijn twee niveaus van Shabbat: Een niveau is geassocieerd met de zeven dagen van de Schepping. In verhouding tot de vorige zes dagen is deze heilig. Desondanks is haar heiligheid binnen de natuurlijke orde en wordt daarom naar beneden gebracht door de G’ddelijke dienst van het Joodse Volk, aan wie is opgedragen om “Shabbat te maken en te houden en te heiligen”.

 Een andere dimensie van Shabbat is haar rol als een microkosmos van de Era van Verlossing, die wordt beschreven als “de dag van volledige Shabbat en rust voor eeuwigheid.” Zoals eerder aangehaald, dit niveau kan niet worden neergehaald door onze G’ddelijke dienst, maar vereist G’ddelijk initiatief.

 In deze context citeren onze Wijzen in Shabbat 10b: G’D zeggende: “Ik heb een prachtig geschenk in Mijn schatkamer. Het is Shabbat genaamd”.

Want dit hoger niveau van de Shabbat, is een geschenk van Boven, een geschenk is niet een verworvenheid, maar afhankelijk van de schenkers vrijgevigheid. (Want wanneer een geschenk is gegeven als gevolg van iemands inspanning, is het iets dat is verworven).     

 DE OMER TELLING.

Parshat Shemini wordt meestal gelezen direct na Pesach, even na de aanvang van de zeven weken periode van de Omer telling. Wat is het verband tussen die twee? De Thora zegt over de Omer, “Je zult vijftig dagen tellen” (Leviticus 23:16). Maar in feite tellen we maar negen en veertig dagen. Waarom? In de zeven weken ontdoen we ons stap voor stap van de negen en veertig “poorten van onreinheid” en gaan door negen en veertig “poorten van inzicht”. De vijftigste, het ultieme niveau van inzicht, is boven ons. Pas wanneer we deze negen en veertig inspanningen hebben geleverd, kan het vijftigste tot ons komen als een gift van G`D. De zeven weken van de Omer zijn als de zeven dagen van inwijding. Zij vertegenwoordigt de spirituele verwerkelijking van de mens. De vijftigste dag van de Omer is als de achtste dag van het Heiligdom: het is de openbaring die van buitenaf bij ons binnendringt, het antwoord van G`D op ons streven. De vijftigste dag is Shawoeot, de dag dat de Thora geopenbaard werd op de Berg Sinai.

 SHABBAT SHALOM