PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

We moeten altijd uitgaan van de stelling, dat heel Israël wordt gezien als nèfèsh echad, één ziel, één levenskracht. Israël als geheel wordt aangehaald met de titel adam. Als geheugensteuntje voor dit feit dienen Ja’akov’s familieleden, zesenzestig in aantal, welke verhuisden van het land Kana’an naar Egypte in Genesis 46,26 en waar zij verwezen worden als nefesh, ziel, of persoon, in het enkelvoud. Juist zoals een lichaam 248 ledematen en organen heeft, bestaat het nationale Joodse lichaam, adam, eveneens uit een groot aantal delen.
De Zohar verwijst naar deze delen als sheeivà degoeva, spaanders of splinters van een lichaam.
Er zijn uiteraard importantiverschillen tussen de diverse delen van een regulier lichaam. Dit geldt eveneens in de beschrijving van de lichaamsdelen die de Joodse Natie vormen. Er is een hart, een oog, een hand, etc. Echter, juist zoals alle delen verenigt een heel lichaam vormen, vormen alle delen van de Joodse Natie een unit. De unit, gecreëerd door deze verschillende delen, verenigt en vormt vervolgens in zich, de markawa, voertuig, de spirituele tegenhanger van de terrestrische mens in de Celestische Regionen.
Deze celestische adam is verstandelijk waarneembaar als zittend op de troon welke één van de 248 spirituele ledematen en organen is dat de basis vormt van 248 positieve geboden, welke, indien uitgevoerd door de terrestrische mens, zijn ware bron van leven is “oeshmartem èt-choekotai we’èt- mishpatai asher ja’asèotaam ha’adam wachai bahem ani hashem” “Houden jullie je aan Mijn wetten en aan Mijn rechtsvoorschriften; de mens die deze nakomt zal er door leven”. (Leviticus 18,5)
Met als resultaat dat een persoon die zich separeert van de gemeenschap en een lifestyle nastreeft die niet acceptabel is aan 18,5, zich afzondert van het leven. Als een ledemaat zich losmaakt van zijn lichaam, zal hij sterven.
Dit is de betekenis van het opleggen van een chèrem, een ban, of excommunicatie. Z’n persoon is op weg naar chormah, vernietiging. (Deuteronomium 1,44)
Daarom is de numerieke waarde van het woord chèrem, 248. Israël’s essentiële voordeel over de andere volkeren is, dat het een samengesteld geheel vormt, een unit. Onze wijzen hebben dit duidelijk onderstreept toen zij het Shabbat Mincha, middaggebed, hebben samengesteld waarin zij benadrukken dat juist zoals G’D uniek is in Zijn één zijn, ook Israël uniek is in het zijn van één enkel unit als een volk.
Net zoals is gezegd van de Onuitsprekelijke Naam “G’D is ÉÉN en Zijn Naam is ÉÉN,” (Zacharia. 14,9) zo zijn Ja’akov en de twaalf stammen de parallel van de twaalf combinaties waarop de Onuitsprekelijke vierletter Naam van G’D kan worden geschreven. En de Zohar op parashat Wajeetsée verklaart: De verhouding tussen ‘Ja’akov en de twaalf stammen’ en ‘Josèf en de twaalf stammen’ is respectievelijk analoog aan de verhouding tussen “hashem èchad, G’D is ÉÉN” en “weshemo èchad, Zijn Naam is ÉÉN”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT WAJERA

En Hij verscheen   Genesis.18:1 – 22:24

Sodom en Gomorra belichamen de gevallen versie van het Licht van Tohoe

 En G’D liet het regenen over Sodom en over Gomorra, zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden en de gehele vlakte ten onder met alle bewoners van de steden en de vegetatie van de grond. (Genesis. 19:24)

“Zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden”…..: Alle steden van de vlakte gingen ten onder, maar alleen Sodom en Gomorra werden vernietigd met zwavel en vuur. De steden Admah en Tzvaim werden primair bestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D, terwijl Sodom en Gomorra primair werden gestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D en de mens, G’D vernietigde Sodom en Gomorra volkomen. De wereld van Tohoe werd vernietigd zodat de wereld van Tikkoen kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

In Kabbala, belichamen Sodom en Gomorra de gevallen versie van de Lichten van Tohoe, intens en afzonderlijk denkende G’ddelijke energieën die niet konden worden begrensd en vastgehouden en niet gelijktijdig konden bestaan. Dit  afzonderlijk denken wordt gereflecteerd in het egoïsme van Sodom. Dus Sodom en Gomorra moest geheel worden verwoest, net zoals de wereld van Tohoe was verwoest, zodat de wereld van Tikkoen, de wereld met minder intense Lichten en meer concrete vaten, kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

De ultieme ervaring is dan wanneer de oneindige lichten van Tohoe zijn opgenomen in de eindige vaten van Tikkoen. Dus wanneer Ezechiël profeteert (Ezechiël. 16:53) dat in het Messiaanse tijdperk deze steden zullen worden gerehabiliteerd, refereert hij ook aan de Lichten van Tohoe, die uiteindelijk zullen worden geïntegreerd in de vaten van Tikkoen.

Shabbat Shalom      

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

Dit Thoragedeelte bevat de positieve mitswa, gebod, dat mannen besneden moeten zijn.
De Thora zegt: “zot beritie asher tishmeroe bénie oewénéchem oewén zar acha acharècha himol lachèm kol-zachar” Dit is Mijn verbond met jullie en jullie nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: Besneden wordt bij jullie, al wat van het mannelijke geslacht is. (Genesis. 17,10) Dit gebod wordt herhaald in Parashat Tazria waar de Thora zegt: “oewajom hashminie jimol besar arlato” Op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ( Leviticus. 12,3 ) Veel geboden worden in Thora twee maal herhaald. Er is altijd een noodzakelijke reden voor, zoals onze wijzen hebben aangetoond.

Er zijn een aantal zeer diepe esoterische verklaringen op deze mitswa, vooral hoe de Thora de vervulling van deze opdracht relateert aan Israëls bezit van het Heilige Land. G’D zegt namelijk tot Abraham in vers 17,8, direct voor het gebod van de besnijdenis: “Ik geef jou en je nageslacht het land, waar je nu als vreemde vertoeft, het gehele land Kana’an, tot een eeuwig onvervreemdbaar bezit en Ik zal hun tot G’D zijn.”
Onze wijzen becommentariëren, dat G’D tegen Abraham zei: “Als je nakomelingen het gebod van de besnijdenis in acht nemen kunnen zij het Heilige Land binnentrekken; zoniet, kunnen zij het Land niet betreden.” (vergelijk Rashi op Jehoshoewa 5.4)
We zijn dus gewaar van het feit dat het Land van Israël vast verbonden is met de besnijdenis, relevant aan het vers in Het Schrift (Deuteronomium 32,9) kie chèlek HaShem amo ja’akov chèwel nachalato, Want het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed (het “toegemeten erfgoed” is het Land Israël). G’D nam ons vanuit alle andere volkeren, om G’D voor ons te zijn, Zijn volk. Hij gaf aan de andere zeventig naties hun respectievelijke talen en landen (zie 32,8), allen onder supervisie van de zeventig vertegenwoordigers van het Celestische Hof. Onze taal echter, is een heilig taal. Aan ons gaf Hij het Heilige Land, een land onder direct toezicht van G’D en niet van Zijn vertegenwoordigers.
Dit land is tegenover zijn tegenhanger gesitueerd in de Hemelse Sferen. Wij kunnen dit land niet claimen zonder eerst onze voorhuid te verwijderen, welke klipa, schil, (bron van kwade sensuele menselijke verlangens) representeert, het symbool van de serpentverontreiniging, de invloed van de sitra achra (letterlijk”de andere zijde” het tegenovergestelde van heiligheid en zuiverheid).
Als een jood zou falen in het in acht nemen van dit gebod, G’D verhoede, zou dit beschamend zijn voor het land. Alle studenten van Kabbala zijn zich bewust van eretz jisraël in de Hemels Regionen, m.a.w de sefirot jasod en machoed symboliseren esoterische verwantschap tussen Zion en het aardse Jeruzalem.
Zij zijn omgeven door klipot, bekend als aréliem, onbesneden mensen, aangezien de berg Zion en de berg Moria, de Tempelberg, zijn omgeven door de bergen van Ezau en zijn nakomeling Amalek. Zolang Izaak in leven was, namen Ezau’s nazaten de mitswa van de besnijdenis in acht, maar direct na zijn overlijden werd het reeds opgeheven. (Tanna de Bey Eliyahoe, Hf. 24)
Alle kwade mensen omgaven Jeruzalem, zoals is geschreven: “kol gojiem sewawoenie,” allerlei heidense naties omsingelden mij. (Psalm. 118,10)
Jeruzalem kan vergeleken worden met “Lelie onder de doornen” Koning Salomon’s beschrijving van Israël in Hooglied 2,2.

We kunnen ons de vraag stellen waarom de niet-Joodse volkeren, meer dan alle andere geboden , het gebod van besnijdenis hebben geweigerd.
Het is een glasheldere zaak, dat door het uitvoeren van deze handeling, er een duidelijke onderscheiding getrokken werd tussen Abraham [en later het Joodse Volk] en de rest van de mensheid.
Het thema die de verbinding vormt tussen de heiligheid van het Land Israël en het geven van het Land Israël aan Abraham en zijn nakomelingen, wordt in deze Thoralezing niet minder dan drie keer herhaald.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Noach             Genesis. 6:9 – 11:32

 Thora Ohr 11b, Rabbi Shneur Zalman

 “Laat ons naam maken.” (Genesis. 11:4)

De “Generatie van Verspreiding” wensten zich te laten leren door de Hogere Wereld zonder hun ego’s of begeerten in te tomen of te matigen. Hun plan was om lering te verkrijgen van de Naam Havayah ofschoon zij lering verdienden van de laagste niveaus van de Naam Elo-kiem. Zij wilden verder reiken dan de wet en orde wereld van Tikkoen naar de wereld van Akoediem. Daar waar de structuur van Tikkoen niet existeert.

Het vers: “Laat ons naam maken.kan nu als volgt worden geïnterpreteerd:

“Laat ons zelf een naam maken.”: Laat ons voortgaan met  de Naam Havayah.

“zodat we niet worden verspreid”: Opdat we de laagste niveaus van de Naam Elo- kiem verkrijgen.

Om deze eenheid en samenwerking te bereiken, plannen zij het bouwen van een toren. Zoals de middeleeuwse commentator Rabbi Avraham Ibn Ezra het uitlegt: zij waren herders die vaak ver van elkaar rondzwierven en deze hoge toren zou van uit de verte zichtbaar zijn, zodat zij ernaar konden terugkeren om bijeen te komen.

G’D kon daarom hun plan niet toestaan, aangezien zij inderdaad door eenheid in staat zouden zijn om G’ddelijke weldadigheid te verkrijgen van de Naam Havayah en het te kanaliseren in onzuiverheid. Vergelijkbaar met de geschiedenis van Adam, toen hij zich eenmaal in een negatieve staat had gebracht door het eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, kon G’D hem niet toestaan te eten van de Boom van het Leven om onsterfelijkheid te verkrijgen; zodoende duurt de negatieve energie voor eeuwig.

 SHABBAT SHALOM

SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WE

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

DE KABBALA VAN SOEKOT (LOOFHUTTENFEEST)

De details van de mysteries van Soekot vullen vele bladzijden in de geschriften van de Kabbalisten. Specifieke details tarten de vertaling vanwege de vele complicaties in het verklaren van de diepgaande Kabbalistische spirituele concepten. Nederlands en andere talen ontberen eenvoudig de juiste woorden die gebruikt kunnen worden om behoorlijk de esoterie van de Thora over te brengen.

De mysteries van het Soekotfeest kunnen worden gevonden in het woord Soeka zelf. Gespeld met de vier Hebreeuwse letters, net zoals de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ, bergt het woord Soeka in feite de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ in zich. De numerieke waarde van het woord Soeka (Samech, Vav, Kav, Hé) is 91. 91 is een heilig getal in Kabbala. De twee letters Kav en Vav in Soeka zijn numeriek gelijk aan 26. Dit is de numerieke waarde van  JOED-HÉ-VAV-HÉ waar deze Naam binnen het woord wordt verborgen. Wanneer 26 wordt afgetrokken van 91 blijft 65 over, een ander belangrijk kabbalistisch getal. 65 is de numerieke waarde van de heilige Naam Adonai. Dus samen bestaat het woord Soekot uit twee heilige Namen. Doch deze twee Namen zijn veel meer dan heilige woorden. Deze twee Namen delen een bijzondere en heilige verwantschap.

Adonai is de Naam die we aanwenden om G’D aan te spreken. JOED-HÉ-VAV-HÉ is de Naam zoals het is geschreven. JOED-HÉ-VAV-HÉ is in gedachten, Adonai is in spraak. Hierin ligt het mysterie. De heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ geeft het verborgen latente potentieel intrinsiek weer, terwijl de Naam Adonai een aspect van dat potentieel weergeeft. Wanneer gecombineerd, geven JOED-HÉ-VAV-HÉ en Adonai daarom de vereniging van het G’ddelijk potentieel en de manifestatie van dat potentieel weer.

In de sfeer van de sefirot, correspondeert de Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ met de zes sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod). Samen worden deze zes Zeir Anpin genoemd, Zeir Anpin, het “Kleine of Smalle Gezicht”. Zeir Anpin is het gezicht dat ongezien is in ons universum, toch is het de oorspong van alle dingen die hier gebeuren. Dit “Gezicht” van G’D is wat gezien wordt in de Hemelen. Het “Gezicht” van Zeir Anpin is gecentraliseerd op de sefira Tiferet, die het hemelse Hart en de bron is van de heilige geschreven Thora.

De naam Adonai daarentegen,  refereert aan de sefira Malchoet, de heilige Shechina. De Shechina wordt ook Noekva genoemd (het feminiene), de gezellin van Zeir Anpin. Het is door de Shechina/Malchoet dat Zeir Anpin hier in ons fysieke universum wordt gemanifesteerd. De Shechina is de levenskracht die tot alle vorm aspecten leidt in het fysieke universum. De Shechina is dat aspect van G’D dat aan alles dicteert wat het verondersteld is om te zijn. De Shechina is de onderliggende kracht van de natuurwetten. De Shechina creëert natuur, door als kanaal te dienen voor Zeir Anpin. Zodanig is Noekva de spreekwoordelijke gezellin van Zeir Anpin. De twee moeten in gepaste harmonie zijn omwille van de continuïteit van het universum. Zonder het -één zijn- van Zeir Anpin en Noekva zou ons fysieke universum terugkeren naar de koude primordiale soep, de leegte zonder enig leven en bewustzijn.

Zeir Anpin en Noekva moeten zich in een continue staat van -één zijn- bevinden om de hemelse overvloed van G’ddelijke energie te laten vloeien in ons universum. Leven is altijd vloeiend en vibrerend, zo ook de Thora. Zoals Zeir Anpin algemene vormen bepaalt van alles wat moet zijn zo voorziet Noekva de in details. Zoals het boven is, zo is het beneden. Dit is het mysterie van de geschreven en de mondelinge Thora. Zeir Anpin manifesteert de geschreven vorm van de Thora, geëtst en gegraveerd in de heilige letters. Noekva ademt in deze letters en geeft hen hun betekenis en parameters. Zoals allen die een Thoraleven leiden weten, is het onze mondelinge Thora die vorm en inhoud geeft aan de heilige geschreven Thora.  De twee tezamen zijn als man en vrouw, onvolledig zonder elkaar. Zoals het beneden is, zo is het boven.

In Kabbala refereert Zeir Anpin ook aan de Heilige, Geprezen zij Hij. Noekva/ Malchoet, zoals we zeiden, refereert aan G’D’s Shechina. De vereniging van Zeir Anpin en Noekva is dus een eenwording van de zeven sefirot die de Actief/ Gevende (masculien) en de Passief/Onvangende (feminien) grondbeginselen in de Schepping verenigt.

Hiernaar  wordt ook verwezen als de eenwording van de spirituele sferen van de Hemel en de fysieke sferen van de wereld. Hier in deze wereld wordt dit gemanifesteerd in de vorm van de eenwording van de geschreven en de mondelinge Thora. Dus de eenwording van de Heilige, Geprezen zij Hij en Zijn Shechina is de gehele zin van de Schepping en de reden waarom de mensheid en in het bijzonder het Joodse Volk de verplichting werd opgelegd om de mitzwot in acht te nemen. Dit diepgaande concept wordt scherpzinnig aan ons geopenbaard in de letters die het woord Soeka spellen. Dit universele concept van harmonie en continuïteit is de onderliggende “Gedachte van G’D” waanneer Hij ons opdraagt om zeven dagen in Soekot (loofhutten) te verblijven.

Het soekotfeest duurt zeven dagen. Deze zeven dagen corresponderen met de Sefirotische eenwording van de zes sefirot van Zeir Anpin en de Sefira Malchoet/Noekva. Deze zeven dagen verenigen de hemelse sefirot en stralen hun invloed op ons uit. Doch zoals met vele dingen in deze fysieke wereld, moet men op de juiste plaats en op de juiste tijd zijn om datgene te ontvangen wat ontvangen kan worden.

Moge G’D ons allen zegenen om te participeren in deze heilige mitzwot en deel te laten nemen in het teweegbrengen van de heilige Hemelse eenwording.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium. 32:1 – 32:52)

Rabbi Isaiah Horowitz

Shnei Loechot HaBriet

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “verborgene”, “sod“, is 70. Het verwijst naar de zeventig personen, welke de kern vormen van het Joodse Volk, die als eersten afdaalden naar Egypte. Omdat zij in het vers allen tezamen worden aangeduid als één enkel “persoon” (“Nefesh“), hebben zij allen aandeel in de Komende Wereld.

Het is bekend aan Kabbalisten dat de sefira van  bina de mystieke dimensie is van de Komende Wereld, een domein waar G’D en Zijn naam Één zijn en waar een verenigd Volk van Israël samen gehecht zijn aan Hem. Het is alleen het Joodse Volk waarnaar verwezen wordt met de titel “Adam” (“Mens”); bij beschrijving van het scheppen van Adam als G’D’s gelijkenis (Genesis. 1:26), simultaan verwijst de Thora naar het creëren van het Joodse Volk. Wanneer we de respectievelijke betekenis weergeven van de Hebreeuwse woorden “adam (“mens”) en “adama” (“aarde”), moeten wij beschouwen dat het de functie van deze “Adam” is om als voertuig, drager, of nog beter gezegd, als “adama” te dienen (m.a.w aardse manifestatie) van G’D’s Aanwezigheid.

G’D wordt gezien als zittend op een troon, deze troon staat op deze “adama“, m.a.w wordt ondersteund door Adam, het Joodse Volk.

Met als consequentie dat bij elk wangedrag van Israël in onze terrestriale sfeer, de “bodem” waarop de troon staat, wordt ondermijnd.

Op het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig, ken dan grootheid toe aan onze G’D” (Deuteronomium. 32:3) verklaart de Zohar (Sulam editie Ha-Azinoe P. 92):

Rabbi Abba verklaart het als volgt: De woorden “ken grootheid toe”refereert naar gedoela, of de sifira van chesed.
De woorden “De Rots, Zijn werk is volmaakt” (ibid. 32:4) zijn een verwijzing naar de sefira van gevoera. De woorden “want al Zijn wegen zijn Recht” (ibid) zijn een verwijzing naar de sefira van tiferet.
De woorden “Een betrouwbare G’D” (ibid) verwijzen naar de sefira vannetzach, aangezien de woorden “zonder onrecht” (ibid) verwijzen naar de sefira van hod.
De woorden “de Rechtvaardige” (ibid) verwijzen naar de sefira vanyasod, en de woorden “en eerlijk is Hij” verwijzen naar tzedek, een andere naam voor de sefira van malchoet.
Al deze uitdrukkingen tezamen combineren en vormen de naam van G’D. Om die rede zegt Mozes: “Ik zal de naam van G’D proclameren”.

Rabbi Chiya voegt er aan toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba heeft gezegd absoluut juist is. Het feit in ogenschouw nemend dat zo vele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen en kunnen denken in termen van een aantal verschillende machten. Om te voorkomen dat wij zulke fouten zullen maken, gebruikt de Thora kaarblijkbaar overbodige voornaamwoorden wanneer het schrijft “hoe” wat “Hij” betekent, aan het eind van vers vier. Dit voornaamwoord is om te accentueren, ondanks de verschillende eigenschappen, dat zij allen karakteristieken zijn van één en de zelfde G’D. Hij was, Hij is, en Hij zal er altijd zijn. Tot zover de Zohar.

De Thora continueert met het vers: “Tegen Hem misdreven hebben zij [corruptie is niet één van de eigenschapen van G’D], een verkeerd en verdraaid geslacht, in het verderf gestort, zodat ze niet meer Zijn kinderen zijn.” De Thora verklaart hoe Israël bevlekt raakt, juist omdat zij G’D zijn en G’D hen lief heeft. Het enige wat Hij in gedachte heeft is hun welzijn en de behoefte om Zijn goedheid aan hen te tonen, maar Hij wordt weerhouden door krom en afwijkend gedrag van een bepaalde generatie.

Resumerend, telkens wanneer Israël zichzelf gedraagt overeenkomstig de mitswot van G’D, voegen zij kracht en glorie toe aan Zijn gestalte in de Celestische Regionen.

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen omteshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.

“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon directbeïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.

Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, m.a.w deze wereld. (Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6)

SHABBAT SHALOM

VERBORGEN WAARHEDEN OVER JOM KIPPOER

Op Rosh HaShana, gaat de wereld door een natuurlijk kosmisch energie veld dat een invloed uitoefent om een reeds bestaande staat van evenwicht in de menselijke psyche te herstellen. Waar we staan als individu in relatie tot onze oorspronkelijke hogere menselijke staat, definieert voor ons het type van aanpassing waaraan elk van ons zal worden onderworpen. Deze cyclus is mechanisch en natuurlijk verordineerd door de Schepper als een inherent middel om gerechtigheid te doen doordringen in de wereld, die lijkt te ontbreken. In wezen is elk van ons aanzienlijk uit de pas met ons innerlijke hogere zelf, daarom kan de hoeveelheid van ons opnieuw in evenwicht brengen, waaraan we onderhevig zijn, tamelijk intens zijn. Het feit dat dit systeem werkt op eigen initiatief, wekt de indruk dat het eerder deterministisch is, dat we er niets aan kunnen doen. Waarneer we eenmaal het specifieke punt in ruimte en tijd hebben gepasseerd, vallen we dus onder de invloed van het veld waar we doorheen gaan.

Gedurende een lange periode in de menselijke historie, was deze cyclus inderdaad absoluut deterministisch. Echter hogere krachten intervenieerden in de menselijke historie en gaven ons de Thora. Door de Thora reveleren we aan onszelf het gepaste pad van heraanpassing aan ons hogere zelf door het vrijmaken van krachtige vermogens van Denken die diep in ons wonen.

Op Rosh HaShana blazen we de Shofar om ons innerlijke zelf duidelijk te maken dat het moet ontwaken. De volgende tien dagen eindigend met Jom Kippoer vormen het proces van de psychische/ psychologische bewustwording.

Om de verborgen krachten van Jom Kippoer op de juiste wijze te kunnen begrijpen, moeten we als het ware vorsen in de derde dimensie. Zoals we allen weten existeren we in een tijd- ruimte continuüm. Deze twee dimensies definiëren voor ons de natuurlijke wereld. Maar er is ook een derde natuurlijke dimensie, in overeenstemming met het G’ddelijk ontwerp, echter overeenkomstig onze huidige menselijke limitaties wordt dit vaak verkeerd begrepen en gezien als zijnde bovennatuurlijk. Ik heb het over de derde dimensie van de menselijke geestelijke Ziel die transdimensionaal bewustzijn bevat. Ondanks al deze abstracte concepten spreek ik eigenlijk over iets heel eenvoudigs. Tijd, ruimte en ziel werken allen op elkaar in, deze drie samen zijn de drie dimensies van het universum. De ziel is de hoogste van deze dimensies en heeft het vermogen om de andere twee te vervangen.

Maar het vermogen van de ziel kan alleen zijn natuurlijke invloed over tijd/ruimte uitoefenen, wanneer het een geheel is en volledige controle heeft over zijn geestvermogens. Wij menselijke wezens verloren de beheersing over ons denken met wat we noemen “de val van de mens” in Eden. Dit leidde naar de splitsing die we vandaag het natuurlijke en het bovennatuurlijke noemen, het bewuste en het onbewuste van de ziel.

Vandaag in onze huidige gemoedstoestand volgt alles de natuurlijke orde, tenzij anders verordent door een bovennatuurlijke kracht. Dit is zowel een spirituele als psychologische waarheid. De Thora kwam in deze wereld afkomstig van z’n Hogere Kracht, een kracht verder dan tijd, ruimte en menselijk verstand. Goed kennend onze ondergeschiktheid aan de natuurlijke orde [hoe actueel], aan die krachten die kunnen doden en vernietigen, injecteert de Hogere Kracht in de natuurlijke orde een bovennatuurlijke procedure die, wanneer die op een gepaste wijze in acht wordt genomen, de sterveling de gelegenheid geeft om tijdelijk boven zijn sterfelijkheid uit te reiken.

Verzoening betekent een terugkeer naar evenwicht. Onevenwichtigheid wordt gecreëerd door het lichtzinnige oppervlakkige en dwaze gedrag van mensen. Wanneer we ongepast handelen doen we meer dan alleen onnatuurlijk handelen, we veroorzaken in feite dat de stroom van natuurlijke energie omkeert en op een onnatuurlijke wijze vloeit. Wanneer energie vloeit op een onnatuurlijke wijze, resulteert dit in het creëren van onnatuurlijke gevolgen. Dit is de oorzaak van calamiteiten en leed in het leven.

Gebruikmakend van Thora symboliek, de natuurlijke orde van het universum werd gecreëerd en continu gehandhaafd door de Heilige Naam Elokiem. In de Thora numerologie, gematria, is deze Naam gelijk aan de waarde van 86, die de zelfde waarde heeft als het woord, HaTeva, wat “natuur”betekent. Elokiem is het onpersoonlijke “uiterlijke” Gezicht of de expressie van G’ddelijk vermogen die de dominante kracht van leven is in ons natuurlijk fysiek en eindig universum.

De Thora bespreekt de Schepping door te zeggen dat Elokiem de Hemelen en de Aarde schiep. De specifieke keuze van heilige Namen die hier gebruikt worden in het Scheppingsverhaal leert ons dat alles, zowel onze fysieke en  parallel hiermee de niet fysieke dimensies in existentie zijn gebracht volgens het domein, kracht en vermogen van wat we natuur wet kunnen noemen, een wet die werkt onder zeer nauwkeurige en strikte condities. Pas later in het Scheppingsverhaal wordt de Heilige Naam van Joed Ké Vav Ké geïntroduceerd.

Deze naam is ook een symbool voor verschillende aspecten van G’ddelijke energie, een die inwerkt met tijd en ruimte gebaseerd op het derde hogere principe van de ziel. Uiteindelijk werkt het universum automatisch overeenkomstig zijn vooraf gevormde ontwerp. Dit wordt alleen veranderd, gewijzigd of beïnvloed als bewustzijn van allerlei intervenieert.

Het Verstand van de G’ddelijke Observator doordringt ruimte, tijd en alleen door een daad van Wil kan de wijze waarop ruimte en tijd werkt en functioneert wijzigen. Deze invloed is totaal buiten de normale operationele parameter van het ruimte en tijd mechanisme. Het is daarom boven wat we noemen de wetten van de natuur. Het is een willekeurig element, niet onderhevig aan natuurlijke wetten, zoals wij die kennen. Dit willekeurige element kan niet worden getoetst, proefondervindelijk worden onderzocht of zelfs worden begrepen met ons huidig gelimiteerd niveau van menselijke intelligentie. Het willekeurig element dat we Hoger of G’ddelijk bewustzijn kunnen noemen, is een Denkproces ver boven alles wat we heden te dage begrijpen binnen de context van onze gelimiteerde moderne wetenschap. Toch is het dit willekeurig element van Hogere Intelligentie dat intervenieert op een duidelijk regelmatige basis op talrijke wijzen, waar te nemen of niet, dat leidt tot situaties en omstandigheden buiten de normen van de natuur wet.

Vanuit menselijk perspectief lijken deze interventies vaak bovennatuurlijk, wat al dan niet zo is. Maar bijna altijd verwijzen we er naar als mirakels. Wat we nog steeds niet begrijpen is, dat zelfs deze mirakels een methodische basis hebben. Mirakels zijn niets anders dan een Hogere Bewustzijn interveniërend in ruimte en tijd.

Ons ontstaan kwam van een Unieke Eenheid en onze continuerende existentie is niets anders dan een constante expressie van deze Unieke Eenheid. De Unieke Eenheid verwoordt en handhaaft natuur wetten voor het dagelijks runnen van Zijn project, ons universum. Echter Het intervenieert welke taak Het kiest uit te voeren, wanneer Het kiest en hoe Het kiest. Het is niet onderhevig aan onze wetten, omdat Het Zelf deze wetten heeft gemaakt en er per definitie boven staat. Het kan deze wetten bewerken, overtreden, versterken of die wetten afschaffen.

De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid werkt in Elokiem. Elokiem is Zijn “Gezicht”, maar diep binnenin is een ander schema, een schema dat voor ons willekeurig is, geïnteresseerd in hogere waarden dan de parameters van natuurlijke ruimte en tijd. De hogere waarden belangrijk voor de De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid zijn kenbaar in ons universum als kleine aspecten van ons zelf. Deze kleine vonken verstandelijke intelligentie zijn individuele monaden, ondeelbare entiteiten van bewustwording. Elk van hen wordt een ziel genoemd. Gevormd naar het Beeld van hun oorsprong, elke monade van bewuste intelligentie draagt in zich een vorm, een gezicht of lichaam. Dit lichaam zelf existerend in ruimte tijd, is onderhevig aan zijn wetten. Echter de monade zelf is van een hogere sfeer, een andere dimensie. Daarom is het onderhevig aan de hogere wetten van de Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid.

De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid in het Gezicht van Elokiem is wat we noemen Joed Ké Vav Ké. Het is het diepere Hogere Gezicht van het G’ddelijke, die de Vader van de menselijke ziel is, juist zoals de Wereld de moeder van de menselijke fysieke vorm is. Juist zoals er dualiteit uitgedrukt wordt in de Unieke Eenheid, zo ook leven wij mensen overeenkomstig in  dualistische realiteiten die we het fysieke en het spirituele noemen. Alleen is er niet echt iets spiritueels aan spiritualiteit, want in werkelijkheid is wat wij spiritualiteit noemen in feite gewoonweg een ander deel van ons bewustzijn, het diepste gedeelte van onze ziel. Het is zo diepgaand dat we vaak zijn realiteit niet kunnen doorgronden, laat staan zijn bestaan, om die reden is dit deel van onszelf gewoonlijk totaal onbekend. In de wetenschap of psychologie noemen we dit deel van ons zelf ons onderbewuste. Het is realiteit, het existeert en het beheerst alles wat we zijn en wat ons overkomt, alleen zijn we ons totaal niet bewust van de aanwezigheid en invloed.

Ons individuele onderbewustzijn is onze verbinding met Joed Ké Vav Ké en zorgt er voor om menselijk te zijn, ondanks het feit dat natuur wetten ons aanmoedigen om niet anders te handelen dan dieren. Anders dan de leden van het dierlijke koninkrijk horen de mensen, diegenen die steeds de verbinding handhaven, de innerlijke stem spreken in wat we geweten noemen. Deze stem herinnert ons aan wie we zijn en stelt ons in staat het Joed Ké Vav Ké aspect in ons tot uitdrukking te brengen, aldus het individu emanciperend van strenge onderhevigheid aan de natuur wet.

Wanneer het gezicht van Joed Ké Vav Ké wordt ontsluierd, kan het het Gezicht van Elokiem terzijde schuiven door volkomen zuivere Wil of Verlangen. Dus grote revelatie in Thora is, dat Joed Ké Vav Ké Elokiem is, de Eeuwige is onze G’D. Het lijkt een eenvoudige verklaring van tribale religie en religieuze competitie, maar dit is alleen maar een mythe. Wanneer de Thora spreekt over de eenwording van Joed Ké Vav Ké en Elokiem, heeft ze het niet over individuele goden of zoiets, het spreekt over de integratie van de ziel over materie, van het Uitzonderlijke en het onafhankelijk handelende Willekeurig Element. Dus de grote revelatie van de Thora is het verheven bewustzijngevoel over de heerschappij van limitaties (zoals kenbaar door ruimte/tijd natuur wet  parameters). “Joed Ké Vav Ké is Elokiem” wanneer Hoger Bewustzijn de natuur wet overschrijd en ruimte/tijd werkt in overeenstemming met zijn Willekeurig Element. Dit verklaart het ontstaan van iets wat verzoening wordt genoemd en een uitzonderlijke dag waarop dit zal plaatsvinden, Jom Kippoer.

De Thora is een revelatie en een gift van Joed Ké Vav Ké. Het is gegeven aan  Israël om de Hemel te dienen ten behoeve van de mensheid. Israël, zoals de Thora stelt, handelt als een priesterschap of intermediair tussen de Hemel boven en de wereld beneden. Door het in acht nemen van Thora en mitzwot, verheft Israël haar collectieve bewustzijn, om de taak te vervullen als een “licht voor de volkeren”. Israël werd gekozen om een zware last te dragen en te onthullen. De historie documenteert Israëls talrijke collectieve tekortkomingen in het uivoeren van haar taak, terwijl de historie niet altijd verslag doet van haar talrijke successen. Dienend als een intermediair is Israël verantwoordelijk voor het uitvoeren van specifieke rituele opdrachten [mitzwot], dat heeft zowel een oer effect op hen zelf als op het collectieve onbewuste van de wereld. De specifieke rituelen van Jom Kippoer illustreren dit.

Verzoening betekent één worden in de juiste verhouding met de Hemel. Het betekent zich opnieuw richten, opstellen in een kostbaar evenwicht van subtiele energieën die bestaan tussen de lifeforce, noodzakelijk voor alle dingen in deze wereld en zijn oorsprong, de bron erbuiten.

GMAR CHATIMA TOVA

MOGEN U EN JULLIE DIERBAREN EN HEEL HET HUIS ISRAËL WORDEN VERZEGELD IN HASHEMS BOEK VAN HET LEVEN VOOR EEN GOED, ZOET EN GEZEGEND JAAR

Juda Groenteman