PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt     Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Werken met de realiteit

Via het Land Israël zelf, verbinden we meer direct met G’D.

En wanneer je dan in het Land dat G’D, je G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen,

De uitdrukking “En wanneer je dan…..” is een van vreugde. (Midrash Berehiet Rabba 42)

Het begrip van “komen in het land” verwijst naar de neerdaling van de ziel in het lichaam. Deze neerdaling is nogal drastisch, in de zin dat de ziel haar spirituele verblijfplaats verlaat en zichzelf terug vindt in een uitdagende overweldigende omgeving van regelementen en wetten die G’ddelijkheid verhuld.Nochtans is deze neerdaling uiteindelijk een vreugdevolle gebeurtenis, een “die G’D”, je G’D, je geeft, omdat het ware doel van de neerdaling het omhooggaan, het oprijzen brengt. (Likoeté Sichot, vol. 9, p. 357)

moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het Land dat G’D, je G’D, je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.  (Deuteronomium. 26:1-2)

Het woord voor “land”, Hebreeuws “eretz”, is verwant aan het woord voor “wil”, Hebreeuws “radzon”  dienaangaande zet de Baal Shem Tov dit vers uiteen als volgt:

 “Wanneer je in het Land gekomen bent….” Wanneer je er in slaagt om je wil op een lijn te brengen met de wil van G’D…

 “…dat G’D je geeft als erfgoed”: dit is een G’ddelijke gift, een ingeboren bevoegdheid, gegeven door G’D aan iedere Jood…

“…in bezit genomen zult hebben” is jouw missie, als een opdracht om dit te integreren in je dagelijkse leven, zodat jouw wil wordt vervangen door G’D’s Wil, niet om je te scheiden van de realiteit, maar veeleer om te werken binnen de werkelijkheid om het te rectificeren.

“….moet je van het eerste van alle vruchten…. en die in een mand doen….”: Met andere woorden, je moet garanderen dat je verhoogt bewustzijn  (in Kabbalistische terminologie: (“Licht”) wordt gekleed in de gepaste wijze van expressie: (“vat”).

 “….dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen…”: Wees gewaar dat als je reist van plaats naar plaats, je dit niet doet op eigen kracht maar het veeleer de G’ddelijke Voorzienigheid is die je bewegingen arrangeertomdat waar G’ddelijke Voorzienigheid je heen leidt je G’ddelijk bewustzijn verspreidt.

 

 De connectie tussen geïntegreerde G’ddelijke inspiratie in het dagelijks leven en gewaar zijn dat onze voetstappen worden geleid door G’D is die van  waarlijk onze G’ddelijke inspiratie hebben geïntegreerde in ons het dagelijks leven.  Waar we  dan ook gaan, zullen we noodzakelijker wijs ( ipso facto) bewustzijn van G’D verspreiden.

In de terminologie van Kabbala: het feit dat ons wordt opgedragen om de gekozen vruchten van de gekozen plaatsen in het Heilige Land te brengen verwijzen naar G’D’s wens dat we het hoogst gekozen Licht kenbaar maken in de vaten. Maar het hoogste Licht is oneindig en kan niet worden bevat (met andere woorden, worden uitgedrukt) in vaten. Hoe is dit dan mogelijk? Alleen door het vermogen op te roepen van G’D’s essentie, welke de definitie  van “eindig en “oneindig” overtreft en waar alles mogelijk is.

Dit wordt aangegeven in de frase “….  en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.”

Alleen G’D’s essentie heeft de mogelijkheid van ware vrije keuze, alleen G’D Zelf kan zo iets doen.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uittrekt

Deuteronomium. 21:10 – 25:19

RABBI SHIMON bar JOCHAI

De Thora van een Verenigde Wereld

Zohar, Raya MeHemna,p. 276a

Hoe betreurenswaardig zijn degenen die alleen het stro eten in plaats van het werkelijke fruit van de Thora en de innerlijke diepe aspecten van de Thora niet begrijpen. Zij leren alleen simpele verhalen zoals ze zijn geschreven en de logische conclusies die daarmee zijn verbonden. Zij leren de verhalen als strikte regels. Maar de verhalen zijn als stro en de beperkingen zijn als graan [in het Hebreeuws, “chitah’]. Het “chet” deel van het woord [“chitah”] betekent “zonde” [in Hebreeuws, “chet’] en de hei aan het eind van het woord [“chitah”] is een letter van de wereld van waarheid.
Graan was het fruit van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, van welk Adam en Chava hadden gegeten in de Tuin van Eden. Dus graan is een mengeling van Goed en Kwaad, kaf en koren, zonde en heiligheid worden gereflecteerd in de letters van de naam ervan. De spirituele oorsprong van redenering en logische gevolgtrekkingen is van deze mengeling van goed en kwaad, welke verklaart dat het toepassen van logica alleen om de Thora te begrijpen is, als het eten van stro, in plaats van behoorlijk voedsel.
Nu is het niet gebruikelijk voor een Koning of Koningin om te rijden op een ezel [in het Hebreeuws “chamor” welke de zelfde stam heeft als het woord “choemrot”, met de betekenis “strikte regels”]. Majesteit rijdt op een paard zoals is geschreven, “U reed op Uw paarden, Uw rijtuigen van verlossing” (Habakkoek 3:8). Men kleineert niet een Koningin door haar op een ezel te plaatsen en zeker niet de Koning zelf. Het is het meer gepast voor de dienaar van de Koning om een ezel te berijden.
Het fysieke wordt in het Hebreeuws “chomrioet” genoemd, welke geassocieerd is met het woord “chamor” “ezel”.
Om die reden is geschreven over de Mashiach dat hij ” bekleed is met rechtvaardigheid en zege en nederig op een ezel rijdt” (Zacharia 9:9). Het woord “nederig” [in het Hebreeuws, “oni”] in dat vers wordt gespeld met ayin noen joed en is een acroniem voor de drie traktaten van de Talmoed welke de strikte voorschriften Eroeviem, Nidah, en Yevamot …behandelt.
In esoterische sferen, representeren deze traktaten de controle van de fysieke realiteit zoals die is gegeven aan de engelachtige krachten onder supervisie van de toegewijde dienaar van de Koning, de engel Metatron. De opdrachten van de Koning worden gedelegeerd naar deze engel om ze uit te voeren of om aan anderen verder te leiden. Hij representeert de spirituele krachten die de fysieke wereld beïnvloeden. Totdat de dienaar [Metatron] zijn opdracht vervult, wordt Hij niet Koning genoemd. Het hogere spirituele niveau wordt alleen gereveleerd wanneer er eenheid is tussen het spirituele en het fysieke, tussen de Koning en de Gemeenschap van Israël, dan rijdt hij op zijn paard.
[Hij wordt niet “Koning” genoemd voordat Hij op zijn paard rijdt, welke de Gemeenschap van Israël is. Wanneer de Koning buiten zijn residentie is, niet verenigt met Zijn Koningin [ Israël], is Hij niet volledig Majesteit. In de toekomst, wanneer Hij terugkeert naar Zijn residentie, “zal de Eeuwige, Koning zijn over heel de aarde; op die dag is de Eeuwige Één en Zijn Naam is Één” (Zacharia, 14:9). Heel Israël wordt “de zonen van de Koning” genoemd. Hun verhouding is als vader en zoon, maar alleen als de zonen van de Koning terugkeren naar het Land van Israël en daarmee hun opdracht vervullen. Wanneer zij terugkeren naar het Land Israël, zal de volle majesteit van hun verhouding worden gereveleerd.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters     Deuteronomium. 16:18 – 21:9

Poorten van Ons Leven

Soms schijnt het dat de mitzwot in de Thora niet meer relevant zijn in deze tijd. Hoe worden wij verondersteld te relateren aan dit gegeven? Wanneer het Thoragedeelte spreekt over de Tempel, of over de verdeling van het Land Israël, of (zoals in het Thoragedeelte van deze week) het benoemen van rechters en rechtsdienaren in elke gemeente en stad, wat worden wij dan verondersteld te doen? De Lubavitcher Rebbe verklaart dat aangezien de Thora G’D’s Wil en Wijsheid is, het een eeuwig document is en daarom relateert aan elke tijd en plaats. We kunnen in elke mitzwa leerstof vinden die geschikt is voor ieder persoon.

De Talmoed zegt dat elk persoon een kleine wereld is. Als zodanig zijn er parallellen tussen ieder van ons en de wereld in het algemeen. Net zoals de wereld steden en gemeenten hebben die het middelpunt van leven en voortbrenging zijn, zo ook heeft elk individu centrale en voortbrengende aspecten in zijn leven. Deze zijn onze gedachten, spraak en handelingen.

We leven in opwindende tijden, waarin zelfs de media de wereld beschrijven als een “global village”, en waar de samenleving constant beproeft wordt  door het wegvallen van alledaagse grenzen. Desondanks, in het gunstigste geval, moet elke gemeente en stad een poort hebben. Een poort dient zowel als een ingang en als een uitgang en, zo nodig, kan die worden gesloten om ongewenst verkeer te stoppen. Evenzo, wanneer iemand positief wenst te denken, behulpzaam of goedhartig wil praten, of een mitzwa doen, dan moet hij zijn poorten wijd openen. Hij kan ook, wanneer de impuls tot denken, spreken of handelen op een negatieve wijze wordt benaderd, de poort sluiten.

Wat zijn onze poorten? Zij zijn onze ogen, die lezen wat de Thora zegt en ons daarom informeert op de juiste manier te handelen; onze oren waarmee we luisteren wat onze leraren zeggen; onze neuzen die een zuivere en heilige atmosfeer ruiken en daardoor aanvoelen, ingegeven met echt Judaïsme; en onze monden waarmee we alleen kosher voedsel eten en drinken en gepaste woorden spreken.

Het openingsvers van de Thoralezing van deze week spreekt over het benoemen van rechters en rechtsdienaren. Wie is de rechter die kan beslissen wanneer de poort geopend en gesloten wordt? Ons intellect. Wie zijn de rechtsdienaren die de orde bewaren? Dit is onze wilskracht om de uitspraak van de rechter te vervullen. Een eenvoudig voorbeeld van dit proces is voedsel. Het verlangen om iets te eten is alleen het eerste begin. Eerst moeten we beslissen of het voedsel kosher is. Zelf als dat zo is, moeten we andere factoren overwegen, “Is het voor mij toegestaan om nu zuivelproducten te eten, of heb ik zojuist vlees gegeten?” en “Is het werkelijk nodig dit te eten?”etc. Zelfs als is besloten dat het is toegestaan, moeten we nog steeds beslissen welke zegen we moeten reciteren. Wanneer en hoe we de poort moeten openen is een keuze die de Almachtige aan ons heeft gegeven om onze zielen en lichamen te leiden in de juiste richting.

Het bijkomende geschenk van de wekelijkse parasha is het eigen maken en toevoegen van ontvankelijkheid  om de wereld en onszelf te zien in de weg die de Thora beschrijft. Wanneer we dat doen, zien we dat er grote vreugde is zowel in deze wereld als in de hogere spirituele sferen. Er is een andere parallel tussen de wereld en de menselijke microkosmos: de kleine wereld die ieders eigen realiteit is, is verbonden met de ware realiteit die alleen gezien kan worden achter de façade van de fysieke wereld waarin we leven. Wanneer we op een gelaagde manier ons intellect en doorzettingsvermogen gebruiken om onze poorten te beheersen, openen we de poort naar een buitengewone mogelijkheid voor de Almachtige om de toekomstige rechters van het Sanhedrin, de Grote Vergadering, te benoemen, die de bouw van de Derde Heilige Tempel zullen begeleiden; het Sanhedrin is de rabbijnse autoriteit die de uiteindelijke echtheid van de Thora zal onderwijzen en ons het essentiële gepaste perspectief zal geven hoe te relateren aan de wereld, een bekwaamheid die wij missen tijdens de periode van verbanning. Dit kan alleen plaatsvinden door onze inspanning nu.

Hoe verhoudt zich dat tot de maand Elloel, die deze week begint? Elloel is de poort naar Tishré, de maand van de Hoge Feestdagen, wanneer we worden beoordeeld voor onze handelingen van het afgelopen jaar en wat we zullen ontvangen in het komende jaar. Hoe we nu met onze tijd omgaan heeft een invloed op hoe onze gebeden geaccepteerd zullen worden in de maand die zal komen. Net zoals we met ons intellect en doorzettingsvermogen nu grote impact creëren in de onmiddellijke toekomst, zo ook zal onze inspanning bewerkstelligen dat de ware en complete verlossing die door Mashiach zal plaatsvinden, dichtbij wordt gebracht.

Vanaf het begin van de maand Elloel is het al toepasselijk om elkaar een goed en zoet jaar te wensen.

SHABBAT SHALOM  (EN GELUKKIG NIEUW JAAR)   

ROSH CHODESH ELLOEL

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, waarin de dertien eigenschappen van G’ddelijke barmhartigheid uitstralen. Dit is de maand van medelijden, waarin de poorten van G’ddelijkheid geopend zijn voor al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G’D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig teshoewa doet over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet en waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot, eerlijke en zorgvuldige studie van Thora en tefilla en zich eigen maakt aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke wordt aangegeven in de Thora als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tishri de eerste van alle maanden, vandaar dat Elloel de laatste maand is.

De naam Elloel werd aangenomen, zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard: “de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh HaShana (de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners), is het daarom de maand van teshoewa en het reciteren van Selichot, de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G’D en Israël. Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis, G’D was verzoenend naar hem en zei:” Hou uit twee Tafelen van steen, zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tishri. Op de tiende Tishri bracht hij het tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties, als dagen van teshoewa en vergiffenis. Hoewel teshoewa altijd wordt geaccepteerd, zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor teshoewa en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terugkeer van Goddelijke meegaandheid.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke Selichot ( gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en sommigen beginnen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkanasize rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh HaShana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh HaShana . Daarom, als Rosh HaShana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint de recitatie van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh HaShana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed): Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Thora , maar vinden hun oorsprong in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinaï besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog had begeven; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël’s teshoewa na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stel stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar bekentenis van teshoewa. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje’s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: “Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren??” (Amos 3).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( RamBam, Maimonides).

Op erev Rosh HaShana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh HaShana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora.

SELICHOT

De essentie van de Selichot gebeden is , het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid ” welke zijn weergegeven in het vers:
EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G’D, barmhartig, en genadig, lankmoedig, vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Shemot 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondebelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt: ” als het vers niet geschreven zou zijn, was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een shliach tsiboer ( voorganger ) en hem leert de orde van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem: “Telkens als Israël zondigt, laten zij houden aan deze orde van gebed en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt, hoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G’D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid: “Waarom heeft u mij verloochend?”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht, minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige teshoewa doet.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad: verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld: HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn begaan.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal degenen zuiveren die teshoewa doen, maar niet degenen die verzuimen om teshoewa te doen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

DEFINITIE VAN HET CONCEPT TESHOEWA

Teshoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen teshoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Teshoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept teshoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Teshoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Teshoewa betekent teruggaan naar je G’ddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die G’ddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddik, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G’D en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen teshoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G’D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G’D, kan altijd terug keren, omdat teshoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

 

PARASHAT RE’ÉE

Zie      Deuteronomium. 11:26 – 16:17

 Rabbi Jitzschak Luria

 Geschriften van de Ari

 In de Thoralezing van deze week wordt ons gezegd: “Breng het Pesach offer aan de Eeuwige, je G’D…zodat je de dag zult gedenken dat je uit het Land Egypte ging alle dagen van je leven.” (Deuteronomium. 16:3)

De reden dat ons wordt opdragen om de Exodus van Egypte te gedenken, in tegenstelling tot alle andere verbanningen (met andere woorden, Babylonie, Media en Griekenland) is als volgt

 Er is een vierde verbanning, Rome, maar we beschouwen het alsof we ons nog altijd in deze verbanning bevinden, Er kan dus niet van ons verondersteld worden dat we de verlossing er van moeten gedenken.

Het is bekend dat Egypte meer ontheiligd was dan ieder ander land buiten het Land Israel en staat daarom bekend als “de naaktheid van de wereld”.

 De term “naaktheid” (in het Hebreeuws, “erva“) wordt in de Thora aangewend als referentie naar de seksuele organen en het “onthullen van iemands naaktheid” is een eufemisme voor het aangaan van een seksuele relatie met die persoon.

 Het idioom “naaktheid van het land” zoals in de Thora gebruikt in Genesis 42:9-12, betekent “het onbeschutte, kwetsbare deel van het land” waardoor het kan worden veroverd, met andere woorden, het binnendringen en ontheiligen door een binnenvallend leger. Ondanks de algemene betekenis, wordt de term treffend gebruikt alleen met betrekking tot Egypte.

 In de Rabbijnse literatuur wordt dit idioom specifiek geassocieerd met Egypte dat gezien wordt als de meest gedegenereerde en ontaarde civilisatie in de wereld met betrekking tot seksuele losbandigheid en wellust.

 De Goddelijke Aanwezigheid ging in verbanning met de Joden toen zij in Egypte verbleven, zoals staat geschreven: “Ik zal neerdalen met jullie in Egypte.” (Genesis. 46:4) Het is bekend wat is geschreven in de Zohar II:37b, namelijk, dat de Egyptenaren gebruik maakten van verschillende typen van bezweringformules en magie, die zij verkregen door de krachten van onzuiverheid te manipuleren, om de Joden te onderwerpen zodat zelfs een enkele slaaf geen kans had om van daaraan te ontsnappen.

 Het is eveneens bekend  wat we hebben verklaard betreffende de betekenis van de verbanning van de G’ddelijke Aanwezigheid, dat de uiteindelijke reden voor deze [verbanning] was vanwege Adams primordiale verandering van status, de vermenging van goed en kwaad waardoor alle zielen van de sfeer van heiligheid geconfronteerd werden met de sfeer van kwaad. Zij bleven machteloos om zich ervan te bevrijden, behalve met de hulp van G’D’s barmhartigheid. Hij voelt hun leed en pijn aangezien Zijn Aanwezigheid, ook in verbanning, in de sfeer van kwaad, het Joodse Volk vergezeld. Wanneer G’ddelijke Aanwezigheid [met hen] hun plaats binnengaan, verzameld G’ddelijke Aanwezigheid deze zielen van daar.

 De G’ddelijke Aanwezigheid volgt het Joodse Volk in verbanning om hen daar uit te bevrijden.

 Er zijn zeventig aspecten van kwaad, corresponderend met de zeventig niet joodse volkeren en de Joden moeten worden verbannen door deze zeventig niet joodse volkeren teneinde alle zielen te verzamelen. Wanneer zij deze verzameling van alle zielen onder de zeventig volkeren hebben beëindigd, het tijdstip wanneer ” voet raakt voet” zal zijn, genoemd in de Zohar II:258a, en dan zal het vers, “Dood zal voor eeuwig worden verzwolgen” (Jesaja, 25:8) worden vervuld.

 Elk volk of civilisatie/cultuur representeert een andere perversie van de waarheid van de Thora, hetzij gedeeltelijk of geheel. De Joden, de dragers van de G’ddelijke boodschap, moeten al deze perversies doortrekken om te rectificeren in het licht van de waarheid (in de vorm van de Thora).Dit rectificatieproces kan direct gebeuren, als de Joden worden erkend als de dragers van het G’ddelijk Licht aan een cultuur die welwillend tegen hen aankijkt voor advies en begeleiding of zoals gewoonlijk het geval was, indirect, als ideeën en concepten van de Thora “uitlekken” in de gastcultuur via contact met Joden.

 De “voet” is het laagste deel van het “lichaam” van de “mens van het kwaad” en de “mens van Heiligheid”. Dat is de laagste, meest ontaarde (en daarom de meeste krachtvolle) vorm van kwaad en de laagste en zwakste manifestatie van heiligheid. De verbanning van het Joodse Volk zal continueren tot het laagste het laagste ontmoet, dat is, tot het zwakste element van heiligheid het sterkste element van kwaad overwint.

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT ÉKEV

Als gevolg      Deuteronomium. 7:12 – 11:25

De G’ddelijke Dimensie van de Eettafel

De Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Gepaste aandacht voor wassen en reciteren van de zegeningen na de maaltijd sensibiliseert de ziel. In het Thoragedeelte van deze week geeft Mozes het Joodse Volk de opdracht om het Dankgebed Na de Maaltijd te zeggen: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede Land dat Hij je gegeven heeft” (Deuteronomium. 8:10) Er zijn vele voorschriften omtrent de juiste uitvoering van deze opdracht en de Arizal bespreekt de esoterische dimensie ervan uitvoerig.

Één van deze voorschriften is die van “majiem acharoniem”, “water na [de maaltijd]”. Voorafgaand aan het reciteren van dank, wordt er van de persoon verlangd om zijn vinger toppen te overgieten met water.

Weet dat de “andere zijde” boven de tafel zweeft, zoals wordt beschreven in de Zohar ( II: 154a, b) en controle kan uitoefenen over iemand meer dan in andere situaties.

Zoals beschreven in de Zohar, versterken eten en drinken van nature iemands materiele oriëntatie, wat hem ongevoeliger maakt voor spiritualiteit en het ervaren van G’ddelijkheid. Een persoon is dus, na zich vol te hebben gegeten, in het bijzonder ontvankelijk voor de mogelijkheid van kwaad.

Dit geldt vooral indien hij alleen heeft gegeten en er geen drie personen zijn om het Dankgebed samen te reciteren. Want de uitnodiging voor het Dankgebed drijft de “andere zijde” weg, zoals wordt aangehaald in de Zohar II:186b, betreffende de anekdote van het jonge kind.

Als drie of meer mannen of vrouwen samen brood hebben gegeten, moeten zij, volgens de Joodse Wet het Dankgebed samen reciteren. Één van de aanwezigen fungeert als leider en nodigt formeel de anderen uit om met hem het Dankgebed te reciteren.

In de Zohar, wordt weergegeven dat de jonge ouderloze zoon van Rabbi Hamnoena de Oudere, grote spirituele gewaarwording en esoterische kennis van de Thora  bezat. Één van de leringen die hij deelde met zijn gasten, twee studenten van Rabbi Shimon bar Jochai was, dat wanneer de uitnodiging voor het Dankgebed is gereciteerd, het vermogen van het aanwezige kwaad aan de tafel is verzwakt.

De collectieve kracht van de drie individuele zielen en de positieve energie gegenereerd door hun kameraadschap overwon de negatieve vermogens van het kwaad. Dit gebeurt echter alleen wanneer zij bewust hun individuele energieën samen verenigen voor het reciteren van het Dankgebed, dat wil zeggen, zich focussen op de spirituele dimensie van de maaltijd in plaats van simpelweg de wellust van het eten. Vandaar de kracht en importantie van de uitnodiging om het Dankgebed te reciteren.

Iemand moet daarom dus zeer nauwkeurig de juiste intenties hebben bij het afspoelen van zijn vingertoppen na de maaltijd, opdat de “ander zijde” hem niet kan achtervervolgen.

Wanneer een persoon zwicht voor de verleidingen van het kwaad, fungeert de zonde die hij doet als een “aanklager” tegen hem in het Hemelse hof.

Want door het geven van dit geschenk, zoals bekend, vertrekt de “ander zijde”,

Maar als de persoon niet het Dankgebed reciteert met de juiste intentie en concentratie, wordt het de gastheer en aanklager tegen hem. Zoals we hebben gezegd, is dit van toepassing wanneer men alleen eet, zonder de [bescherming geboden door de] invitatie om het Dankgebed te reciteren.

Het afspoelen van etensresten van de maaltijd van de vingertoppen wordt gezien als het “werpen van een been naar de hond”. Kwaad bezit geen intrinsieke kracht, het verkrijgt zijn vermogen enkel en alleen krachtens menselijke wandaad. Echter in de huidige orde, moet het aanwezig zijn in ten minste een aantal minimale vormen, zodat er sprake kan zijn van vrije keuze. Als kwaad deze minimale voeding ontvangt, is het tevreden en beseft het dat er niets meer te verwachten valt van deze maaltijd en gaat heen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT DEVARIEM – SHABBAT CHAZON

SHABBAT CHAZON

VISIOENEN VAN VERLOSSING

Elke Shabbat is een elevatie en voltooiing van al onze verwerkelijkingen van die week. Dit is één van de primaire leerstellingen van de Safed Kabbalisten, zoals wordt geïllustreerd door de jaardag van de Arizal, wiens heengaan plaatsvond  op Av, de vijfde dag van de maand Av. Verder is het de bron van alle G’ddelijke zegeningen van de week die zal volgen. Aangezien Shabbat elk facet van ons dagelijks leven beïnvloedt, is het belangrijk om voor elke Shabbat terug te blikken naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in de afgelopen week en onze verwachtingen van de komende week, met inbegrip van zowel grote als kleine evenementen, te beginnen.

Deze overdenkingen helpen onze krachten te convergeren om op de meest effectieve wijze profijt te hebben van Shabbat. De Shelah breidt dit Kabbalistisch concept inhoudelijk uit tot het wekelijkse Thoragedeelte, verklarend dat de Thora in zijn oneindigheid ook is verbonden met onze wekelijkse ervaringen.

Hoe meer we het wekelijkse Thoragedeelte bestuderen, des te meer zullen we ontdekken hoe de Thora ons zegent met inzichten en instructies en hoe om te gaan met obstakels op onze weg en hoe ze te overwinnen, om zo doende G’D volledig te kunnen dienen.

In het licht van het bovenstaande, is het gemakkelijker te begrijpen waarom Shabbatot  waar belangrijke gebeurtenissen aan verbonden zijn, gewoonlijk hun eigen unieke namen hebben. De Shabbat tussen Rosh Hashana en Jom Kippoer wordt “Shabbat Teshoewa” genoemd. De Shabbat voorafgaande aan elke Rosh Chodesh (eerste dag van de maand) wordt “Shabbat Mevorchiem”genoemd.

De Shabbat tussen Rosh Chodesh Av en de 9e Av, onze jaarlijkse rouwperiode voor de verwoesting van de twee Heilige Tempels, wordt “Shabbat Chazon” genoemd. Het woord “chazon, het Hebreeuwse woord voor “profetisch visioen”, is het eerste woord van de Haftora, gelezen op deze Shabbat. Deze Haftora bevat strenge vermaningen van de profeet Jesaja aan het Joodse Volk om berouw te hebben.

Rabbi Levi Jitzchak van Berdichev, een van de grootste Chassidische meesters en legendarisch als verdediger van het Joodse Volk aan het Hemelse Gerechtshof, openbaart een andere betekenis van Shabbat Chazon, hij leert dat elke Jood een subtiel visioen van de Derde tempel wordt gegeven op deze Shabbat. Dit visioen is bedoeld om in ons het verlangen op te wekken de Derde Tempel uiteindelijk te verkrijgen, vergelijkbaar met een kind dat een cadeau wordt getoond wat het zal krijgen als hij streeft naar verbetering van zijn gedrag. “Genoeg van deze verbanning” we zijn bedoeld te zeggen en te voelen, “Wij willen de Tempel”, zodat we uiteindelijk G’D kunnen dienen op de meest juiste manier, de manier die G’D oorspronkelijk van ons verlangde.

Elke neergang is omwille van de stijging die zal volgen. De tragische gebeurtenissen waar we jaarlijks om rouwen om deze tijd van het jaar hebben als doel, de grote elevatie die eruit voort zal komen, de herbouw van de laatste eeuwige Tempel. Niets kan onze wil in de weg staan. Al we waarlijk iets willen, zullen we het bereiken.

De Shelah schrijft dat dit de reden is dat de drie Thoragedeelten, Matot, Masé en Devariem altijd gelezen worden gedurende deze periode. Onze sterke leiders (Rashé HaMatot), en eindeloos lijkende verbanning (Masé, letterlijk “reizen, tochten”) zullen ons leiden naar “G’D” , “de G’D van onze vaderen, zal jullie duizend maal zoveel laten zijn en jullie zegenen, zoals Hij jullie heeft beloofd” (Deuteronomium. 1:11), een zegen zonder beperkingen. Het is niet verbazend dat dit vers altijd wordt gelezen op Shabbat Chazon. Moge de 9e Av veranderd worden in een feestdag!

Rabbi Jitzchak Ginsburgh verklaart waarom de jaardag van het heengaan van de Arizal, op de 5e Av , ook gedurende deze rouwperiode is, in feite, is het exact het middelpunt van de Negen Dagen van meest strenge rouw. De leringen van de Arizal bereiden de wereld voor op de verlossing. Op de jaardag van het heen gaan van een Tsadiek, worden al zijn levensvervullingen in de wereld nog eens gereveleerd op een hoger niveau, als zij zijn verenigd met alles wat tot dan toe was bereikt, ten gevolge van zijn goede werken. Deze revelatie is het meest krachtige instrument in onze handen om de rouw te overwinnen en ons met de verlossing te verbinden.

Het grootste gedeelte van de Geschriften van de Arizal werden aan ons over gedragen door zijn voornaamste student Rabbi Chaim Vital. Hij verklaart het vers,     “ De Eeuwige, onze G’D, sprak tot ons aan de Chorew, zeggende “Lang genoeg [rav lachem] zijn jullie bij deze berg gebleven”. (Deuteronomium. 1:6) “Rav Lachem” kan ook worden vertaald als “jullie zijn groot geworden”, betekenend, aangezien jullie waardig zijn om de Thora rechtstreeks van G’D te ontvangen, zijn jullie nu groot en krachtig geworden. Waarom hier zitten blijven? Keer om en volg je bestemming! Ga en gebruik de kracht die je is gegeven en verover de wereld. Maak de wereld tot een verblijfplaats waar G’D is geopenbaard.

SHABBAT SHALOM

DE 9e DAG VAN DE MAAND AV, DE VERBORGEN FEESTDAG

Het antwoord is dat Tish’a B’Av inderdaad wordt beschouwd als een feestdag. Alhoewel de Heilige Tempel werd verwoest op die dag, werd het Joodse Volk desalniettemin bewaard voor ondergang. G’D in Zijn Oneindige barmhartigheid stortte in plaats Zijn toorn op hout en steen [fysieke materialen waaruit de Tempel was geconstrueerd.] Dus zien we de goedheid van G’D; zelfs in een tijd van boosheid denkt Hij aan het Joodse Volk in vergevensgezindheid.

 Bovendien is onderwezen dat de zelfde dag waarop de Heilige Tempel werd verwoest (Tish’a B’Av), de dag is dat Mashiach is geboren.

 [In ieder generatie wordt iemand geboren die in potentie Mashiach is, dat moment vindt plaats wanneer zijn Mazal, zijn hemelse ziel, zich verenigd met zijn verwante neergedaalde aardse ziel in deze wereld.]

 Dit bewijst dat de straf die kwam op dat tijdstip niet was vanwege haat of wreedheid, de Hemel verhoede, maar zoals een vader die een kind straft uit liefde, om hem terug te zetten op het juiste pad. (Zie Nechamat Zion op Megilat Eicha, 2:7, 3:32)      

Het vasten op Tish’a B’Av, Zaterdagavond \ Zondag 14  Augustus, 2016, 9 Av.

Het vasten van Tish’a B’Av verwijst naar:

 1.    De verwoesting van de Eerste

  1. 2.    En Tweede Tempel
  2. 3.    Het decreet dat de generatie van de wildernis, die luisterden naar het onware verslag van de verkenners, niet het Land Israël konden binnengaan
  3. 4.    Verovering van de stad van Beitar na de mislukking van de Bar Kochba opstand.
  4. 5.    Verwoesting van de stad Jeruzalem door de Romeinen.

 Hier komt bij, de verdrijving en verbanning van de Joden uit Engeland in 1290 en Spanje vanwege de inquisitie in 1492, evenzo als vele andere tragedies die plaatsvonden op Tish’a B’Av.

Behalve het onthouden van eten en drinken, wordt diepe rouw die dag in acht genomen, inhoudend, het zitten op lage stoeltjes of matjes op de grond en zich onthouden van wassen en het gebruik van olie, het dragen van leren schoenen en huwelijksrelaties. Zelfs het genoegen van Thorastudie is verboden, uitgezonderd de passages van berisping in Jeremia, Job, etc. en werken van Moessar  en Chassidoet die ons aanspoort tot berouw.

Na de avonddienst wordt Meggillat Eichat, klaagliederen gelezen, gevolgd door het reciteren van Kinot, droeve treurzang over de verwoesting van de Tempel en andere tragedies in de historie van het Joodse Volk.

De ochtend Thoralezing wordt vervolgd met lange Kinot en daarna de lezing van Eichah. Dit neemt bijna de gehele morgen in beslag tot aan de middag. Vele bezoeken Joodse begraafplaatsen op Tish’a B’Av om de zielen van de doden te bewegen om barmhartigheid voor ons te bewerkstelligen.

Het vasten eindigt na het vallen van de avond, wanneer drie sterren zijn verschenen op woensdagavond. Vele kiezen om Kiddoesh Levanah te reciteren, “de heiliging van de Maan” na het avondgebed. 

PARASHOT MATOT – MASEE

Stammen / Reizen (Numeri 30:20-32:42 / 33:1-36:13)

De Mitswot in de Parshot Matot, Masee en Devariem, zijn verdeeld in drie groepen, sommige met de bedoeling om onze ziel te perfectioneren, sommige om ons lichaam te perfectioneren en anderen om onze eigenschappen er voor te bewaren dat zij “puur”blijven, m.a.w dat we ons niet schuldig maken aan roof en oneerlijkheid. Omtrent deze drie aspecten van perfectionering, zegt de Thora: “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden met heel je hart, m.a.w de zetel van je fysieke leven, heel je ziel, m.a.w de zetel van je spirituele leven, en met alles waartoe je bij machte bent, m.a.w met al je economische bezittingen.” (Deuteronomium. 6,5)

In Parashat Matot behandelt de Thora de mitswot die bedoeld zijn om onze ziel spiritueel te ontwikkelen en te perfectioneren. De regels handelen over het afleggen van een officiële eed of belofte, zij bevat tevens de waarschuwing om alle woordelijke uitspraken in ere te houden, “kekol hajotsé mipien ja’asè,” “precies dat wat over zijn lippen is gekomen heeft hij te volbrengen”. (Numeri. 30,3)
Dit is gericht op de ziel, omdat het spraakvermogen wordt verkregen van de eigenschap wijsheid welke op zichzelf een uitvloeisel is van de ziel.
Spraak is alleen maar een externe versie van iemands denken, iets wat de mens verheft boven alle andere levende creaturen. De mens wordt een “medaber” genoemd, een sprekende creatuur. Daarom mag hij niet zijn spraak “ontheiligen”. We zien dat ook bij Onkelos in het weergeven van Genisis 2,7: “waijehie ha’adam lenefésh chaija” zo “werd de mens een sprekende ziel”.
We zijn reeds ervan bewust dat de mens ontwikkeld is geworden vanuit het superieur beeld van een hogere wereld, dat elk van zijn ledematen een tak is van een “boom” in de Celestische Regionen en dat de mond waarmee hij is uitgerust, alleen dient om hem in staat te stellen, de grootheid van de Eeuwige te proclameren en Zijn glorie te verhalen.
Het is een gegeven om de Eeuwige te dienen. Dit bedoelde Koning David, wanneer hij zegt in Psalm 145,21: “Een lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst Zijn heilige naam, voor altijd.”

Het gedeelte van Masee bediscussieert de Thora, de onderwerpen die betrekking hebben op het perfectioneren van het lichaam. Het lichaam wordt gezien als een bekleding van de ziel, en is evenzo geschapen in het evenbeeld van G’D (Genesis.1,27). Daarom wordt, als iemand een ander creatuur, die geschapen is in G’D’s evenbeeld, vermoordt, zelf gedood als een passende manier van vergoeding. Door zijn daad heeft hij een ziel gesepareerd van zijn lichaam, [ bekleding ], vandaar dat zijn ziel wordt gesepareerd van zijn bekleding.
De moorddaad wordt gezien alsof de moordenaar ook een leven van een ziel in de Celestische Regioen heeft gescheiden van zijn “lichaam”.
Ofschoon, zo’n separatie vroeger of later, zonder meer zal plaatsvinden { door een natuurlijke dood van het slachtoffer } wordt de moordenaar gestraft voor het premature.
Wanneer de dood van het slachtoffer echter te wijten is aan een daad zonder intentie hem te doden, beschouwt de Thora hem niet schuldig aan het vergieten van bloed. De dood van het slachtoffer was een handeling van G’D, m.a.w de eigenschap van justitie koos iemand als zijn instrument, iemand die een ander, niet ontdekt, vergrijp heeft gepleegd. De doder heeft onbewust G’D’s bedoeling uitgevoerd, hij had geen enkele intentie of plan om het slachtoffer te doden met of zonder moordwapen. De doder zal moeten vluchten naar een asielstad, één van de steden van de Levieten. Deze steden werden beschouwd als steden van het recht. De Levieten zelf representeren de sifera van gevoera, in het patroon van chesset, gevoera teferet, een patroon dat correspondeert met de respectievelijke niveaus van koheen, levie, jisraël.
De doder, zonder voorbedachte rade, moet in de asielstad blijven tot de dood van de Hoge Priester (Numeri. 35,25). Dit is, omdat het lichaam van het slachtoffer was gedood, ook zijn ziel van hem was genomen en in exil moest blijven, tot aan het tijdstip van G’D’s goedvinden. Wanneer de Hoge Priester overlijdt, wanneer zijn ziel opstijgt naar de Celestische Regionen, is het de ziel van de doder eveneens toegestaan om op te gaan naar deze regionen. Een ziel welke in “exil” is, mag worden vrijgelaten van zo’n exil als gevolg van een overlijden van een groot persoon, m.a.w een prominente Tsadik, een Rechtvaardige.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PINCHAS

Pinchas          Numeri. 25:10 – 30:1

Fases van relatie

Joods mystiek leert dan onze verhouding met G’D bestaat uit rationele-, super-rationele- en intrinsieke niveaus.

Likoeté Sichot, vol. 28, p. 176-181

 “Aan bovengenoemden moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen. De talrijke moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelde. Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

Het Land Israël werd verdeeld op drie verschillende wijzen:

(1)  volgens populatie, dat wil zeggen, hoe groter de stam, hoe groter het ontvangen deel.

(2)  door loting (waar G’D’s hand aan het werk was) en

(3)  door erfenis.

Met andere woorden, de verbinding van het Joodse Volk met het Land Israël existeert vanuit drie verschillende opzichten:

 1)    rationaliteit, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

2)    door G’ddelijk decreet en

3)    door erfelijkheid.

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos als het centrale kader, decor, waarin zich het proces, van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, zou worden ontvouwd. Het Joodse Volk is eveneens, op de zelfde manier, de natie die G’D koos om de centrale spelers te zijn in dit plan. Om die reden moet de verhouding die moet worden gevestigd, tussen het gekozen volk en het gekozen land de vestiging tussen G’D en Zijn gekozen volk reflecteren.

In terminologie van Kabbala vindt de rationele, contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken, beperkt”  binnen het limiet van logica en natuur. Met ander woorden: Zijn immanente creatieve “Licht” (mamalé kol almien). De vrije keuze van de verhouding vindt plaats op een niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is gedefinieerd door de limitaties van de gecreëerde realiteit, maar nog steeds creatieve G’ddelijkheid is, met andere woorden, contextueel gerelateerd aan de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almien). De erfelijke verhouding vindt plaats op een niveau van G’D’s essentie, die compleet boven de context van Schepping uitgaat.       

De verhouding tussen G’D  en het Joodse Volk is eveneens drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtend liturgie:  “Gelukkig zijn wij: hoe goed is ons aandeel, hoe aangenaam ons lot, en hoe mooi is onze erfenis.”

“Aandeel” refereert aan de contractuele relatie tussen G’D en Israël. We hebben het dienen van G’D op ons genomen op verschillende wijzen en Hij heeft beloofd ons te belonen voor onze dienst. Het deel dat wij ontvangen van G’D is evenredig aan de inspanning die we aanwenden om het te verkrijgen. Op een dieper niveau refereert “aandeel” aan het feit dat de Joodse G’ddelijke ziel “een waarlijk deel van G’D Boven is”, zoals de Tanya zegt, net zoals een kind mag gezien worden als extensie van zijn ouders. Deze intrinsieke verhouding tussen G’D en het Joodse Volk bindt hen op een onafscheidelijk samen.

Lot” refereert aan de over-rationele verhouding die isgesmeed met ons door ons te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keuze was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s zijde; Hij was niet gedwongen door enige logische consideratie om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop een lot valt niet vooraf bepaald is door enige externe factoren. Deze over-rationele relatie is niet alleen dieper dan de contractuele dienst als relatie beloning, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouders-kind verhouding, aangezien het G’D ook “dwingt” bij wijze van spreken, tot een relatie met Israël. Behalve dit, koos G’D  Israël ook vrijwillig vanuit Zijn eigen over-rationele wil.

Erfenis, refereert aan de wederzijdse identiteit tussen G’D en Israël. Volgens Joods recht, neemt de erfgenaam de juridische status van de ouders over en neemt daardoor automatisch het eigendomsrecht over de bezittingen van de ouders.  Hij verkrijgt het niet door verdienste noch verkozen de ouders om hem te legateren; in essentie wordt hij zijn ouders. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D koos; zij en G’D, bij wijze van spreken, zijn één en de zelfde.

Voordat de Thora werd gegeven, was de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk enkel en alleen op een contractuele, kind-ouder niveau. Dienst aan G’D was gelimiteerd; een individu kon G’D dienen en kon G’ddelijke openbaring teweegbrengen naar mate zijn natuurlijke talenten en eigenschappen het toestonden. Tegelijkertijd toonde G’D het Joodse Volk bijzondere aandacht en zorg wegens de G’ddelijke ziel die zij verkregen vanwege de periode van Abraham.

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keuze verhouding tussen G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt bepaalde G’D de toon in de relatie, wat betekent dat zelfs de dienst-beloning wederkerigheid niet langer beperkt werd door onze eindige capaciteiten; de Thora en zijn mitzwot stelt ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te verwerven ver boven onze natuurlijke vermogens uit.

Echter in de Messiaanse Verlossing zal de erfelijke relatie het voornaamste worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten in een nieuwe co-existentie met het bewustzijn van onze Schepper, als onze unieke persoonlijkheden zullen schijnen en paradoxaal existeren in G’D’s absolute realiteit.

Dus, aangezien het Land Israël bedoeld was te zijn, zoals we hebben gezegd, de microkosmos van verstandelijk proces van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, was het noodzakelijk, voor de verhouding tussen het Land Israël en het Joodse Volk, te worden gevestigd op drie niveaus: rationeel, super-rationeel en intrinsiek. Op deze manier is ons binnengaan en de bezit name ervan voorbode van de uiteindelijke verlossing, waarin onze intrinsieke en essentiële identiteit met G’D, het meest relevant bewustzijn van realiteit wordt.

SHABBAT SHALOM      

PARASHAT BALÁK

Balak                   Numeri. 22:2 – 25:9

De profetie van Bil’am

Shené Loechot Habrit, Rabbi Isaiah Horowitz

 Kabbala leert dat zelfs de negatieve krachten instrumenten zijn van het G’ddelijk Plan.

Bil’am, die bereid was te komen om te vervloeken, was gedwongen om te zegenen; de engel die behagen schept in onheil werd gedwongen in te stemmen met zegeningen; de aanklager werd een pleitbezorger.

Er was een kosmische noodzaak voor Bil’am om een instrument van God te worden. Hij was per slot van rekening de profeet van de niet joden en een spiritueel leider van de toenmalige beschavingen. Wanneer onze Wijzen het vers “En nooit stond er meer een profeet in Israël op als Mozes…” noemden (Deuteronomium. 34:10), zeiden zij dat omdat onder de andere volkeren niet iemand opstond in vergelijk tot Mozes. Ze hadden niet de intentie om Mozes te vergelijken met Bil’am o.a. ten aanzien van heiligheid, karaktereigenschappen en de verhouding tot G’D.

 De Zohar, Balak, p. 193b, is zeer expliciet in het beschrijven van Bil’am’s lage karakter, door het geven van veel voorbeelden van zijn optreden om eer te verschaffen met grote inzichten en daarbij degene die hem beschouwen als een grote ziener te misleiden. Enkele citaten van de passage van de Zohar: “Deze slechte man eigende zich veel trots en verwaandheid toe door te beweren alles te weten. Door dit te doen, misleidde hij de mensen in het geloof dat hij een zeer hoog niveau had bereikt. Hij accentueerde elke kleine verrichting die hij deed. Alles wat hij zei had betrekking op het domein van de krachten van onzuiverheid. Hij sprak de waarheid, letterlijk gesproken, want iedereen die naar hem luisterde kreeg de impressie dat hij de meest opmerkelijke en vooraanstaand profeet van de wereld was.  Wanneer hij zichzelf beschrijft als “ingewijde in de woorden van G’D, gewaar van de kennis van de Opperwezen”, vormde zich de impressie dat hij sprak over G’D in de Hemel. In feite was hij alleen gewaar van de woorden van “god” die in tegenstelling staan met de woorden van “G’D”.

Hij communiceerde met de krachten van onzuiverheid, krachten die door de volkeren worden beschouwd als godheden.  Als hij sprak gewaar te zijn van de Hemelse Kennis, kreeg de luisteraar de indruk dat Bil’am beweerde een ingewijde te zijn van G’D’s bereik van kennis, terwijl hij in feite alleen een ingewijde was van de “hoogste” vorm van onzuiverheid, die G’D toestond, om te heersen als deel van de natuurlijke orde. Bil’am, was technische gesproken juist, omdat hij toegang had tot een macht die in zijn gebied werd beschouwd als het hoogst aanwezig. Echter de luisteraar wist niet dat deze macht op geen enkele wijze een onafhankelijke autoriteit had. Deze macht was slechts een instrument van G’D.

SHABBAT SHALOM