PARASHAT RE’ÉE

 KOSHERE DIEREN EN KOSHERE DADEN

 Likkoeté Sichot, Vol, Ii, P. 375-378

Shaar Hamitzwot En Taamei Hamitzwot,  Geschriften Van De Ari.

 Het Thoragedeelte Re’ée geeft twee kenmerken aan waardoor we weten dat een dier gegeten mag worden: het herkauwt en het heeft gespleten hoeven.

Wanneer iemand een of ander type van voedsel eet, hetzij dierlijk, plantaardig of mineraal, wordt het voedsel een deel van zijn vlees en bloed. Door het te eten vervult iemand het doel van de Schepping, dat het in hem wordt opgenomen.

Er zijn bepaalde aspecten van de mens die gelijk zijn aan de minerale, plantaardige en dierlijke staat. Dan zijn er die componenten die de mens tot een compleet andere contrasterende entiteit maken. Het zijn deze laatste elementen die de mens tot een uniek wezen maken, een denkend en sprekend wezen, een medaber.

Juist zoals de minerale plantaardige en dierlijke delen van de wereld hun maximale potentie verkrijgen wanneer zij worden verenigd  tot een menselijk wezen, zo ook binnen de mens zelf:

Deze aspecten, minerale plantaardige en dierlijke, is niet het menselijk doel, zijn doel ligt in zijn unieke kwaliteit als medaber. De gepaste bestemming van zijn andere facetten is dat zij worden omvat en opgenomen in de eigenschappen van de medaber.

Dus het ware doel van de fysieke mens is als het ware om te worden verenigd met de Hemelse Mens, Tzelem. Hij bereikt dit door het vervullen van de missie die aan hem is toevertrouwd door de Hemelse Mens. Want wanneer iemand handelt als G’D’s afgezant en de missie vervult die hem is toevertrouwd, wordt de persoon als het ware “gelijk aan Hem”.

Idem,  het doel van het minerale plantaardige en dierlijke in de mens is dat zij worden verheven en opgenomen in de Hemelse Mens. Dit wordt bereikt door het menselijk hanteren hiervan voor het doel waarvoor zij tot existentie werden gebracht. De menselijk uitdaging is dus om zijn dierlijke inclinaties, die van nature iemand verre houdt van spiritualiteit, om te zetten in heiligheid. Om te weten of iemand G’D op een gepaste wijze dient en het dierlijke in hem verheft, of op de juiste manier neerwaarts is gebracht, geeft de Thora ons twee kenmerkende aanwijzingen.

 

De natuurlijke neiging van de mens is om G’D te dienen hetzij met liefde en goedheid, of met vrees en striktheid. Wanneer de mens in staat is om te dienen met beide eigenschappen, is dit een indicatie dat hij Hem dient, niet door middel van dwang uit gewoonte maar vanuit ware toewijding. Als hij G’D alleen diende van uit routine, zou het onmogelijk zijn om de zelfde graad van vitaliteit te tonen in beide benaderingen van dienst.

Deze ware dienst in het verheffen van de dierlijke ziel in de mens wordt aangegeven door de gespleten hoeven. De dienst is “kosher”, aangezien beide “kanten”het aspect van liefde  en goedheid zowel aan de ene zijde, als aan de andere, het aspect van vrees en striktheid, gelijk en eerlijk is verdeeld.

Maar omdat de mens is verwikkeld in de uitdaging van de Fysieke wereld, kan hij nooit en te nimmer zeker zijn dat hij G’D dient op de juiste wijze. Zelfs wanneer hij er voor zorgt dat zijn “hoeven gespleten zijn” kan hij zich niet  alleen maar verlaten op vluchtig onderzoek. Het is daarom noodzakelijk dat hij zich gedraagt als een  “herkauwend” dier en zijn spirituele dienst steeds weer opnieuw en opnieuw overziet en nagaat, om zeker te zijn dat hij  inderdaad op de juiste wijze dient en niet de ene vorm van dienst verkiest boven de andere.

In een meer algemene zin, leren deze kenmerken ons dat voordat we ons bezig houden met fysieke activiteiten, we zeker moeten zijn dat we het niet doen gewoonweg omwille van alleen maar fysiek genoegen, maar ook voor de spirituele kant. Bovendien, moeten we herhaaldelijk onderzoeken, om zeker te zijn, of al onze handelingen waarlijk uitvoeringen zijn voor het belang van de Hemel.

Rabbi Jitzchak Luria.

Shaar Hamitzwot en Taamei HaMitzwot,  geschriften van de Ari.

Wat volgt, zijn de meditaties die mijn meester [ de Arizal ] onderwees aan Rabbi Jitachak Cohen.

Aan het Joodse Volk is het gebod opgelegd om, voordat zij hun vlees consumeren, de dieren te slachten volgens nadrukkelijk daarvoor bepaalde regels: “Je moet van je rund en kleinvee, dat de Eeuwige je gegeven heeft, slachten zoals ik het je geboden hebt en dan mag je binnen je poorten er zoveel van eten als je hart begeert.” (Deuteronomium 12:21)

In tegenstelling tot een normale slachter, geniet de positie van de rituele slachter [Hebreeuws, “shocheet”] in het Jodendom grote eer. Om een shocheet te kunnen zijn, moet een persoon een ideaal voorbeeld zijn qua karakter, een Thorageleerde, godvruchtig en G’D vrezend, ter vermeerdering van de kennis en uitvoering van de zeer complexe wetten van het ritueel slachten. De eerste fase naar het eventuele consumeren door een Jood van vlees, is een intensieve spirituele daad, het spiritualiseren van het fysieke vlees is grotendeels afhankelijk van de intenties en het zuiver van denken van de shocheet.

Zoals we weten , benodigt iemand, tijdens het eten, de spirituele intentie te hebben om het wezen van deze wereld te verbeteren en te verfijnen, om zodoende het spirituele niveau te bereiken, van de primaire staat waarin alle creaturen zich bevonden bij het scheppen van deze wereld.

De primordiale zonde, het eten van het fruit van de boom van de kennis van goed en kwaad, veroorzaakte een spirituele val in vermogen van de materiele schepping om spiritueel bewustzijn, te dragen of te ondersteunen. Onze taak in het leven is om deze fysieke wereld te verfijnen en te zuiveren, zodat zij opnieuw ontvankelijk kan worden van dit niveau van G’ddelijk besef.

Dit [niveau raffinement] is gelijk aan [als toelichting] de ezel van Rabbi Pinchas ben Jair.

Rabbi Pinchas ben Jair was een Talmoedgeleerde. Zijn ezel weigerde voedsel (gerst) te eten waarvan geen tienden van afgescheiden was. (Choelien 7a)

(Als toevoeging). Het komt zeer vaak voor dat een ziel van een mens reïncarneert in dieren. Als het dier met de gepaste intenties is geslacht, helpt het de ziel van de gereïncarneerde te bevrijden van de straf die deze moest ondergaan. De ziel kan dan de volgende keer, wanneer hij in deze wereld komt, opnieuw in een menselijk lichaam binnentreden, zoals het origineel bedoeld was.

Er zijn dus twee fundamentele doelstellingen van de rituele slachter: het verheffen van de spirituele dimensie en aard van het fysieke dierlijke vlees, en, in sporadische gevallen, de gereïncarneerde ziel te helpen om zijn herstelproces te beëindigen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EKEV

Als gevolg                  Deuteronomium. 7:12 – 11:25

Men houdt eenheid in stand

 Van een persoon wordt verlangd om te mediteren over de esoterische betekenis van zijn/haar zegeningen.

 Rabbi Shimon bar Jochai

 Zohar p. 270b.

Als jullie gehoor zullen geven aan deze voorschriften en ze stipt ten uitvoer zullen brengen, zal het resultaat zijn dat de Eeuwige, je G’D, tegenover jullie zich stipt zal houden aan het verbond en Zijn goedheid zal tonen, waartoe Hij zich onder ede tegenover je voorouders verplicht heeft.” (Deuteronomium. 7:12)

En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Deze instructie is om de Heilige, Geprezen Zij Hij, te zegenen voor alles dat een persoon eet of drinkt en geniet in deze fysieke wereld. Als een zegen niet wordt gezegd, dan wordt de persoon een dief genoemd met betrekking tot G’D. Hiernaar wordt ook verwezen in het vers “Hij die zijn vader of zijn moeder besteelt en zegt, dit is geen misdaad, is een vriend van de destructieve krachten.” (Spreuken 28:24) De Medegeleerden hebben dit vers eveneens elders verklaard (zie Zohar p. 35b)

De reden dat hij een dief wordt genoemd is omdat de zegeningen waarbij iemand de Heilige, Geprezen Zij Hij, zegent, een spirituele stroom van overvloed teweegbrengt van de Bron van Leven naar de Heilige Naam van G’D.

Deze stroom ledigt de hemelse olie uit de Bron van Leven, in dat van de Naam,  en veroorzaakt een neerwaartse stoom van spirituele overvloed van dat niveau naar de complete fysieke wereld. Dit is de betekenis van het vers “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige [hier ‘Havayah’ , je G’D [‘E-lokecha’]”.

Door niet te zegenen is de persoon als een dief, die neemt zonder iets terug te geven, want hij veroorzaakt niet een meditatieve eenheid tussen “Havayah” en “E-lokecha”.

 De specifieke zegen die een persoon zegt, veroorzaakt de spirituele overvloed van de hogere diepe oorsprong en brengt teweeg dat al deze hogere niveaus en hun bronnen worden gevuld en gezegend en vervolgens worden leeggemaakt over alle werelden, zodat dat alles wordt gezegend in een ononderbroken eenheid. Dit is de reden dat een persoon wordt gevraagd zijn meditatie te concentreren op de esoterische betekenis van de zegeningen, omdat oorzaak en effect zal worden gezegend als een eenheid.

Bovendien, degene die zegent op deze wijze is zelf gezegend en neemt zijn spirituele aandeel als eerste, vóór alle anderen in de fysieke wereld. Dit omdat de Naam van de Heilige, Geprezen Zij Hij, daardoor is gezegend en van deze Naam zegen neerdaalt op het hoofd van degene die als eerste heeft gezegend. Dit hebben we verklaard als de betekenis van het vers, “…..op iedere plaats waar Ik het goed zal vinden Mijn Naam te gedenken zal Ik tot je komen en je zegenen.” (Exodus. 20:21)

Omdat die zegen nu is neergedaald en rust op het hoofd van die persoon die heeft gezegend is het vanaf dat fysieke punt dat de zegen zich uitspreidt tot de hele wereld.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT Wa’etchanán

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar. P. 260a

“In die tijd smeekte ik tot de Eeuwige”: “Mijn Heer, Eeuwige G’D, U hebt Uw dienaar eerst een begin van inzicht gegeven van Uw grootheid en van Uw sterke hand. Inderdaad, zou er een macht in de hemel of op de aarde zijn die zulke werken en zulke machtige daden als de Uwe zou kunnen verrichten?”  (Deuteronomium.3:23-24)

[Om dit vers te kunnen verklaren] Opent Rabbi Jossi zijn verhandeling met het vers: “En Hezekia keerde zijn gezicht naar de muur, en bad tot G’D” [om G’D te smeken te helpen in de genezing van zijn ziekte en niet te sterven zoals de profeet hem tevoren had medegedeeld, dat dit zou gaan gebeuren]. (Jesaja.38:2)

Van dit vers leiden wij af dat iemand moet bidden tegenover een muur. Een muur representeert malchoet, welke een muur is in relatie tot alle ander sefirot omdat zij allen er in eindigen en niet verder gaan. Dit is de reden waarom het zo passend is om te bidden aan de Westelijke Muur van de TempelBerg in Jeruzalem. Aangezien iemand moet bidden met zijn gezicht richting een muur, welke muur is dan meer geschikt dan de overgebleven muur van de TempelBerg?

Kom en zie. Hoe geweldig is de kracht en autoriteit van de Thora en hoe verheffend is haar studie in relatie tot andere inspanningen! Dit komt omdat iedereen die moeite doet om de Thora te begrijpen geen bedreiging kent [van diegene welke schade veroorzaken ] in de spirituele of fysieke werelden.
Hij heeft geen angst voor aanvallen en ongeluk in Deze Wereld, omdat hij één is met de Boom van het Leven. Hij eet er elke dag van [door Thoraleren voorziet hij zijn ziel van voeding, en fysiek beschermd door advies.

Dit komt omdat de Thora een persoon leert het pad van de waarheid te bewandelen. Zij geeft hem advies wat betreft berouw [Teshoewa] en hoe hij moet terugkeren naar zijn Meester. Zelfs als ernstige verordeningen en zelfs al zou de dood verordend zijn tegen hem, kan het herroepen worden. Zij maakt het mogelijk om hem te verlaten zonder een spoor achter te laten.

Aldus was Hezekia, een Koning, zeer geleerd in Thora, verdienstelijk genezen en beloond met 15 jaar extra leven, alhoewel de profeet Jesaja hem had geïnformeerd over zijn dreigende dood.

Om al deze redenen zou een persoon dag en nacht Thora moeten leren. Hij zou zich niet er van mogen afwenden, zoals Joshoea instrueert, “Dit boek van de Thora mag nooit van je lippen wijken, dag en nacht moet je er over nadenken opdat je nauwgezet zult handelen volgens alles wat erin geschreven staat.” (Joshoea 1:8) Als iemand zich geen tijd veroorlooft voor Thora of zich zelfs maar [tijdelijk] separeert van haar, is het alsof hij zichzelf heeft gesepareerd van het leven.

Kom en zie. Het is verstandig voor een persoon, wanneer hij naar bed gaat s’nachts, om het Hemelse juk met volle concentratie  op zich te nemen [door het zeggen van het Shema gebed].
Vervolgens, voordat hij in slaap valt zou hij zijn Nefesh moeten deponeren, overgeven [aan de Shechina in Malchoet van Atziloet, door het zeggen van het vers: “In Uw hand leg ik mijn geest”.
(Psalm. 31:6)

Door dit te doen, bereidt iemand zichzelf bewust voor op de komende slaaptoestand, welke beschouwd wordt als een 1/60 deel van de dood.
Juist zoals iemand voor de dood het Shema zou moeten zeggen, zo ook moet iemand het voor het slapen zeggen. Opgemerkt kan worden dat het woord “dormitorium” twee voorname lettergrepen heeft, “dor” gelijk aan het Aramese woord “dar”, wat “leven” betekent en “mit” van het Hebreeuwse woord “met”, wat “dood”betekent.
Je zou kunnen zeggen dat een dormitorium een plaats is waar de dood leeft!  In de context van onze uitleg is dit aannemelijk, omdat de ziel zich in een droomtoestand losmaakt van het lichaam, en het  achterlaat als ware het dood.

Dit is zoals we reeds eerder hebben uitgelegd [in parashat Bamidbar, Zohar bladzijde 119a] In een slaapperiode proeft de gehele wereld de smaak van dood [Berachot 57b], omdat de Boom van Dood heerst over de wereld.

De sefira van Malchoet, welke het aspect is van de Boom van kennis van Goed en Kwaad,regeert tijdens de nacht. Zij heerst over de krachten van duisternis dat haar sterkte verkrijgt bij nacht, welke de reden is dat de naam van de boom verandert. In plaats van zorg te dragen voor goed en kwaad, voedt het de krachten van duisternis.

Elke persoonlijke geest gaat uit [van het lichaam] en stijgt op [om zich te verantwoorden in de spirituele werelden voor de handelingen gedurende de dag, en ook om zich spiritueel te verfrissen en te vernieuwen].

SHABBAT SHALOM

HET HALACHISCH TREURPROCES

De culminatie van Tisha Be’aw in de cyclus van de Joodse kalender biedt een diepzinnig inzicht in de totstandkoming, functie en formulering van Halacha.

Tisha Be’aw ( de 9de dag van de maand Aw ) herdenkt de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel. In de totstandkoming van de te volgen regels die nodig waren om de harten en zielen van de overlevende Joden, veroordeelt tot verbanning, te engageren stonden de Rabbijnen voor een enorm dilemma ten aanzien van de toekomstige generaties.

Uiteraard treurden de eerste overlevenden met een oprecht sterk verlangen omdat ij de schroeiende impressies van het stervende as en het verlies van de brandende Tempel van nabij hadden ervaren.

Maar wat zou er gebeuren met hun nakomelingen, als de Tempel een ruïne zou blijven? Zouden de komende generaties waarlijk de centralisatie van de Tempel in het leven van Joden kunnen doorgronden? En zeer belangrijk, als Jeruzalem en haar Heilige Tempel waren vergeten, was er een kans om als natie te overleven?

De Joodse historie is het levende bewijs dat de geraamde methode van de Rabbijnen een succes is. Als we het levensgedrag van Joden analyseren gedurende de Drie Weken ( tussen de 17de dag van de maand Tammoez, de dag waarop de muren van Jeruzalem werden doorbroken, en de 9de dag van de maand Aw, toen de Eerste en de Tweede Tempel opgingen in vlammen ) leren we het geheim van het geniaal Rabbijns denken.

Wat we zien zijn fases in het treurproces. De 17de Tammoez doet zijn intrede door een lichte schok, vasten van even voor zonsopgang tot aan het vallen van de avond. Eveneens vanaf deze dag zijn alle festiviteiten van de komende drie weken sterk begrensd. Geen samenkomende festiviteiten of trouwpartijen; het haar laten knippen en ( volgens vele gewoonten ) scheren verboden. De eerste dag van de maand Aw markeert de tweede treurronde. Negen dagen, uitgezonderd Shabbat, wordt er geen vlees gegeten, noch wijn gedronken, kleding wordt niet gewassen en het zwemmen voor plezier is verboden.

Dan gedurende de actuele week in welke het vasten van Tisha Be’Aw valt ( volgens vele gewoonten ) is zich scheren en sociale bijeenkomsten verboden.

De meest intense uitdrukking van treurnis is gereserveerd voor de dag van de 9de Aw zelf, 24 uur niet eten en drinken gelijk aan Jom Kippoer. We dragen geen leren schoenen, geen seksuele omgang.

We brengen de eerste helft van de dag zittend op de grond door of op een laag stoeltje en stellen het aanleggen van Tefillien uit tot het middaggebed, omdat Tefillien wordt gezien als een sierraad, onverenigbaar met treuren. Door ons open te stellen voor successievelijk fasen van psychische ontberingen ( de Drie Weken, de Negen Dagen, de week van de vastendag en de vastendag zelf ) hebben de Rabbijnen door de eeuwen heen ons getraind hoe we ons moeten gedragen van een minimale emotionele betrokkenheid naar een intens moment, de immense omvang van de verwoesting van de Tempel, van bewust beleven zelfs tweeduizend jaar later.

De treurprocedure van de Drie weken van Tammoez en Aw in vergelijking met een individueel rouwende over het verlies van een dierbare, ontdekken we, op een kleine uitzondering na, een verbazend parallel. Weeklagen over Jeruzalem voert ons vanuit een schappelijke naar een meer strengere uiting van treuren tot aan de laatste dag, de indrukwekkende dag, waar wij ons zittend op een laag stoeltje bevinden en waarlijk het verlies ervaren van Zion onder gezang van de regelmatig terugkerende melodie van klaagliederen.

Maar met plotseling overlijden, is de treurervaring omgekeerd.

De krachtige uiting van pijn is aan de eerste dagen voorbehouden, de intensiteit neemt daarna in gradaties af. De rouw over een dierbare begint door te zitten op een laag stoeltje en eindigt met het verbod van groepfestiviteiten.

De reden is zeer duidelijk. Het verliezen van een hecht familielid laat een gapende wond na, zo rauw en zo kwetsbaar dat aan de pijn onmiddellijk vorm moet worden gegeven. De verplichting voor gebed en tefillin zijn uitgesteld tot na de begrafenis. Voor de komende zeven dagen ( shiwa ) zit de rouwende op de grond of een laag stoeltje; hij verlaat het huis niet en scheert zich niet.

Na de zeven dagen keert hij terug tot simpele routine buitenshuis, en voor dertig dagen uit zich zijn verdriet door onthouding van scheren en haarknippen. Uiteindelijk, wanneer de maand voorbij is, kan hij zijn fysieke uiterlijk op orde brengen, maar een geheel jaar moet voorbij gaan voordat hij deel kan nemen aan openbare festiviteiten en feestelijk vieringen. De Joodse wet poogt erkentelijkheid te betuigen voor de traumatische schok van de treurende, geeft aan zijn gevoelens de juiste uitingen en vergemakkelijkt hem de weg terug tot de gemeenschap; dit kan niet worden bereikt in een week, of zelfs in een maand, zodat de terugkeer van de treurende in de gemeenschap gradueel is.

Maar treuren over de Tempel, wiens existentie afstandelijk is, van etherisch gehalte, verschilt radicaal met het verdriet van een wees of een weduwe; Halacha poogt ons bewust te maken van de betekenis van het verlies van de Tempel, dit kan alleen bereikt worden door een gradueel proces. Dus van lichtere naar meer moeilijker regels.

Door de twee treurprocessen naast elkaar te plaatsen, kunnen wij begrijpen hoe Halacha penetreert binnen het menselijke gedrag.

Napoleon passeerde eens een synagoge, zegt de legende, waar vanuit klaaggezangen te horen waren, hij wilde weten welke grote tragedie de Joden had overvallen. Zijn adjudanten informeerden hem dat de klaagliederen vanwege de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem was, de keizer was zeer verrast dat het nieuws hem nimmer had bereikt. Toen hij bovendien ontdekte dat de gebeurtenis 1800 jaar eerder had plaatsgevonden, was hij uiterst verbaasd.

Napoleon commentarieerde toen dat als een natie zo lang kan treuren over een gebouw dat zij nooit hebben gezien, de dag moet komen dat het Joodse Volk de herbouw zal zien—, en in de voetstappen van de Tempel- leerstelling: wereldvrede. Mag dit spoedig het geval zijn.

Begin Tisha Be’aw en vasten maandagavond 31 juli, half uur voor zonsondergang.

PARASHAT DEVARIEM – SHABBAT CHAZON

SHABBAT CHAZON De Shabbat van het visioen van Jeshajahoe

Woorden (Deuteronomium.  1:1 – 3:22)

KWAAD ONDER DE NATIES

DE GESCHRIFTEN VAN DE ARI

Het is essentieel dat we begrijpen waarom, met betrekking tot de zeven kana’anitische volkeren, G’D ons heeft opgedragen “Jullie zullen geen enkele ziel in leven laten”, daarentegen met betrekking tot Seir, Moab, en Ammon, gaf Hij ons de opdracht hen niet aan te vallen.

In het boek Genesis belooft G’D aan Abraham het land Kana’an, welk bestaat uit het territorium van tien naties: de Kenieten, de Kenizieten en de Kadmonieten, de Chittieten, de Perizieten en de Refaieten, de Emorieten, de Kena’anieten, de Girgashieten en de Jeboesieten (Genesis. 15:19-21). De eerste drie zijn synoniem aan de Ammonieten, Moabieten en de Edomieten.

In de tijd van Mozes echter, wanneer de Thora de volkeren van Kanaan opsomt, wiens land G’D zal geven aan het Joodse Volk, worden alleen de laatste zeven van deze tien genoemd. Dus onze wijzen tekenen aan, G’D gaf alleen de zeven naties, in de tijd van Mozes aan het Joodse volk en we zullen het land van de andere drie naties erven in de toekomst, wanneer de Mashiach komt. (Bereishiet Rabba 44:23). Het Joodse Volk kreeg de opdracht om de zeven naties in zijn geheel te vernietigen: “Uit de steden van die volken, die de Eeuwige, je G’D, je als erfgoed geeft, mag je geen enkele ziel in leven laten. Maar vernietigen zul je hen: de Chittieten, de Emorieten, de Kenaanieten, de Perezieten, de Chiwwieten en de Jewoezieten zoals de Eeuwige, je G’D, je heeft opgedragen.”(Deuteronomium. 20:16-17)

In het Thoragedeelte van deze week lezen we Mozes’s overzicht van de reizen, in welke hij het Joodse Volk leidde op hun weg naar de drempel van het Land Israël. Zij werden door G’D opgedragen, geen oorlog te voeren tegen de nakomelingen van Esau, welke het bergland van Se’ier bewoonden of geen oorlog te voeren tegen Moab of Ammon. (Deuteronomium. 2:2-9, ibid. 2:17-19)
Daarentegen werd hen opgedragen de strijd aan te gaan en de twee Emorietische koningen, Sichon en Og te onderwerpen (ibid. 2:24-25, 31 en 3:2).

De verklaring is dat de zeven naties [de aardse manifestaties zijn] van de zeven kwaden, m.a.w de gebroken vaten.
Aldus, alle heiligheid [die oorspronkelijk in hun aanwezig was] had hun verlaten.

In de wereld van Tohoe, welke ineen stortte, vond de volledige breuk alleen plaats in de zeven lagere sefirot, van chesed tot machoet. Toen de vaten van deze sefirot braken, konden zij niets van de heilige “lichten” die zich in hen bevonden, vasthouden. Om die reden verlieten deze lichten de vaten en de gebroken vaten vielen in de lagere werelden, en werden de bron van al het egocentrische en kwaad in die werelden.

[Iets van] de heiligheid bleef, echter, in de eerste drie [Sefirot]. De [aardse manifestaties van deze sefirot] waren de Kenieten, de Kenizieten, en de Kadmonieten.

In de eerste drie sefirot van Tohoe, waren de vaten veel spiritueler dan in de zeven lagere sefirot. Dit is gewoon vanwege emoties, de lagere zeven sefirot, zijn meer subjectief dan het intellect of het hoogste intellect (de eerste drie sefirot). Daarom, ondanks dat er geen wisselwerking was onder de sefirot in de wereld van Tohoe (dit is de reden waarom de vaten braken, zoals we eerder hebben uitgelegd), was dit niet zo doorslaggevend in het geval van de eerste drie sefirot. Hun essentiële aard was niet zo assertief en zo select dan andere naturen, zoals die van de zeven lagere sefirot waren.

Aangezien de verbrijzelde fragmenten van emoties (middot) van Tohoe waren vast gelegd  in onze wereld, kunnen wij hen verfijnen en verheffen. Dit doen wij telkens wanneer wij onze dierlijke aard zuiveren, de voltooiing van dit proces zal de inleiding zijn van de Messiaanse Tijd. Aangezien het intellect en het hogere intellect van Tohoe niet waren gebroken en daarom niet werden vastgelegd in de existentiële structuur van onze bestaands orde, kunnen wij het niet sublimeren.

In de [Messiaanse] toekomst, zal heiligheid compleet weggaan [eveneens deze sefirot] dan zal ook aan ons worden opgedragen om van hen “geen in leven te laten”.

De verheffing en verfijning van ons intellect en hoogste intellect van Tohoe zal alleen plaatsvinden in de Messiaanse Tijd, wanneer wij ook in staat zullen zijn, om de negatieve aspecten te verwijderen van deze sefirot.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT MATÓT – MAS’ÉE

Mozes; “Strijder voor vrede”.

Ons wordt opgedragen om oorlog te voeren tegen de krachten van onenigheid en conflict.

Wapen de mannen onder jullie voor een legereenheid. Laten die zich tegen Midjan keren om G’D’s vergelding te brengen op Midjan. Een duizend van elke stam……”(Numeri. 31:3-4)

De spirituele betekenis en het belang van deze oorlog tegen Midjan is de onderdrukking van de negatieve energie van Midjan, die conflict en onenigheid is. (Zohar. 2:68) De oorlog tegen Midjan is de rectificatie van disharmonie, met ander woorden, het brengen van vrede en harmonische eenheid.       

Rabbi Schneur Zalman (likoetei Thora) verhaalt uitvoering over het feit dat onze Geleerden zeggen dat in de Eerste Tempel periode de Joden afgodenrij overspel en moord hadden bedreven. Gedurende de Tweede Tempel periode was de primaire zonde van de Joden ongegronde haat (Jeruzalem Talmoed Chagiga 1:5; Joma 9b) en om die reden was de Tempel verwoest. Doch de huidige verbanning, die voortkomt uit de tweede destructie, duurt 1700 jaar, terwijl de eerste verbanning, die kwam vanwege de zonden van veel grotere omvang, slechts 70 jaar duurde!

Waarom z’n voortdurende verbanning? Toen de Israëlieten Kanaän binnentrokken, werd van hun verondersteld het land te ontdoen van de zeven volkeren die daar leefden, de Kanaänieten, Hittieten, etc. (tenzij ze de zeven Noachidische wetten zouden accepteren). Maar de Israëlieten tolereerden sommigen van hen in het land en werden beïnvloed door hen. (Numeri. 33:55)

Deze volkeren hadden grove gruweldaden begaan, vanwege het feit dat zijn de negatieve tegenhanger van de zeven emoties, “afval” van de gevallen koningen van Tohoe. Omdat zelfs gedurende de periode van Eerste Tempel de Joden waren beïnvloed door deze krachten, duurde de eerste verbanning 70 jaar, tien jaar voor elke zeven eigenschappen.

In de Tweede Tempel periode echter, waren de zonden niet gerelateerd aan de zeven negatieve eigenschappen, maar ongegronde haat onderlinge. Dit was de negativiteit van Midjan, een veel subtieler kwaad en niet een van de zeven volkeren. 

Dus zeggen onze geleerden in Joma 9b: “Degene van de Eerste Tempelperiode, wiens zonden werden geopenbaard, is in het einde van hun verbanning evenzeer geopenbaard.” Met andere woorden, de zonden van de Eerste Tempelperiode waren onmiskenbaar kwaad en waren makkelijk herkenbaar en te berouwen. De zonde van ongegronde haat echter, is subtieler en veel moeilijker te corrigeren, aangezien de beoefenaar zichzelf voor de gek houd door te denken dat het niet echt een zonde is.  

 Dus “daarin is het einde niet geopenbaard”, de tweede verbanning duurt veel langer omdat er een veel langere tijd van erkenning nodig is van het kwaad en om het te berouwen. Net zoals het langer duurt om minuscule deeltjes van een ongewenste stof te verwijderen dan grote grove elementen. De rectificatie van de zonde van ongegronde haat verlangt een langere periode omdat mensen het niet als volledig kwaad beschouwen, zij zijn veelal er van overtuigd dat hun haat gerechtvaardigd is.

 In werkelijkheid echter is zijn haat en disharmonie de tegenovergestelden van G’ddelijkheid en Heiligheid, welke eenheid belichamen, G’D is één. Eenheid is het fundament van de hele Thora, zoals Hillel de Oudere het uitdrukt: “Wat hatelijk voor jou is doe dat niet voor je medemens.” (Shabbat. 31a)

TRANSFORMATIE

In feite volbrengt deze oorlog tegen Midjan meer dan juist onderdrukking van Midjan; de energieën die voordien aanwezig waren in het domain van Midjan werden getransformeerd naar de sfeer van Heiligheid, duisternis werd veranderd tot licht.

TWEE PAMALYAS

In een zelfde stemming zeggen onze Geleerden: Iedereen die Thora studeert voor zijn eigen bestwil brengt vrede in de Hogere “Pamalya” (klassiek  Aramees voor “heerscharen”) en de Lagere Pamalya. (Sanhedrin 99b) In de letterlijke zin refereert Hogere “Pamalya” aan de spirituele werelden, terwijl de Lagere “Pamalya” refereert aan deze laagste wereld. Maar in bredere zin bevat de hele realiteit een hogere en een lagere “Pamalya”, inclusief de menselijke realiteit. De onzelfzuchtige student van Thora brengt vrede in beide sferen in al hun verschijningsvormen. In de menselijke zin, zijn de twee niveaus het verstand en het hart. Wanneer er vrede heerst tussen hen, heerst het verstand over het hart. Immers de emoties worden geleid door het intellect.

DE LERING

De oorlog tegen “Midjan” moet worden gestreden [met ons zelf]; we moeten vrede en liefde hebben [met onze medemens en omgeving.

Alle Chabad Meesters hielden verhandelingen die zij zouden herhalen van tijd tot tijd om de atmosfeer van de wereld te zuiveren en te louteren. Deze verhandeling bekend als Heichaltzoe werd oorspronkelijk gegeven door Rabbi Schneur Zalman in het jaar 1768, toen hij op reis was naar huis van een bezoek aan zijn leermeester Rabbi Dovber van Mezrich en was een van degen die dit vele malen zou herhalen.

Sindsdien herhaalde de Meesters de verhandeling over dit onderwerp bij speciale gelegenheden om gevoelens van onenigheid te onderdrukken. In 1898 gaf Rabbi Shalom Dovber, de vijfde Chabad Rebbe, de meest fameuze verzie van deze verhandeling op Simchat Thora en opnieuw op Parashat Noach ter gelegenheid van een familie bijeenkomst.

Moge het met G’D’s wil zijn dat er vrede zal zijn in de Lagere Pamalya en de Hogere Pamalya, zowel vrede tussen de ziel zoals die existeert in het Hoge, waaraan wordt gerefereerd als “de ziel die U in mij heeft geplaatst die puur is” en de ziel als die neerdaalt, waaraan wordt gerefereerd als “U creëerde, vormde en blies het in mij”. En ten slotte moge we de ultieme vrede hebben, die zal plaatsvinden in de Toekomstige Era.

SHABBAT SHALOM     

PARASHAT PINCHAS

Rabbi Jitzchak Luria

De Sterkte van de Zusters

De Geschriften van de Ari

Shaar HaPesukim and Likutei Torah

In de Thoralezing van deze week, geeft G’D de geboden betreffende de verdeling van het Land van Israël onder de stammen en families van het Joodse Volk. Na het horen van deze geboden argumenteerden de vijf dochters van een man Tzelofchad, die geen zonen had, dat zij ook recht zouden hebben op een erfdeel van het Land, ondanks het feit dat het Land expliciet alleen werd toebedeeld aan zonen. (Numeri. 27:1-11)

Wees er van bewust dat Tzelofchad de oorsprong van de vijf gesteldheden van Gevoera verpersoonlijkt. Dit is aangegeven door het feit dat de letters van zijn naam het woord “de schaduw van angst [in Hebreeuws, ‘tzel pachad’]” spellen.

De emotie angst wordt geassocieerd met de eigenschap van Gevoera.

De vijf dochters verpersoonlijken de vijf gesteldheden van Gevoera.

Er zijn vijf gesteldheden van gevoera in bina en da’at, welke vervolgens resulteren in de belangrijkste sefirot van de emoties, van Chesed tot Hod.

In specifieke zin, personifiëren zij de vijf gesteldheden van Gevoera die in Yesod van Zeir Anpin blijven en dus niet Malchoet binnengaan. In plaats daarvan nemen andere gesteldheden van Gevoera hun plaats in en treden Malchoet binnen.

De eerste series gesteldheden van Gevoera die afstammen van Imma tot Zein Anpin blijven binnen Yesod totdat zij zijn “verzacht” door de gesteldheden van Chesed  in Zeir Anpin. Vervolgens treden zij Malchoet/Noekva binnen.

Om die reden was Mozes onzeker of zij nu wel of niet recht hadden op een aandeel van het Land, met andere woorden in Malchoet.

De aarde en specifiek het Land van Israël, verpersoonlijken Malchoet. Deze vijf dochters personifiëren de vijf gesteldheden van Gevoera, maar zij zijn kopieën van de vijf gesteldheden die Malchoet niet bereikten, dus Mozes was er niet zeker van of zij de kopieën verpersoonlijken die Malchoet bereikten of niet.

G’D zei tot hem, aangezien zij licht doen stralen in Malchoet, verdienen zij een aandeel in het Land.

Zelfs de kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera die zichzelf niet laten binnengaan in Malchoet stralen iets van hun licht in Malchoet en daarom, wat voor kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera de vijf dochters van Tzelofchad dan ook verpersoonlijken, verdienen zij een aandeel in het Land.

Van deze vijf gesteldheden van Gevoera, zijn drie van hen verzacht door de gesteldheden van Chesed [in Zeir Anpin] en twee niet.

De drie die zijn verzacht werden gepersonifieerd door de dochters Hoglah, Milcah en Tizah.

Dit is omdat Hoglah “zij heeft een feestdag” betekent [Hebreeuws, ‘hag lah’]. Zij viert feest omdat zij verzacht is door Chesed.

 Milcah’s naam geeft haar essentie aan.

Milcah” kan worden uitgesproken als “Malka” wat “koningin” betekent, wat duidelijk associeert met Malchoet in de betekenis van “soevereiniteit”

Tirzah betekend “wil” en “barmhartigheid”.

Tirzah betekent “zij zal willen” aangevend welwillendheid en wenselijkheid, welke alleen mogelijk zijn als gevoera is gezoet en verzacht door Chesed.

De twee die niet werden verzacht waren Mahla en Noa.

Mahla” kan worden geïnterpreteerd als “zij zal worden tenietgedaan”, vergelijkbaar met “En Hij verdelgde” [Hebreeuws, ‘vayimach‘ al het leven…..”(Genesis. 7:23)]

Noa is gelijk aan [de woorden “zwalkt en waggelt” in] het vers “De aarde zwalken en waggelen als een dronkaard; [ze zwaait heen en weer als een hut in de storm. Haar onrechtvaardigheid drukt zwaar op haar, ze valt en staat niet meer op]” (Jesaja. 24:20).

Deze twee namen zijn dus geassocieerd met de gesteldheden van Gevoera die niet zijn verzacht door Chesed.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BALÁK

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Balak, p.185a

In de Zoharvertaling van deze week verklaart een jong kind aan twee studenten van Rebbe Shimon, Rabbi Jehoeda en Rabbi Jitzchak, het mysterie over het uitspreken van de Zegen Na De Maaltijd over een beker wijn. Deze mysteries staan in contrast tot de magie van Bilaam, wiens enige intentie, met betrekking tot zegeningen en vervloekingen, eigenbelang was.

Zij zeiden tot hem: : Kom en zegen” {de oproep om de dankzegening uit te spreken Na De Maaltijd over een beker wijn wanneer er meer dan drie joodse mannen of meer, tezamen hebben gegeten}.
Hij zei tot hen: “Wat jullie hebben gezegd is zeer goed, omdat de Heilige Naam (de Shechina) alleen gezegend is, in een Dankzegging Na De Maaltijd, die vooraf is gegaan door een invitatie bij degenen die aanwezig zijn.”

De Sefardische rite, die het dichtst bij de bewoording van de Zohar staat, luidt: “Hav lan venavreech LeMalka Ila-ah”- “Kom en zegen de Hemelse Koningin”. De Ashkenasische rite begint met de woorden; “Rabossai nevareech”- “Mijne heren, laat ons de dankzegging uitspreken”.

Hij begint zijn verhandeling met het vers: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer; steeds is een lofzang voor Hem in mijn mond”. (Psalm. 34:2)
Wat bracht Koning David er toe, om te zeggen: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer”? {als hij G’D wilde zegenen, waarom dan niet onmiddellijk?}
David zag, dat bij het zeggen van Dankzegging Na De Maaltijd, een uitnodiging vereist was [aan de Shechina en aan het gezelschap om te reageren op de zegen].

De Rabbijnen hebben alle zegeningen, die we uitspreken t.a.v. G’D, vastgelegd, met uitzondering van één. Dankzegging Na De Maaltijd is nadrukkelijk vermeld in het Thoravers: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Hij zei: “Ik wil zegenen” [in de aard van een uitnodiging] aangezien op het moment, als een persoon aan zijn maaltijd zit, de Shechina daar eveneens aanwezig is.

“Daar” wachtend om de vonk van heiligheid te ontvangen die het voedsel in zich draagt, die door de zegening werd vrijgegeven en welke de persoon het vermogen geeft om Thora te leren en het doen van mitzvot.

De “Andere Zijde” staat daar evenzo.

Het fysieke voedsel en het cultisch genoegen van de eters ervan, maakt deel uit van de fysieke wereld en verwijdert elke vorm van heiligheid, vandaar dat het de “de Andere Zijde” wordt genoemd. Invitatie aan de eters is daarom vereist om de Dankzegging Na De Maaltijd te zeggen, en te laten zien dat de eters de intentie hebben om de spirituele bron van het voedsel te zegenen en niet de Andere Zijde.

Wanneer een persoon zichzelf en anderen uitnodigt om de Heilige, geprezen zij Hij [Zeir Anpin] te zegenen, dan brengt deze invitatie de Shechina naar een hoger niveau om zegening te ontvangen [van de sefira van bina]. Wat de “Andere Zijde” gedwee en meegaand maakt.

De uitnodiging verhoogt het bewustzijn van de eters om de bron van alle zegeningen te zegenen en zodoende eenheid tussen de spirituele en fysieke werelden teweeg te brengen.
De bron van de zegen is in het bewustzijn van het G’ddelijke vertegenwoordigd door de sefira van bina of Zeir Anpin de Hogere Moeder geheten, zoals boven vermeld in de Sefardische invitatie.
Dit alles verschuift het fysieke cultische genot van het voedsel en de lust geassocieerd met de jetzer hara (slechte inclinatie) naar een tweede plaats.
Anders gezegd, zonder de voeding van de heilige vonken, is de “Andere Zijde” beroofd van al zijn krachten.

De beker is een reservoir om wijn te ontvangen. Dit representeert de Shechina die als het ware als een reservoir dient om de zegen te ontvangen, gesymboliseerd door de wijn.

De Zohar stelt wijn altijd gelijk aan de sefira van bina. Het maakt een persoon gelukkig, zoals bina, “verstandelijk begrijpen”, welke de bron van geluk is. Het stimuleert ook het verstand, zoals in het gezegde “Wanneer wijn binnendringt, komen de geheimen te voorschijn”. (Rashi, Baba Batra 90b)

Dus wijn symboliseert het G’ddelijke van bina in Zeir Anpin dat neerkomt om de Shechina te dragen.
Dit is de reden waarom de vrouw des huizes de eerste zou moeten zijn om de beker te ontvangen, nadat de zegen er over is uitgesproken. Zij symboliseert de Shechina, zodat zij als eerste de beker ontvangt voor de rest van het gezelschap.

Daarom zijn [de woorden van invitatie] vermeld op een verhullende wijze, omdat de hogere wereld is verhuld.

De Shechina is relatief meer geopenbaard in de fysieke wereld. Daarom is het vasthouden van de beker als aanwijzing genoeg. Dit is niet het geval met de hogere, meer verhulde niveaus van de spirituele wereld. Juist zoals ons eigen bewustzijn en denkproces niet zichtbaar is, zo ook is het bewustzijn van het G’ddelijk niet “zichtbaar”.
Om die reden zeggen we, “Gezegend is Hij van Wiens voedsel we hebben gegeten”. “Hij” is verhuld, maar niet Zijn voedsel!

Er is geen andere specifieke invitatie tot Hem, dan de zegening beker.

De Zohar stelt een algemene regel, die niet de geaccepteerde Halacha (geldend joods recht) is. Het vereiste, dat de invitatie wordt uitgesproken over een beker wijn, is vanwege het mysterie dat het symboliseert.
De geaccepteerde Halacha echter, veroorlooft ons om de “invitatie” te maken zonder een beker wijn.
Een interessante voetnoot daarbij is, dat wanneer er een beker wijn wordt gebruikt in de Sefardische rite, de “invitatie” begint met, “Malka Ila-ah” (symboliserend bina) wat beantwoord wordt met “Shamajiem”, betekenis, “Hemelen” een verwijzing naar Zein Anpin.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

 De inzetting     Numeri. 19:1 – 22:1

Likoetei Sichot, vol.4, p. 1058: Het overwinnen van de onzuiverheid van de dood.

 Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron zeggend: ‘Dit is de inzetting (Choekat-statuut) van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode vaars brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moet die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men moet haar slachten in zijn bijzijn. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed en spat iets van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de vaars voor zijn ogen;  men moet de huid samen met het vlees en het bloed en de mest verbranden.” (Numeri. 19:1-5)

Om de grootste vorm van onzuiverheid te kunnen overwinnen, moeten we de logica te boven gaan.

Dit gedeelte van de Thoralezing met betrekking tot de wetten van de as van de Rode Vaars bevat de zinsnede: “. Dit is de inzetting van de Thora”. (Numeri. 19:1)

Alle variaties van onzuiverheid in de Thora en de corresponderende purificerende riten kunnen worden begrepen in termen van de relatieve nabijheid van de dood. Ongetwijfeld en niettegenstaande, is de meest fundamentele vorm van verontreiniging, de absolute volkomen verschijning van dood zelfaan het menselijk lichaam.

Dood is de antithese van heiligheid, want G’D is de herkomst, de bron en de vitaliteit van het leven. Daarom brengtelk contact met de dood of een potentiele dood die rituele onzuiverheid teweeg, weert iemand van het binnengaan van het Tabernakel of later, de Tempel. Het weert iemand van de sfeer van heiligheid.

Door confrontatie met de realiteit van de dood, worden we blootgesteld aan de besmettelijke invloed van de wet van entropie: de natuurlijke realiteit dat alles onderhevig is aan verval en sterfelijk is. De wet geeft richting aan vergetelheid en de zinloosheid van het leven, aan een ontaarding van al wat leven is.

Dit depressieve wereldbeeld is compleet het tegenovergestelde van onze G’ddelijke opdracht, die impliciet aangeeft dat er een doel is in het leven en verzekerd dat het vervullen van deze opdracht mogelijk is.

Om opnieuw toegang te herwinnen in het rijk van het zuivere leven, moet iemand een purificatie proces ondergaan, die dient om zijn depressie (echt of in potentie aanwezig) te genezen en om zo iemand opnieuw terug te brengen naar het doel, het enthousiasme en vitaliteit van heiligheid voor het leven.

Omdat de onzuiverheid van de dood de bron is van alle andere onzuiverheden, is de purificatie rite de meest extreme en de meest mysterieuze in de hele Thora. Zoals we al zeiden, dat de wetten van de natuur inderdaad uitmaken dat vroeg of laten alles en iedereen onderhevig is aan dood is deze wet te weerstaan in het tarten van de logica en daarom is de rite van purificatie van de dood van een niveau van existentie die logica te boven gaat; het is een “statuut”, een schijnbare eigenmachtige expressie van G’D’s Wil, verstoken van rationeel logisch begrip en zelfs strijdig met logica in het geheel.

Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

Betreffende de essentie van de rite van de rode vaars zei Koning Solomon, zaliger in gedachtenis, “Ik zei: ‘Ik zal wijs worden,” maar het was ver van mij verwijderd” (Prediker. 7:23).  Waarop onze Wijzen in Bamidbar Rabba. 19:3 nader verklaren: “Koning Solomon was de wijste van alle mensen, maar zelfs hij kon niet begrijpen dat, in de rite van de rode vaars, de persoon die de purificatie uitvoerde zelf verontreinigd raakt.

Probeer te realiseren dat het volgende het fundamentele begrip is van de rite van de rode vaars:  namelijk dat Malchoet ontvangt van de achterzijde van de Heilige Namen en niet van de voorzijde.

Aangezien de rite van de rode vaars een staat van realiteit illustreert waarin de G’ddelijke Naam zijn “gezicht” niet laat zien, maar eerder zijn “achterzijde”, ervaren we onszelf in deze context als zijnde verwijderd, of “ver” van G’D’s aanwezigheid. Dit is de reden dat Koning Solomon zijn onvermogen beschrijft; om de werking van de rode vaars rite te doorgronden met “ver” van wijsheid.

Daarom moet de rode vaars rood zijn, om een staat van streng oordeel aan te geven [waar Malchoet onderhevig aan is].

Rood is de kleur van Gevoera, strengheid, striktheid. Iemand die is verontreinigd door contact met de dood, is in een staat van een extreem gelimiteerd G’ddelijk bewustzijn.

De grimmige confrontatie met de realiteit van de dood draagt het zaad in zich van miserabele depressie, geboren uit een nihilistische, fatalistische heidense of absurde houding ten aanzien van leven. De persoon moet daarom zichzelf “purificeren” van deze verontreiniging.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Korach                Numeri.  16:1 – 18:32

SHABBAT ROSH CHODESH TAMMOEZ

RABBI SHIMON bar JOCHAI

ZOHAR. P 187a

Korach’s benadering in het scheppen van onenigheid, puur in het belang van zijn eigen politieke agenda, staat streng in tegenstelling tot hoe wij moeten handelen.

Rebbe Elazar stond in de aanwezigheid van zijn vader Rebbe Shimon en vroeg hem uitleg over het vers: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet van elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.” (Geschriften. 9:9)

Dit vers schijnt een persoon te adviseren om van de fysieke genoegens van zijn leven te genieten zo goed als hij kan!

Hij antwoordt: Kom en zie. Dit vers bevat een mysterie. Een persoon moet altijd “leven” insluiten  [de intellectuele sefirot van chochma enbina] met die positie [malchoet, verwijst eveneens naar de “vrouw”]. Men kan zich niet verplaatsen zonder de andere.

Identiek aan de beslissingen en gedachten van een persoon als hij leven geeft aan zijn ledematen, zo nodig in de spirituele sfeer Zeir Anpin, Malchoet, om de Hogere Wil te actualiseren.

Men zou de eigenschap van de nacht mede insluiten met de eigenschap van de dag en de eigenschap van de nacht binnen dat van de dag.

“Dag” is het licht van Zeir Anpin, m.a.w de emoties, zoals barmhartigheid (chesed).Er zal constant gehamerd moeten worden op het besef, waar een gebrek aan liefde is en een gemis aan bewustzijn, m.a.w “duisternis”.

Dit wordt bedoeld met de woorden”Geniet van het leven [haal neer de overvloed van Zeir Anpin] met de vrouw die je bemint [Malchoet].” [hierdoor breng je éénheid in de wereld.] En wat is de reden om dit te doen? Het is omdat zij [Malchoet] je plaats, je positie is in het leven en leven kan alleen in die positie verblijven.”En in je werk, het werk dat je verricht onder de zon, is zoals het werk dat genoemd wordt in het vers: “Ken Hem in alles wat je doet, dan zal Hij voor jou een weg banen.” (Spreuken. 3:6)

De Ramak verklaart dat dit vers een instructie is om alles te heiligen wat we doen in het leven, met de intentie om spirituele éénheid tot stand te brengen.
Dus als iemand een huis bouwt zal hij zeggen, dit huis is zoals de Shechina en ik bouw dit huis met de intentie om de Shechina te verfraaien met mitzwot m.a.w het ontvangen van gasten en het hebben van kinderen. Dit is alsof de hogere spirituele mens één is geworden met de Shechina.  Idem, wanneer iemand sieraden of mooie kleding koopt voor zijn vrouw, zal zijn intentie het decoreren van de Shechina moeten zijn. Wanneer iemand op deze wijze handelt, heeft dit een meditatieve bedoeling, en G’D maakt deel uit van zijn leven, hij zal de Goddelijke voorzienigheid zien in alles wat hem omgeeft.

SHABBAT SHALOM