PARASHAT SHELACH LECHA

Zend jij     Numeri. 13:1 – 15:41

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

HET OVERTREFFEN VAN HET NIETS

ZOHAR III, p. 159a

Mozes zendt verkenners het Land in met de instructie om verslag te doen over zijn inwoners, hun steden en over het natuurlijke karakter van het Land. Hen werd ook gevraagd om bij terugkomst enkele vruchten mee te nemen. Deze sectie van de Zohar onderzoekt de diepere betekenis van de voorgelegde vraag aan de verkenners: “Zijn er bomen of niet?”

….Wat voor Land is het? Is het vruchtbaar of schraal? Zijn er bomen of niet? Gedragen jullie je moedig en nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee. (Numeri. 13:19-20)      

Rabbi Shimon [bar Jochai] leert: Mozes gaf hun een wijze hint aangaande wat in eerste instantie moest worden onderzocht,  zoals staat geschreven “Is G’D onder ons of niet?” (Exodus. 17:7)

Dit werd eveneens weergegeven in een eerder vers, toen het volk zich beklaagde dat zij geen water had en Mozes water onttrok aan een rots bij Massah en Meribah. Beiden verzen gebruiken de expressie im ayin wat “of niet” betekend. In het voorafgaande vers was de vraag per slot van rekening niet of G’D met hen was of niet, “Vul Ik niet de hemelen en de aarde?” (Jeremia 23:24), of, zoals de Zohar zelf zegt, “Er is geen plaats verstoken van Hem” (Tikkoenei Zohar, Tikkoen 57). Integendeel, de vraag was welk niveau van G’ddelijkheid was met hen op dat moment?. Werd het niveau aangeduid door de naam Havayaha of erd het aangeduid door het niveau wat “Ayin” heet?

Elk van de namen van G’D die gegrondvest zijn in de Thora verwijzen naar een specifiek type van handeling, zoals in G’D’s antwoord aan Mozes: “Je wilt Mijn Naam weten? In overeenstemming met Mijn daden wordt Ik aangeroepen.” (Shemot Rabba 3:6) De naam Havayah verwijst naar G’D als Schepper van de wereld, van het woord “mehaveh“, wat “in tot het zijn” betekend. (Opgemerkt moet worden dat sommige commentaren de naam Havayah afleiden van “haja” “hojeh“, ´vejih jeh“, simultaan aangevend het verleden, het heden en de toekomst, een directe verwijzing naar de superioriteit van G’D. Hoe dan ook, in onze context wordt de eerste betekenis”  bedoelt, zoals vanuit de tekst duidelijk zal worden. Het woord “ayin” ( wat transcendent,”het niet zijn”, betekend), verwijst echter naar zo verheven niveau dat het elke naam te boven gaat.

Hij [Mozes] vertelde hen: Bepaal of dit Land is verbonden met de naam Havayah of met Ayin.

Technisch gezien gaf hij hun de opdracht om te bepalen of het was Land was verbonden met de sefira van tiferet (Havayah) of met keter (Ayin). Hoe konden zij dit bepalen?

Hij zei tot hen dat als zij zagen dat de vruchten van het Land leken op die van andere landen, dan “heeft het bomen”, verwijzend naar de Levensboom [welke Tiferet is].

Noteer dat we de frase “im yesh bah etz im ayin” vertalen als “zijn er bomen (meervoud) of niet”. Een meer correcte vertaling zou zijn “is er een boom (enkelvoud) of niet”? Daarom kunnen wij aannemen dat het refereert aan de Boom van Leven.

Maar als je ziet dat het fruit van het Land uitzonderlijk groot is, groter dan ergens anders, dan zul je weten dat het is gekoesterd door een fundamenteel heilig niveau,  vanwaar zijn ongewone eigenschappen zijn neergedaald.  Op die wijze zul je weten als het Land een Boom heeft [van Tiferet] of niet [Ayin, het transcendente niet zijn van keter]… Om die reden zei hij tot hen, nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geheim van de lamp

Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

Neem op   Numeri.  4:21 – 7:89

Rabbi Shimon bar Jochai

De gedaante verwisseling van Jitro

Zohar, p. 122a

 Wanneer een man of een vrouw een of andere menselijke overtreding begaat……(Numeri. 5:6)

Om dit vers te kunnen verklaren, introduceert Rabbi Shimon een ander vers en zegt:

Kom en zie [wat is geschreven in relatie tot de oorlog tussen Barak en Yavin, de koning van Kanaän]:

Heber, de Keni, die één van de  nakomelingen was van Hobab, de schoonvader van Mozes, had zichzelf gesepareerd van de Kenieten. (Richteren 4:11)

Bedenk dat Heber de Keniet, een nakomeling was van Jitro, die ook bekend was onder de naam Hobab. Om die reden waarschuwde Koning Saul de Kenieten  om hun kampement te verplaatsen, weg van de Amalekieten, voor de aanvang van de strijd.

Het vers verklaart, “En Saul zei tegen de Kenieten, ‘Ga….”‘. (Samuel, 15:6) Waarom werden zij “Kenieten” genoemd? Dit hebben wij reeds eerder uitgelegd, omdat zij nakomelingen waren van een volk met de naam “Kenie“.

Zij zijn nadrukkelijk vermeld als een volk dat leefde in Israël in de tijd van Abraham:

Zoals het vers in Genesis. 15:19 bevestigt, de Kenieten en de Kenizieten…..

Nu zou je kunnen zeggen dat de naam “Keni” komt van het Hebreeuwse woord voor vogelnest [“ken“] omdat zij een tijdelijke behuizing maakten in de woestijn, zoals een vogel voor zichzelf een tijdelijk nest bouwt. Zij verlieten hun steden en gingen naar de woestijn om Thora te leren.

Maar dit was niet om een nieuw nest maken, want het vers stelt uitdrukkelijk dat zij zich separeerden van de Kenieten.

Zij separeerden zichzelf van het Kenietische volk, dat met hen was van het prilste begin en verenigden zich met de Heilige, geprezen zij Hij. [Dus], “separeerden zij zich van ‘Kayin‘ [Hebreeuws voor “kain”]”.

Hoe gelukkig is het leven van een persoon die waardig is om zich onder te dompelen in de Thora, zich eraan te hechten en om haar pad te bewandelen.

Leren is niet genoeg; men moet de opgelegde mitzwot ook uitvoeren en in de praktijk  brengen, in de vorm zoals ze zijn opgelegd. Dit is de betekenis van de term “Halacha” wat zowel “wet” als “weg te gaan”, of “wandelpad” betekent.

Wanneer iemand de mitzwot van de Thora uitvoert, haalt hij neerwaarts in zich, een hogere heilige geestelijke kracht, zoals wordt aangegeven in het vers “Totdat vanuit het hogere een geest over ons wordt uitgegoten” (Jesaja. 32:15).

In het begin heeft iemand alleen zijn levend gevende ziel (Nefesh) en als hij Thora leert en mitzwot uitvoert verkrijgt hij zijn geest (Roeach).

Echter, wanneer een persoon afwijkt van dit pad, haalt hij neerwaarts in zich, een geestelijke kracht van de andere kant van het heilige. Dan ontvangt hij een onzuivere geest uit de oorsprong van Noekva de Tehoma Rabba.

Dit is het niveau van bina van de wereld van Beriya van Kelipa. Dan is zijn verstand ontaard door egotistisch denken waardoor zijn realiteitsbesef wordt  vervormd.

Deze oorsprong  is de verblijfplaats van de negatieve krachten [depressies, rechtvaardiging van slechte daden en dergelijke]. dit beschadigt niet alleen de persoon, maar veroorzaakt ook schade aan de wereld. Zij worden “schadeveroorzakers” [“nizikin“] van de wereld genoemd. Zij zijn aanwezig door de eerste Kain [de moordzuchtige zoon Adam].

Jetro was van oorsprong een priester van afgoden. Hij vereerde exact deze kwade kant. Hij haalde van daaruit een negatieve geestelijke kracht in zich neer en om die reden werd hij een “Keniet” genoemd.

Alhoewel hij een Keniet werd genoemd nadat hij teshoewa had gedaan en terugkeerde tot G’D, was deze naam niet gegeven in een minachtende zin.

Hij hechte zich aan G’D en volbracht de goede kant die in Kain was.

Dus leren we van Jetro, zelfs als een persoon valt naar het laagste niveau, kan hij, door het leren van Thora en de praktische wegen van Mitzwot  te gaan, zijn negatieve natuur achter zich laten  en zich hechten aan het Heilige.

SHABBAT SHALOM

Shavoe’ot – WEKENFEEST

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

Likoetei Thora

Er is een passage in het Boek Spreuken waarin de Thora zelf de spreker is en zichzelf antropomorfiseert en beschrijft al te hebben geëxisteerd vóór de Creatie van het universum. Na uitspraken als “Toen G’D de hemelen vestigde, Ik was daar; toen Hij een cirkel trok over de oppervlakte van de diepten”, gaat de Thora verder met te zeggen, “Ik was met Hem als een zuigeling en Ik was elke dag Zijn vreugde, spelend voor Hem te allen tijden; spelend met de wereld, Zijn wereld en Mijn vreugde was met de zonen van de mens.” (Spreuken, 8:30-31) Deze uitspraken zijn niet alleen poëtisch, maar bevatten ook diepgaande esoterische verwijzingen naar de essentiële aard van de Thora die werd gegeven, hetgeen wij vieren op de feestdag van Shavoe’ot.  

De Thora’s beschrijving als zijnde een “zuigeling” (“amon” in het Hebreeuws) herinnert en verwijst naar Mozes vraag aan G’D nadat Mozes net heeft verteld  dat de Joden op miraculeuze wijze zullen worden voorzien van vlees in de woestijn en Mozes “zich, als het ware, beklaagt”, dat hij niet kan fungeren als een instrument van dat gebeuren: [Wie ben ik], zegt Mozes tot G’D, dat U zegt tot mij, Draag het [Joodse Volk]  aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft [in het Hebreeuws, “omen”] …. waar [haal] ik vlees vandaan?” (Numeri, 11:12-13)

[Zoals verklaard ergens anders in Likoetei Thora, komt Mozes’ ziel voort uit een uitermate subliem spiritueel niveau. Zijn ziel was zo verheven dat Mozes, die juist 40 dagen en nachten bovenop de Berg Sinaï had doorgebracht, in zo een krachtige staat van heiligheid verkeerde dat hij geheel werd onderhouden door spiritualiteit en geen behoefte had aan fysiek voedsel, hij voelde dat hij zich niet meer kon relateren aan zulke aardse dingen als vlees. Hij had het begrip verloren hoe hij het aan de gewone mensen verstrekt kon worden.

Op een vergelijkbare manier, had Mozes G’D duidelijk gemaakt dat hij ongeschikt was om G’D’s boodschap van verlossing over te brengen aan het Joodse Volk in Egypte omdat hij leed aan een spraakgebrek. De Chassidische leer verklaart dat Mozes’ bezorgdheid was dat zijn eigen verheven ziel niet in staat zou zijn om de kloof tussen de gewone Joden te overbruggen, zodat G’D’s boodschap niet succesvol zou worden overgebracht. G’D’s antwoord was dat Hij Mozes zou assisteren in het “overbrengen en het doen begrijpen van de boodschap”, Mozes moet zijn bijdrage leveren in het spreken tot het Joodse Volk en G’D zou ervoor zorgen dat de spirituele “kloof” werd overbrugd. Dus in plaats van met gewoon fysiek voedsel wordt Mozes geassocieerd met het Manna dat miraculeus neerdaalde van de hemel vanwege zijn verdienste (zie Taanit 9a; Zohar III 156a). Dit was spiritueel voedsel en iets waar Mozes zich aan kon relateren.]

Hier, de opmerking om een zuigeling te voeden duidt eerder op een diepere betekenis dan op eenvoudige literaire beeldspraak. Een pasgeboren baby is niet volledig ontwikkeld; een baby moet een heel groeiproces doormaken. In het begin is een kind bijna uitsluitend een creatuur van emotie, voelend plezier, angst, etc. maar niet in staat om te denken over of te begrijpen wat het ervaart. Zelfs zijn emoties hebben tijd nodig om zich te ontplooien en om al de nuances te ontwikkelen die zij in zich bergen. (Bijvoorbeeld, een kind ervaart niet “bitterzoet” of schrijnende gevoelens, alleen wilde vreugde en immens tekeergaan.)

Hoewel het waar is dat in moderne tijden vele zuigelingen geen borstvoeding meer wordt gegeven, symboliseert deze natuurlijke praktijk een zekere spirituele groei. In feite bevordert melk de ledematen van het kind, dus borstvoeding representeert en veroorzaakt de spirituele ontwikkeling en groei van de emotionele zieleigenschappen. Tijdens de periode van verzorging rijpen de emoties van de zuigeling en ontwikkelen zich. Nochtans is het niet veel later dat het intellect van het kind zich manifesteert, dat is waarom, ofschoon het bekwaam is in het voortbrengen van geluid ( en soms zelfs heel veel) is het niet in staat om intelligent te spreken. Dit latere stadium van ontwikkeling is mystiek geassocieerd met het spenen van het kind en het begin van vast voedsel, in het bijzonder brood, zoals de Talmoed leert, “Een kind weet niet “Vader” of “Moeder” te roepen tot het de smaak van graan heeft geproefd” (Berachot 40a, in ondersteuning van de uitleg dat de Boom van Kennis, die werd geïntroduceerd als intellectueel bewustzijn aan Adam en Chava, in feite graan was).

Kabbalistisch gezien, spelen de voorname Joodse Feestdagen, Pesach, Shavoe’ot en Soekot, een rol in de creatie van de Joodse zielen. Op de zevende dag van Pesach als het ware, waren nieuwe zielen “geboren”, in de zin dat zij voortkwamen uit de verheven spirituele sfeer van Atziloet, welke onafscheidbaar is  van G’D Zelf, in de relatief “lagere”sfeer van Beriya, worden zij beschouwd als separate entiteiten. Echter deze “nieuwgeboren” zielen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Zoals ergens anders verklaard, een ziel bezit tien spirituele eigenschappen, zeven overeenkomend met de emotionele eigenschappen van een persoon en drie intellectuele eigenschappen.

De nieuwgeboren ziel, net zoals een zuigeling, heeft tijd nodig voordat zijn emotionele vermogens volgroeid zijn; dit heeft in het bijzonder betrekking op de zo geheten “dierlijke ziel”, die de oorsprong is van iemands natuurlijke inclinatie. Ook deze, en niet alleen iemands spirituele tendensen, behoeven te worden ontwikkeld in instrumenten voor dienst aan G’D. Elk van de zeven emotionele eigenschappen, wanneer volwassen, is een compositie van alle zeven ( makend 49 emotionele componenten van ziel in totaal), en om deze “nuances” naar buiten te kunnen brengen, moet de ziel een periode ondergaan van spirituele “verzorging”. Dit refereert aan de 44 dagen van de Omer periode tussen de zevende dag van Pesach en de Feestdag van Shavoe’ot.

De Omer periode, de tijd in welke de Jood de dagen telt van de Exodus van Egypte tot het geven van de Thora op de Berg Sinaï, begint in de tweede nacht van Pesach en omvat 49 dagen in totaal. Deze corresponderen met de 49 emotionele eigenschappen van de ziel. Echter de eerste vijf dagen van deze telling ( met andere woorden, de vijf dagen van de telling) van de tweede tot de zevende dag van Pesach, representeren de mystieke vijf eigenschappen van goedheid ( de vijf Cheseds, de eerste vijf emotionele eigenschappen binnen de samengestelde eigenschap van Chesed, of goedheid zelf), welke de groei van de rest van de eigenschappen voortbrengt. De eerste vijf worden geïdentificeerd met de sfeer van Atziloet, overhoudend 44 die zich ontwikkelen na “geboorte”.

De mitzwa van het tellen van de Omer, dient de mystieke functie van verzorging van de ziel, en het ontwikkelen van hun innerlijke emotionele eigenschappen naar volwassenheid. Echter verzorging is niet een doel op zich zelf;  het leidt naar spenen en de bekwaamheid om vast voedsel  op te nemen. Dit wordt gesymboliseerd door brood en juist als “de smaak van graan” een nieuw niveau van intellectueel vermogen introduceert voor een kleuter, is het het spirituele “brood” dat de zielen na verzorging ontvangen, dat hun intellectuele eigenschappen zich uiten. Dit “brood” is de Thora zelf, die “voeding”  voor de ziel genoemd wordt (zie Talmoed Chagiga14a; Beréshiet Rabba 43:7), en waarover is geschreven, “Kom, eet Mijn brood.” (Spreuken, 9:5)

De feestdag van Shavoe’ot, toen de Thora aan het Joodse Volk werd gegeven, correspondeert dus mystiek met het “spenen” van de nieuwgeboren zielen. Dit is de reden dat ons op Shavoe’ot  wordt opgedragen een offer te brengen dat hoofdzakelijk bestaat uit twee broden (Leviticus. 23:17): één representeert de Geschreven Thora en de andere representeert de Mondelinge Thora (het gehele corpus Joodse Kennis, inbegrepen de Mishna en Talmoed, die de latente betekenis van de Bijbelse verzen openbaart). Dit niveau is ons door G’D verleend in antwoord op de zelf nullificatie van het Joodse volk uit eerbied voor Hem gedurende de overdenking van het Shema gebed, om die reden zegt het vers dat de twee broden gebracht moeten worden “vanuit je woningen” (in het Hebreeuws, “mimoshvateichem “), wat ook letterlijk van je “zittend” betekent, aangezien het Shema wanneer het gepast wordt gereciteerd zittend moet gebeuren.

“Verzorging” kan worden begrepen in de zin dat het een voorbereidende fase is leidend naar het eten van brood. Mozes, in al zijn nederigheid, voelde zich ongeschikt tot deze laatstgenoemde taak van het introduceren van “vast voedsel” van Thora aan het Joodse Volk, dat is wat hij bedoelde met het protest, “[Wie ben ik] dat U tegen mij zegt, “Draag [het Joodse Volk] aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft…” waar [haal] ik vlees vandaan?”

Men moet zich volkomen bewust zijn dat G’D absoluut transcendent en onkenbaar is. Elke relatie die wij hebben met Hem is een gift van G’D, die Hij verleent aan ons door overbrenging van de Thora: door Zich Zelf  “samen te persen” als het ware in de Thora, we zijn in staat om G’D Zelf te vatten door ons begrip van de Thora. De Thora zelf een is vat, het kanaal, dat deze G’ddelijkheid in zich draagt en doorgeeft  aan ons. Dit is waarom, ofschoon Mozes in zijn nederigheid voelde dat hij onbekwaam was in het overbrengen van G’ddelijkheid, helemaal afdalend naar ons niveau (dat van “brood”), de Thora zichzelf beschrijft als ze deze functie uitvoert, en zegt, “Ik was met Hem als een zuigeling.”

Het vers gaat verder met te zeggen, Ik was Zijn vreugde elke dag.”Dit verwijst naar de vreugde en het genoegen die alleen komt na intellectueel begrip. Niet alleen is de Thora een “zuigeling” die het intellectuele niveau van de ziel naar buiten brengt, het gaat zelfs verder met openbaren van diepere aspecten van  vreugde.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn    Numeri. 1:1 – 4:20

RABBI SHIMON bar JOCHAI

DE BRON VAN ALLE ZEGENINGEN

ZOHAR. P 118a

Rabbi Jehoeda was in de aanwezigheid van Rebbe Shimon en vroeg hem, “Vanuit welke plaats verkrijgt Israël zegeningen?”

The Mikdash Melech, commentariërend op deze vraag zegt, dat “Israël” de combinatie is van twee Hebreeuwse woorden, “li “, wat “aan mij” betekent, en “rosh“, wat “hoofd”, betekent, wat impliceert dat Israël het eerste is in het ontvangen van de zegeningen van het niveau van Atziloet.

Bovendien brengt hij naar voren dat de numerieke waarde van “Israël” 541 is,         hetzelfde als de eerste letters van elk van de sefirot. Dit impliceert dat Israël een volledige spirituele entiteit is. Rabbi Jehoeda vraagt van welke corresponderende sefira in Aziloet, zegeningen ten aanzien van Israël worden gegenereerd.

Rebbe Shimon antwoordde hem, “Wee degenen van de wereld die niet bewust zijn [ zorg te dragen in het uitvoeren van Mitzwot en het leren van Thora, wat zegeningen brengt aan heel de wereld]. Mensen zien niet de glorie van de Koning hierboven.

De moderne wetenschap kijkt naar de externe realiteit van deze wereld en probeert uit te leggen hoe het werkt. Dit concentreren op het uiterlijke laat een gapend gat achter in ons begrip van het realiteitsbewustzijn, omdat het geen antwoord geeft op hoe de wereld is zoals die is. Dit begrip van de innerlijke werking van de realiteit is het onderwerp waar de Zohar zich op richt. Zich bewust zijn van de spirituele structuur of aard van de wereld betekent, dat men zich bewust wordt van de glorie van de Schepper zoals die wordt weergegeven in Zijn werken. Dit stelt Israël in staat om zegeningen neerwaarts te halen vanuit de wereld van Atziloet en  Beriya. Rebbe Shimon treurt over de misleidende gerichtheid die mensen hebben op de realiteit, wat niet alleen resulteert in het niet zien, maar ook in het niet  brengen van zegeningen.

Kom en zie. Toen Israël waardig werd bevonden voor de Heilige, geprezen zij Hij en gegrondvest werd met Hem, gebonden aan de hogere heilige boom, die allen van levensonderhoud voorziet, werden zij gezegend vanuit deze plaats, welke een verzamelplaats is van alle zegeningen.

Het woord “waardig” (in het Hebreeuws, “zakain”) impliceert verdienste. Het is een spiritueel niveau dat voortkomt vanuit een passende vervulling van de mitzwot, met als gevolg dat de ziel wordt verfijnd naar het niveau waar hij het spiritueel licht waarneemt en beseft.

De “heilige boom” verwijst naar de boom van de sefirot en in het bijzonder naar de sefira van yesod van Zeir Anpin, welke is verbonden met tiferet, welke de “hogere heilige boom” wordt genoemd. Door zich te hechten aan deze boom, door het leren van Thora en het uitvoeren van mitzwot, verbindt men zich met de sefira van tiferet, die in zichzelf de overvloed verzamelt van alle sefirot van Atziloet. Wanneer er op een passende wijze door het Joodse Volk een verbintenis is, door de yesod van Atziloet, brengen zij spiritueel licht en wat nodig is om het leven te onderhouden naar al de lagere werelden van Beriya, Yetzira en Asiya.

SHABBAT SHALOM     

PARASHAT BECHOEKOTAI

In Mijn inzettingen Leviticus. 26:3 – 27:34

Maar als jullie niet naar Mij luisteren en jullie al deze mitzwot niet doen. (Leviticus. 26:14)

Er zijn verschillende meningen onder Kabbalisten ten aanzien van beloning en straf die de Thora voorspelt voor het in acht nemen en het niet in acht nemen van de mitzwot.

Nachmanides (Rabbi Moshe ben Nachman) opinie is dat, “De beloning die een persoon ten deel valt voor het doen van een mitzwa, of de straffen vanwege overtreding, alleen komt door het boven natuurlijke. Wanneer een persoon is overgeleverd aan zijn natuur en natuurlijke lot, zou de rechtschapenheid van zijn daden hem niets geven, en niets van hem nemen. Daarentegen zijn de Thora beloningen en straffen in deze wereld allen wonderen. Zij komen verhuld, zodat de in acht nemende denkt dat zij hebben plaats gevonden door de normale gang van zaken van de wereld; maar zij zijn in waarheid G’ddelijk verordende beloningen en straffen aan een persoon.”

Andere Kabbalisten echter, houden staande dat dit een natuurlijk proces is. In de woorden van de Shaloh: “De boven natuurlijke werelden reageren op de handelingen van de lagere wereld en vandaar spreid de zegen zich uit naar de gene die het heeft veroorzaakt. Voor de gene die deze waarheid begrijpt, is het geen wonder, maar de aard van de avodah ( menselijk levenswerk in het dienen van G’d)”.

Met ander woorden, juist zoals de Schepper bepaalde wetten heeft vastgesteld van oorzaak en gevolg die de natuurlijke werking van de fysieke wereld karakteriseren, zo ook bepaalde Hij een spirituele morele “natuur”, door welk goed doen resulteert in een goed en voldoening gevend leven en kwaad doen resulteert in negatieve en conflictvolle gewaarwording.

Een derde benadering associeert lijden met zonde als een bijproduct van G’Ds rehabilitatie van de snode ziel. De analogie is het verwijderen van een geïnfecteerde splinter van iemands lichaam: de pijn die wordt ervaren is niet een “straf” voor de onvoorzichtigheid van de persoon als zodanig, maar een onvermijdelijk onderdeel van het genezingsproces zelf. Het feit dat een vreemde substantie zich heeft ingebed in levend vlees welke tot bederf leidt, veroorzaakt bij verwijdering een pijnlijke gewaarwording. Hetzelfde gebeurt wanneer iets dat vreemd is aan de verbintenis van de ziel met G’D wordt ingebed, het onttrekken van dit vreemde lichaam en helen van de verbintenis wordt als pijnlijk ervaren zowel voor het lichaam als voor de ziel.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHÁR

Op de berg Leviticus. 25:1 – 26:2

Shabbat: Rusten en Verheffen

Geschriften van de Ari

Als jullie in het land komen dat Ik jullie geef, dan zal het land rusten, een Shabbat voor G’d. (Leviticus. 25:2)

De betekenis van het Shabbatjaar en jubeljaar zal worden [na de volgende uiteenzetting].

We zien dat er een wekelijkse Shabbat is en een Shabbatjaar, dat eveneens Shabbat wordt genoemd. Zoals is geschreven “….een Shabbat voor G’D” (ibid. 25:2) en “De Shabbat van het land….” (Ibid. 25:6). Laat ons nu onderzoeken waarom het Shabbatjaar ook Shabbat wordt genoemd en wat de verschillen zijn tussen de [wekelijkse] Shabbat en het Shabbatjaar.

We hebben al eerder uitgelegd dat het spiritueel rijzen van alle werelden de essentie van Shabbat is. Elke wereld stijgt naar een hoger niveau dan waar het zich gedurende de rest van de week.

Meer preciezer: De netzach-hod-yesod-malchoet van Asiya [als een groep] stijgt naar een niveau [dat normaal wordt bezet door] chesed-gevoera-tiferet; chesed-gevoera-tiferet stijgt naar het niveau van chochma-bina-da’at; chochma-bina-da’at van Asiya stijgt naar het niveau netzach-hod-yasod-malchoet van Yetzira, enzovoort, tot aan het oorspronkelijke begin van de emanatie zelf. Want zelfs Arich Anpin stijgt [op Shabbat], en zijn plaats wordt ingenomen door Abba en Imma, zoals bekend.

De sefirot gedragen zich als een groep met betrekking tot hun “energie niveaus”. Ofschoon elke sefira zijn eigen identiteit heeft, werken de sefirot van het intellect en van de emotie samen als functionele gedragseenheden. Om die reden, vindt de stijging die zij ondergaan op Shabbat relatief tot deze energie niveaus plaats.

Een “wereld” in Kabbala is een niveau van bewustzijn, een sfeer waarin alles in een gemeenschappelijk besef van G’D deelt. Een lagere wereld draagt minder bewustzijn; een hogere wereld meer. De stijging van de werelden op Shabbat is een snede in de hiërarchie van bewustzijn, dit betekent dat elk niveau tijdelijk in staat is om een bewustzijnsniveau van G’D te dragen die normaal te hoog zou zijn. Normaal als iemand of iets op het niveau van chesed- gevoera-tiferet van Asiya het bewustzijn chochma- bina- da’at van Asiya wil verwerven, betekent dit dat hij zich zou moeten verheffen van het bestaande niveau naar het volgende hogere niveau. Op Shabbat echter stijgt het lagere niveau naar het hogere niveau terwijl zijn identiteit toch op het lagere niveau bewaard blijft. Deze tijdelijke “ombuiging” van realiteit vind alleen plaats op Shabbat. Zodra Shabbat voorbij is, keert de voorafgaande staat naar zijn realiteit terug.

Het Shabbatjaar wordt een Shabbat genoemd omdat het gelijk is ten opzichte van de Shabbat. Alle werelden stijgen naar een niveau hoger dan normaal, net zoals zij doen op een [wekelijkse] Shabbat.

Het verschil is dat op Shabbat de hele schepping een verheffing beleeft, terwijl in het Sabbatjaar alleen de drie [lagere] werelden, Beriya, Yetzira, en Asiya zich verheffen.

SHABBAT SHALOM

LAG BA’OMER

LAG BA’OMER

HET TELLEN VAN DE OMER IS NIET ALLEEN MAAR STIJGEN OF AFDALEN

Uiteindelijk culmineert het hele neerhalende proces in zo een krachtig Licht, dat het de gehele wereld zal belichten en al het fysieke transformeert zodat alles wat gescheiden is van G’ddelijkheid, spiritueel wordt.

Dit wordt aangegeven in de Talmoed: “Bar Kappara zet uiteen: De werken van de rechtvaardigen zijn groter dan G’D’s creatie van Hemel en Aarde!” (Ketoewot 5a). Wat betekent “door het werk van menselijke hand”? De mens heeft de capaciteit om door de façade van materie heen te kijken, om de existentie van de Oneindige Schepper achter de Schepping te bevatten, om zich met Hem te verbinden, aan Zijn Eigenschappen vorm te geven, en een rol te spelen in Zijn Drama, en om de hele wereld aan Hem op te dragen als een offer.

Op andere plaatsen wordt hiernaar verwezen in de omvorming van het woord “Or” gespeld met de letter ayin, wat huid betekent (relaterend aan fysiekheid) en aan “Or” gespeld met een alef, wat “licht” betekent, (relaterend aan spiritualiteit).

Toen G’D de wereld creëerde, bracht dit een neergaand proces met zich mee van spiritualiteit naar “energie”(Licht) naar “materie” (Huid). Wanneer we door de façade van materie kijken naar het innerlijke niveau van spiritualiteit dat het zijn existentie geeft, verheffen we “materie” (Huid) terug naar zijn “energieoorsprong” (Licht).

Dit idee [dat wij degenen moeten zijn die als instrument dienen in het bestralen van de gehele realiteit met het licht van G’ddelijkheid] is de personificatie van Lag BaOmer, de 33e dag van de OmerTelling, ter ere van Rabbi Shimon bar Jochai, door kaarsen en vuur in de openlucht aan te steken en het leren van de Zohar. In de Zohar reveleert Rabbi Shimon de diepste esoterische begrippen van de Thora, het mysterie van transformatie van fysiekheid (“Or” met een ayin) in spiritualiteit (“Or” met een alef).

Rabbi Tzwi Elimelech van Dinov ( Bnei Yissasschar, Chodesh Iyar, Maarar 3) verklaart de Mishna in Avot 2:9, waar Rabbi Jochanan ben Zakai zijn studenten vraagt: Wat is de juiste weg [met andere woorden, de meest belangrijke weg voor iemand te bewandelen en te leven in deze wereld]? Rabbi Eliezer antwoordt, “ayin tov” [een goed oog”]; Rabbi Jehoshoea antwoord, “chaver tov” [“een goede vriend”]; Rabbi Jossi antwoordt, “shacher tov” [“een goede buur”]; Rabbi Shimon antwoordt, “ha’roeh et ha’nilad” [de bekwaamheid om de consequentie te zien van iemands handelingen]; Rabbi Elazar ben Arach antwoordt, “lev tov” [“een goed hart”]; Rabbi Jochanan ben Zakai prees hen allen, maar zei dat Rabbi Elazar ben Arach’s antwoord al de anderen inhield.

Bnei Yissasschar verklaart waarom “lev tov” een goed hart zo belangrijk is. Hij vermeldt dat de numerieke waarde van “Lev”  (“hart”) 32 is, terwijl dat van “Tov” (“goed”) 17 is. Hij benadrukt de diepe leerstelling van de Zohar op het vierde vers in de Thora,  “G’D zag dat het Licht (Orgoed (Tov) was, en G’D maakte een scheiding tussen het Licht en de duisternis” (Genesis. 1:4), dat “Tov” een codewoord is voor “Or”, met andere woorden, de “Or HaGanoez”, het Oneindige Verhulde Licht verborgen in de Thora.

Hij merkt op dat de eerste keer dat het woord “Tov” wordt aangehaald in dit vierde vers, volgt na exact 32 woorden (het is het 33e woord van de Thora).

Hij continueert met te verklaren dat de 49 dagen van de Omer ordelijk zijn verdeeld in 32 opbouwende dagen naar Lag BaOmer, en 17 dagen van Lag BaOmer. De betekenis van “Lev Tov” in termen van de Omer, zegt hij, is de zuivering van het menselijk hart, met andere woorden, de purificatie van de menselijke persoonlijkheid, de karaktertrekken die ons gegeven zijn toen we geboren werden.

Dit is wat exact gebeurde toen we vertrokken uit Egypte op Pesach. We tellen 49 dagen om ons hart te zuiveren zodat we de Thora aan de Berg Sinaï konden ontvangen “als één man met één hart” (Rashi, Exodus. 19:2)

Het zelfde is elk jaar waar. We tellen 49 dagen (met andere woorden, we doen het eigen maken van purificatie en zuivering van ons hart), teneinde de Thora te kunnen ontvangen op Shavoe’ot. Dit is vooral vanaf Lag BaOmer. Lag BaOmer is de overgang naar de laatste 17 (=”Tov” “goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven.

De verdeling van 49 in 32 en 17 is absoluut niet willekeurig. Met uitzondering van de eerste week van Pesach zelf, staan de eerste 32 dagen van de Omer bekend als zeer moeilijk. Alleen met de gedenkdag van het overlijden van Rabbi Shimon, worden de dingen meer ontspannen en worden meer en meer vreugdevol als we ons verder bewegen door de 17 interveniërende “goede” dagen dichter naar ons doel: de revelatie van het Licht van de Ein Sof al neerdalend in Malchoet van Malchoet op Shavoeot.

Eigenlijk is hier sprake van een paradox.

Veronderstel dat je naar de top van een extreme hoogte klimt. Je doel is de top, maar wanneer je die nadert gebeurt er iets. Het zicht van de top wordt voor je ogen verborgen! Op een vreemde manier verlies je het eigenlijke zicht van het doel als je nadert. Bovendien wordt het terrein ruwer en het klimmen moeilijker. Daarbij wordt de lucht extreem ijl, zodat het moeilijker en moeilijker wordt om te ademen. Je bent gedwongen om vaker te stoppen. Zelfs voelt het aan alsof de zwaartekracht sterker wordt. Met als resultaat, dat je langzamer vooruit komt. Om deze obstakels te kunnen neutraliseren, moet je je zelf geestelijk opkrikken met de gedachte dat je dichterbij bent dan ooit. Kijk hoe ver je gekomen bent! Het is nu niet het moment om op te geven!

Weggaan van Egypte en zich omhoog bewegen naar de Berg Sinaï is als het beklimmen van deze berg. Op een zeker punt is de oorspronkelijke drijvende kracht van het licht dat scheen niet genoeg. Een of andere inspiratie is nodig, niet van het voorbijgaande, maar van het toekomstige. En toch als je vordert, de berg omhoog, wordt het gaandeweg ruwer. Als het niet vanwege het licht was aan de top van de berg neerwaarts schijnend in onze zielen, ons verheffend, ons naar Zich toetrekkend, zouden we geen kans maken het te halen.

Laten we wel wezen, we kunnen niet meer doen wat we kunnen doen. We zijn gelimiteerd. Zonder bovennatuurlijke assistentie van Boven, kunnen wij nooit en te nimmer ons doel bereiken. Natuurlijk is het belangrijk dat we alles doen wat we kunnen doen, want menselijke inspanning is essentieel, maar voorbij een bepaald punt zijn onze handelingen ineffectief.

Waarom moet dat zo zijn? Omdat als we echt serieus zijn aangaande onze purificatie en verheffing, is wellicht de meest belangrijke en essentiële bijdrage van onze kant bescheidenheid. Natuurlijk moeten we het werk doen, maar op een zeker punt moet het ons duidelijk worden dat ons vermogen om alles te doen een gift van G’D is

Als we ons deze belangrijke karakteristiek, deze belangrijke les eigen maken, dan worden ineens de obstakels niet zo groot. We beginnen te acclimatiseren in deze ijle hoogten en realiseren ons dat wij niet werkelijk geleefd hebben tot dit moment. De blijdschap is overweldigend. De vreugde is bedwelmend. We geraken dichterbij! Nu, na 49 dagen, wanneer G’D Zijn Oneindig Licht neerwaarts schijnt in ons, is het totaal verschillend. Niet omdat voor ons of Hem, maar omdat, in Zijn Perfecte Wijsheid en uit Zijn Oneindige liefde voor ons, Hij ons een ervaring van de perfecte vereniging en verbinding geeft van Hem en ons, het werken van Hem door ons, van ons weten dat het absoluut Hem is. We hadden 49 dagen nodig om te begrijpen, maar het was het waard.

Elk jaar is Lag BaOmer de overgang in de laatste 17 (=”Tov”, “Goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai slechts gedeeltelijk reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven. Deze illuminatie is zelfs krachtvoller als we het Eind der Historische Tijden naderen en beseffen. Teneinde de krachten van diversiteit te overwinnen die zal trachten te voorkomen dat wij aankomen aan de uiteindelijke Sinaï, die staat aan het einde van onze reis door de wildernis van de historie, schijnt het Verborgen Licht neerwaarts in onze zielen sterker en sterker. G’D verheft ons opwaarts naar Hem. We moeten het ons enkel realiseren, in het bijzonder op dat cruciale ogenblik wanneer sommige van onze grootse tzadikiem heen zijn gegaan. Als zij zich Boven verzamelen om zich te verbinden met alle groten van het verleden, om samen de laatste Verlossing te bewerkstelligen, moeten wij ook ontwaken uit de droom van Deze Wereldse bewustzijn en tot het einde volhouden om het doel waarvoor we in deze tijd zijn geboren te vervullen.

Dus nogmaals, de essentie van de Omerperiode is het werk dat we moeten doen om ons het Licht van de Ein Sof eigen te maken, dat we voor een ogenblik hebben ervaren op Pesach, om onszelf te zuiveren van Beneden gedurende de 49 interveniërende dagen tussen Pesach en Shavoeot.  Dan, op de 50e dag, een dag die boven het tellen uitgaat, boven onze capaciteit om zelf te bereiken, schijnt het Licht opnieuw neerwaarts in al zijn volledigheid. Voor dit moment echter willen wij de vaten voorbereiden om het correct te ontvangen.

PARASHAT EMOR

Zeg             Leviticus. 21:1 – 24:23

VERTROUWEN OP DE THORA

 De Zohar leert dat de opdracht van het tellen van de Omer als een opstijging is in de Hogere Werelden.

Rabbi Shimon bar Jochai

Raya Mehemna, Zohar III:97 a-b.

 Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen……” (Leviticus. 23:15-16)

Dit is de opdracht om de Omer te tellen, volgens de Geleerden. (Soekka 58). De esoterische diepgang is als volgt : Alhoewel de Israëlieten zichzelf zuiverden door het Pesachoffer te brengen, dus door het verlaten van de spirituele sfeer van onzuiverheid, waren zij desalniettemin niet op een gepast niveau van perfectie en reinheid.

Zij waren niettemin toch in staat om het Pesachlam te offeren omdat de verlichting die voortvloeit  uit de Sefirot, omvattend de drie hogere Sefirot van het hoger bewustzijn (Chochma, Bina, Da’at), niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar een voortvloeisel is van G’D’s goedheid (Ramaz).

Dit is ook de reden dat we het Hallelgebed, na de eerste dag van Pesach, niet compleet reciteren (in Israël) , omdat het Joodse Volk nog niet het gepaste niveau van perfectie hadden bereikt.

Deze periode van zeven weken van reiniging is vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na de menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is  geëindigd, begint zij zeven dagen te tellen.

Zo deden ook  de Israëlieten toen ze Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend  in het voedsel van hun Vader (zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en van dat moment af telden zij de dagen tot aan de vrouw [het Joodse Volk] haar Echtgenoot [G’D] kon naderen. Dit zijn de vijftig dagen [tot de dag na de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van zuivering die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen en het mogelijk maakt de vrouw tot haar Echtgenoot te komen.

Aangezien het masculiene dagen betreft [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling opgelegd aan mannen alleen (zie Magen Avraham, Orach Chaim siman 489). Om deze reden moet men de telling staande doen, omdat aangelegenheden die te maken hebben met de Lagere Wereld zittend gedaan moeten worden.

[Bijvoorbeeld, het Shema Israël wordt zittend gereciteerd, aangezien het refereert aan de Wereld van de Troon (Beriya) de vrouwelijke wereld, want de predominante Sefira in Beriya is Bina, terwijl het Staande Gebed (Shemoné Esré) is gerelateerd aan de hogere wereld, Atziloet, waar Chochma de predominante Sefira is.]

Dit is de diepe esoterische betekenis tussen de verschillende delen van gebed die staande en die zittend worden gezegd.

Deze vijftig dagen bevatten negenenveertig dagen als facetten van Thora, maar de vijftigste dag is het geheim van de Thora zelf. Als je je nu afvraagt waarom deze vijftig niet negenenveertig zijn want zeven weken van zeven dagen is gelijk aan 49, is het antwoord: wat was verborgen in deze 49 wordt geopenbaard, zoals de Koning die de kamer van koningin binnengaat en daar verblijft.

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, werd voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT KEDOSHIEM

Heilig   Leviticus. 19:1 – 20:27

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 82b

Nachtleven vs. Zelfhulp

 De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

“Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G’D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren.

Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G’D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

SHABBAT SHALOM