PARASHAT PINCHAS

Pinchas          Numeri. 25:10 – 30:1

Fases van relatie

Joods mystiek leert dan onze verhouding met G’D bestaat uit rationele-, super-rationele- en intrinsieke niveaus.

Likoeté Sichot, vol. 28, p. 176-181

 “Aan bovengenoemden moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen. De talrijke moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelde. Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

Het Land Israël werd verdeeld op drie verschillende wijzen:

(1)  volgens populatie, dat wil zeggen, hoe groter de stam, hoe groter het ontvangen deel.

(2)  door loting (waar G’D’s hand aan het werk was) en

(3)  door erfenis.

Met andere woorden, de verbinding van het Joodse Volk met het Land Israël existeert vanuit drie verschillende opzichten:

 1)    rationaliteit, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

2)    door G’ddelijk decreet en

3)    door erfelijkheid.

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos als het centrale kader, decor, waarin zich het proces, van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, zou worden ontvouwd. Het Joodse Volk is eveneens, op de zelfde manier, de natie die G’D koos om de centrale spelers te zijn in dit plan. Om die reden moet de verhouding die moet worden gevestigd, tussen het gekozen volk en het gekozen land de vestiging tussen G’D en Zijn gekozen volk reflecteren.

In terminologie van Kabbala vindt de rationele, contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken, beperkt”  binnen het limiet van logica en natuur. Met ander woorden: Zijn immanente creatieve “Licht” (mamalé kol almien). De vrije keuze van de verhouding vindt plaats op een niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is gedefinieerd door de limitaties van de gecreëerde realiteit, maar nog steeds creatieve G’ddelijkheid is, met andere woorden, contextueel gerelateerd aan de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almien). De erfelijke verhouding vindt plaats op een niveau van G’D’s essentie, die compleet boven de context van Schepping uitgaat.       

De verhouding tussen G’D  en het Joodse Volk is eveneens drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtend liturgie:  “Gelukkig zijn wij: hoe goed is ons aandeel, hoe aangenaam ons lot, en hoe mooi is onze erfenis.”

“Aandeel” refereert aan de contractuele relatie tussen G’D en Israël. We hebben het dienen van G’D op ons genomen op verschillende wijzen en Hij heeft beloofd ons te belonen voor onze dienst. Het deel dat wij ontvangen van G’D is evenredig aan de inspanning die we aanwenden om het te verkrijgen. Op een dieper niveau refereert “aandeel” aan het feit dat de Joodse G’ddelijke ziel “een waarlijk deel van G’D Boven is”, zoals de Tanya zegt, net zoals een kind mag gezien worden als extensie van zijn ouders. Deze intrinsieke verhouding tussen G’D en het Joodse Volk bindt hen op een onafscheidelijk samen.

Lot” refereert aan de over-rationele verhouding die isgesmeed met ons door ons te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keuze was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s zijde; Hij was niet gedwongen door enige logische consideratie om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop een lot valt niet vooraf bepaald is door enige externe factoren. Deze over-rationele relatie is niet alleen dieper dan de contractuele dienst als relatie beloning, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouders-kind verhouding, aangezien het G’D ook “dwingt” bij wijze van spreken, tot een relatie met Israël. Behalve dit, koos G’D  Israël ook vrijwillig vanuit Zijn eigen over-rationele wil.

Erfenis, refereert aan de wederzijdse identiteit tussen G’D en Israël. Volgens Joods recht, neemt de erfgenaam de juridische status van de ouders over en neemt daardoor automatisch het eigendomsrecht over de bezittingen van de ouders.  Hij verkrijgt het niet door verdienste noch verkozen de ouders om hem te legateren; in essentie wordt hij zijn ouders. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D koos; zij en G’D, bij wijze van spreken, zijn één en de zelfde.

Voordat de Thora werd gegeven, was de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk enkel en alleen op een contractuele, kind-ouder niveau. Dienst aan G’D was gelimiteerd; een individu kon G’D dienen en kon G’ddelijke openbaring teweegbrengen naar mate zijn natuurlijke talenten en eigenschappen het toestonden. Tegelijkertijd toonde G’D het Joodse Volk bijzondere aandacht en zorg wegens de G’ddelijke ziel die zij verkregen vanwege de periode van Abraham.

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keuze verhouding tussen G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt bepaalde G’D de toon in de relatie, wat betekent dat zelfs de dienst-beloning wederkerigheid niet langer beperkt werd door onze eindige capaciteiten; de Thora en zijn mitzwot stelt ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te verwerven ver boven onze natuurlijke vermogens uit.

Echter in de Messiaanse Verlossing zal de erfelijke relatie het voornaamste worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten in een nieuwe co-existentie met het bewustzijn van onze Schepper, als onze unieke persoonlijkheden zullen schijnen en paradoxaal existeren in G’D’s absolute realiteit.

Dus, aangezien het Land Israël bedoeld was te zijn, zoals we hebben gezegd, de microkosmos van verstandelijk proces van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, was het noodzakelijk, voor de verhouding tussen het Land Israël en het Joodse Volk, te worden gevestigd op drie niveaus: rationeel, super-rationeel en intrinsiek. Op deze manier is ons binnengaan en de bezit name ervan voorbode van de uiteindelijke verlossing, waarin onze intrinsieke en essentiële identiteit met G’D, het meest relevant bewustzijn van realiteit wordt.

SHABBAT SHALOM      

PARASHAT BALÁK

Balak                   Numeri. 22:2 – 25:9

De profetie van Bil’am

Shené Loechot Habrit, Rabbi Isaiah Horowitz

 Kabbala leert dat zelfs de negatieve krachten instrumenten zijn van het G’ddelijk Plan.

Bil’am, die bereid was te komen om te vervloeken, was gedwongen om te zegenen; de engel die behagen schept in onheil werd gedwongen in te stemmen met zegeningen; de aanklager werd een pleitbezorger.

Er was een kosmische noodzaak voor Bil’am om een instrument van God te worden. Hij was per slot van rekening de profeet van de niet joden en een spiritueel leider van de toenmalige beschavingen. Wanneer onze Wijzen het vers “En nooit stond er meer een profeet in Israël op als Mozes…” noemden (Deuteronomium. 34:10), zeiden zij dat omdat onder de andere volkeren niet iemand opstond in vergelijk tot Mozes. Ze hadden niet de intentie om Mozes te vergelijken met Bil’am o.a. ten aanzien van heiligheid, karaktereigenschappen en de verhouding tot G’D.

 De Zohar, Balak, p. 193b, is zeer expliciet in het beschrijven van Bil’am’s lage karakter, door het geven van veel voorbeelden van zijn optreden om eer te verschaffen met grote inzichten en daarbij degene die hem beschouwen als een grote ziener te misleiden. Enkele citaten van de passage van de Zohar: “Deze slechte man eigende zich veel trots en verwaandheid toe door te beweren alles te weten. Door dit te doen, misleidde hij de mensen in het geloof dat hij een zeer hoog niveau had bereikt. Hij accentueerde elke kleine verrichting die hij deed. Alles wat hij zei had betrekking op het domein van de krachten van onzuiverheid. Hij sprak de waarheid, letterlijk gesproken, want iedereen die naar hem luisterde kreeg de impressie dat hij de meest opmerkelijke en vooraanstaand profeet van de wereld was.  Wanneer hij zichzelf beschrijft als “ingewijde in de woorden van G’D, gewaar van de kennis van de Opperwezen”, vormde zich de impressie dat hij sprak over G’D in de Hemel. In feite was hij alleen gewaar van de woorden van “god” die in tegenstelling staan met de woorden van “G’D”.

Hij communiceerde met de krachten van onzuiverheid, krachten die door de volkeren worden beschouwd als godheden.  Als hij sprak gewaar te zijn van de Hemelse Kennis, kreeg de luisteraar de indruk dat Bil’am beweerde een ingewijde te zijn van G’D’s bereik van kennis, terwijl hij in feite alleen een ingewijde was van de “hoogste” vorm van onzuiverheid, die G’D toestond, om te heersen als deel van de natuurlijke orde. Bil’am, was technische gesproken juist, omdat hij toegang had tot een macht die in zijn gebied werd beschouwd als het hoogst aanwezig. Echter de luisteraar wist niet dat deze macht op geen enkele wijze een onafhankelijke autoriteit had. Deze macht was slechts een instrument van G’D.

SHABBAT SHALOM    

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting       Numeri. 19:1 – 22:1

Op het juiste spoor blijven

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 283b

[En Hij deed meer goed voor hen, in de zin dat] drie heilige bloedverwanten te midden van hen. Wie waren zij? Zij waren Mozes, Aaron, en Miriam. Het was hun verdienste dat G’D Israël geschenken gaf vanuit de spirituele sferen [het Manna, de Wolken van Glorie en de Bron van Miriam, die hen voedde en voorbereidde zowel fysiek als spiritueel en hen in staat stelde om de Thora te absorberen]. De Wolken van Glorie vertrokken niet zolang Aaron leefde. Dit is zoals is uiteengezet, omdat Aaron de rechter arm [representerend Chesed] van Israël was. Het wordt ook aangegeven door het vers “Toen de Kana’aniet, de koning van ‘Arad’, die in de Negev, het zuiderland, woonde, had vernomen dat Israël in aantocht was langs de weg van Atariem, voerde hij oorlog met Israël.(Numeri.21:1)

Rashi zegt dat Arad hoorde dat Aaron was overleden en dat de beschermende Wolken van Glorie waren verdwenen. Hij hoorde ook dat zij door Atariem moesten komen, de eenvoudige Aramese vertaling van  “plaatsen”. Dit verwijst duidelijk naar het feit dat zij begonnen te dwalen omdat  zij de precieze begeleiding misten van de wolken.

Zij dwaalden zoals iemand zonder een voorarm, die zichzelf overal waar mogelijk moet ondersteunen [om vallen te voorkomen]. [Omdat zij doelloos waren], bevocht hij Israël en maakte onder hen gevangenen. Dit omdat zij werden achtergelaten zonder hun rechter arm [Aaron].

***********************************************************

Rabbi Jitzchak Luria

De Geschriften van de Arizal

De Thoralezing van deze week opent met de mitzwa van de rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”. De as van de rode koe werd gebruikt om iemand te zuiveren van de onreinheid van dood. “Dood” is een spirituele afname van de ene staat van G’ddelijk bewustzijn naar een lagere (of gebrek aan) G’ddelijk bewustzijn. Dus de mitzwa van de rode koe bevat in zich de esoterische verklaring van kwaad en de purificatie van bezoedeling van kwaad, dood, met andere woorden, verlies van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron, ‘Dit is de choekat (G’ddelijk decreet) van de Thora, die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed ervan en spat met dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan samen met de mest ervan verbranden. (Numeri. 19:1-5)

Weet dat de vijf vormen van de sluitletters aangeven de vijf staten van Gevoera. Hun gecombineerde numerieke waarde is 280, en wanneer we 5 toevoegen voor de letterts zelf, hebben we [285, de numerieke waarde van] “rode koe”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet hebben verschillende vormen die zij aannemen aan het eind van een woord. Omdat deze sluitvormen een pauze te kennen geven in de stroom van het lezen, beduiden zij de vijf staten van strengheid (Gevoera), of beheersing. De vijf letters met hun numerieke waarden zijn:

Mem (40), noen (50), tzadik (90), (80), chaf (20). Rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”, pé, résh, hé = 80+200+5= 285. De rode koe moest rood zijn, omdat het is neergehaald van Bina.

Alternatief, [de extra hé, waarvan de numerieke waarde de vijf is, noodzakelijk om gelijk te zijn aan de numerieke waarde van “rode koe”, en aangevend dat de vijf staten van Gevoera] afdalen naar Bina, waaraan wordt gerefereerd door de eerste letter [van de Naam Havayah] of afdaalt naar Malchoet, waaraan wordt gerefereerd door de tweede letter [van de Naam Havayah] . Daarom wordt de rode koe “parah” genoemd, met andere woorden, de koe [“par”] van de hé.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KORÁCH

Korach (Numeri 16:1 – 18:32)

De Thora wordt “or” “licht”genoemd, omdat het licht brengt. Ook wordt het “ésh” “vuur” genoemd. Men kan zich aan haar warmen wanneer men afstand behoudt, maar kan zich branden als men te dichtbij komt, zo is het ook met het “esoterische” van de Thora.
Als iemand de Tempel te dichtbij komt, verder en boven de positie in het leven gaat, waar hij recht op heeft, maakt men zich kwetsbaar en verwondbaar en kan men in het ernstigste geval, zelfs sterven, hij aanschouwt wat hij in feite niet kan aanschouwen. We hebben dit uitvoerig beschreven en uitgelegd in verband met de dood van de twee zonen van Aaron, Nadav en Avihoe, waar zij de aanwezigheid van de Eeuwige te dichtbij kwamen. (Leviticus 16:1)

De Thora koos niet de verwoording bahakriwam, wat zou betekenen, “toen zij een offer brachten.” De uitdrukking die de Thora gebruikte, geeft aan dat deze zonen een gebied betraden die hun positie in het leven ver te boven ging. Met als gevolg, dat zij stierven.
Enigszins het zelfde gebeurde met de tweehonderd en vijftig mensen toen zij G,D wilden aanschouwen, (volgens Sefer Briet Menoecha) zie Numeri 16, vers17-18 en 35; Numeri 17, vers 1 t/m 5.

Men kan hier van leren dat men niet moet pogen om een positie van een groter en hoger persoon in te nemen tijdens de aanwezigheid van die persoonlijkheid. Men zal niet in staat zijn om die houding te handhaven.
Bedenk dat het Joodse Volk het aantal van zeshonderd duizend vormt, bovendien zeggen de kabbalisten dat zij, de zeshonderd duizend zielen, hun oorsprong hebben in de zeshonderd duizend letters van de Thora. De spiritualiteit van de Thora bestaat uit de zielen van Israël, dus is het toepasselijk dat de generatie die de Thora ontvangt uit zeshonderd duizend zielen bestaat.
Alle successievelijke generaties en hun zielen moeten gezien worden als “vertakkingen” van deze zeshonderd duizend zielen.
Dit roept de voor de hand liggende vraag op, waar de zielen van de Levieten hun oorsprong hebben, aangezien het aantal zeshonderd duizend reeds was bereikt, toen de andere stammen waren geteld. Was de stam Levi niet de uitverkorene? Waar zijn hun zielen uit voortgekomen?

Bedenk dat de eerste van de dertien interpretatieregels (zie Talmoedisch Denken, Rabbijn Mr Drs. R. Evers, de methodologie van de Talmoed en de dertien interpretatieregels van Rabbi Jisjmaëel) die gebruikt worden voor exegese van de Thora, het principe zijn van klal oefrathet algemene en het bijzondere m.a.w de algemene term bevat niet alles, het bijzondere beperkt de betekenis van de algemene term, die eraan voorafgaat
In onze dagelijkse recitaties van deze dertien interpretatieregels is deze gerangschikt als nummer vier.

Het is een algemeen gedachtegoed dat deze dertien interpretatieregels niet zijn samengesteld door het menselijk intellect, maar dat zij grondregels zijn waardoor G’D te werk gaat, zowel voor ons op visueel gebied, als in domeinen die compleet verborgen zijn voor ons. Onze geleerden, die de aspecten van ma’asé beréshiet, de scheppingdaden bediscussieerden, hebben reeds gezegd, met betrekking tot het fysieke universum, dat elk minuscuul detail dat uiteindelijk zal worden onthuld, reeds deel uitmaakte van de dingen die geschapen waren op de eerste dag. Bij het voortgaan van de schepping werden deze pratiem, details, onthuld en werden dag na dag functioneel toepasselijk. Rashi heeft dit uitvoerig verklaard in zijn commentaren op Genesis 1:14 en 1:24.
Filosofen noemen deze eerste fysieke existentie hiyoeli, de grondstof van de wereld. Alle andere elementen zijn daaruit voortgekomen.

Enigszins parallel gebeurde dit in de Celestische Regionen. De oorspronkelijke oorzaak en beweegreden, m.a.w de gedachte van G’D om het universum te creëren, is wat we noemen kalal, omvatten, geheel, een potentieel geheel waarin alles in kon existeren. Alle andere gedachten en plannen van G’D zijn in vergelijking Pratiem, “details”.
Dit concept wordt geheel weergegeven in het feit dat het aantal Levieten bij telling exact twee en twintigduizend bedroeg. Als zodanig waren zij de kalal ten aanzien van de zeshonderd duizend Israëlieten. De Israëlieten zijn de pratiem van de kalal, de Levieten.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELACH LECHA

Zend jij     Numeri. 13:1 – 15:41

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

HET OVERTREFFEN VAN HET NIETS

ZOHAR III, p. 159a

Mozes zendt verkenners het Land in met de instructie om verslag te doen over zijn inwoners, hun steden en over het natuurlijke karakter van het Land. Hen werd ook gevraagd om bij terugkomst enkele vruchten mee te nemen. Deze sectie van de Zohar onderzoekt de diepere betekenis van de voorgelegde vraag aan de verkenners: “Zijn er bomen of niet?”

….Wat voor Land is het? Is het vruchtbaar of schraal? Zijn er bomen of niet? Gedragen jullie je moedig en nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee. (Numeri. 13:19-20)      

Rabbi Shimon [bar Jochai] leert: Mozes gaf hun een wijze hint aangaande wat in eerste instantie moest worden onderzocht,  zoals staat geschreven “Is G’D onder ons of niet?” (Exodus. 17:7)

Dit werd eveneens weergegeven in een eerder vers, toen het volk zich beklaagde dat zij geen water had en Mozes water onttrok aan een rots bij Massah en Meribah. Beiden verzen gebruiken de expressie im ayin wat “of niet” betekend. In het voorafgaande vers was de vraag per slot van rekening niet of G’D met hen was of niet, “Vul Ik niet de hemelen en de aarde?” (Jeremia 23:24), of, zoals de Zohar zelf zegt, “Er is geen plaats verstoken van Hem” (Tikkoenei Zohar, Tikkoen 57). Integendeel, de vraag was welk niveau van G’ddelijkheid was met hen op dat moment?. Werd het niveau aangeduid door de naam Havayaha of erd het aangeduid door het niveau wat “Ayin” heet?

Elk van de namen van G’D die gegrondvest zijn in de Thora verwijzen naar een specifiek type van handeling, zoals in G’D’s antwoord aan Mozes: “Je wilt Mijn Naam weten? In overeenstemming met Mijn daden wordt Ik aangeroepen.” (Shemot Rabba 3:6) De naam Havayah verwijst naar G’D als Schepper van de wereld, van het woord “mehaveh“, wat “in tot het zijn” betekend. (Opgemerkt moet worden dat sommige commentaren de naam Havayah afleiden van “haja” “hojeh“, ´vejih jeh“, simultaan aangevend het verleden, het heden en de toekomst, een directe verwijzing naar de superioriteit van G’D. Hoe dan ook, in onze context wordt de eerste betekenis”  bedoelt, zoals vanuit de tekst duidelijk zal worden. Het woord “ayin” ( wat transcendent,”het niet zijn”, betekend), verwijst echter naar zo verheven niveau dat het elke naam te boven gaat.

Hij [Mozes] vertelde hen: Bepaal of dit Land is verbonden met de naam Havayah of met Ayin.

Technisch gezien gaf hij hun de opdracht om te bepalen of het was Land was verbonden met de sefira van tiferet (Havayah) of met keter (Ayin). Hoe konden zij dit bepalen?

Hij zei tot hen dat als zij zagen dat de vruchten van het Land leken op die van andere landen, dan “heeft het bomen”, verwijzend naar de Levensboom [welke Tiferet is].

Noteer dat we de frase “im yesh bah etz im ayin” vertalen als “zijn er bomen (meervoud) of niet”. Een meer correcte vertaling zou zijn “is er een boom (enkelvoud) of niet”? Daarom kunnen wij aannemen dat het refereert aan de Boom van Leven.

Maar als je ziet dat het fruit van het Land uitzonderlijk groot is, groter dan ergens anders, dan zul je weten dat het is gekoesterd door een fundamenteel heilig niveau,  vanwaar zijn ongewone eigenschappen zijn neergedaald.  Op die wijze zul je weten als het Land een Boom heeft [van Tiferet] of niet [Ayin, het transcendente niet zijn van keter]… Om die reden zei hij tot hen, nemen jullie ook wat van de vruchten van het Land mee.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geheim van de lamp

Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

Neem op   Numeri.  4:21 – 7:89

Rabbi Shimon bar Jochai

De gedaante verwisseling van Jitro

Zohar, p. 122a

 Wanneer een man of een vrouw een of andere menselijke overtreding begaat……(Numeri. 5:6)

Om dit vers te kunnen verklaren, introduceert Rabbi Shimon een ander vers en zegt:

Kom en zie [wat is geschreven in relatie tot de oorlog tussen Barak en Yavin, de koning van Kanaän]:

Heber, de Keni, die één van de  nakomelingen was van Hobab, de schoonvader van Mozes, had zichzelf gesepareerd van de Kenieten. (Richteren 4:11)

Bedenk dat Heber de Keniet, een nakomeling was van Jitro, die ook bekend was onder de naam Hobab. Om die reden waarschuwde Koning Saul de Kenieten  om hun kampement te verplaatsen, weg van de Amalekieten, voor de aanvang van de strijd.

Het vers verklaart, “En Saul zei tegen de Kenieten, ‘Ga….”‘. (Samuel, 15:6) Waarom werden zij “Kenieten” genoemd? Dit hebben wij reeds eerder uitgelegd, omdat zij nakomelingen waren van een volk met de naam “Kenie“.

Zij zijn nadrukkelijk vermeld als een volk dat leefde in Israël in de tijd van Abraham:

Zoals het vers in Genesis. 15:19 bevestigt, de Kenieten en de Kenizieten…..

Nu zou je kunnen zeggen dat de naam “Keni” komt van het Hebreeuwse woord voor vogelnest [“ken“] omdat zij een tijdelijke behuizing maakten in de woestijn, zoals een vogel voor zichzelf een tijdelijk nest bouwt. Zij verlieten hun steden en gingen naar de woestijn om Thora te leren.

Maar dit was niet om een nieuw nest maken, want het vers stelt uitdrukkelijk dat zij zich separeerden van de Kenieten.

Zij separeerden zichzelf van het Kenietische volk, dat met hen was van het prilste begin en verenigden zich met de Heilige, geprezen zij Hij. [Dus], “separeerden zij zich van ‘Kayin‘ [Hebreeuws voor “kain”]”.

Hoe gelukkig is het leven van een persoon die waardig is om zich onder te dompelen in de Thora, zich eraan te hechten en om haar pad te bewandelen.

Leren is niet genoeg; men moet de opgelegde mitzwot ook uitvoeren en in de praktijk  brengen, in de vorm zoals ze zijn opgelegd. Dit is de betekenis van de term “Halacha” wat zowel “wet” als “weg te gaan”, of “wandelpad” betekent.

Wanneer iemand de mitzwot van de Thora uitvoert, haalt hij neerwaarts in zich, een hogere heilige geestelijke kracht, zoals wordt aangegeven in het vers “Totdat vanuit het hogere een geest over ons wordt uitgegoten” (Jesaja. 32:15).

In het begin heeft iemand alleen zijn levend gevende ziel (Nefesh) en als hij Thora leert en mitzwot uitvoert verkrijgt hij zijn geest (Roeach).

Echter, wanneer een persoon afwijkt van dit pad, haalt hij neerwaarts in zich, een geestelijke kracht van de andere kant van het heilige. Dan ontvangt hij een onzuivere geest uit de oorsprong van Noekva de Tehoma Rabba.

Dit is het niveau van bina van de wereld van Beriya van Kelipa. Dan is zijn verstand ontaard door egotistisch denken waardoor zijn realiteitsbesef wordt  vervormd.

Deze oorsprong  is de verblijfplaats van de negatieve krachten [depressies, rechtvaardiging van slechte daden en dergelijke]. dit beschadigt niet alleen de persoon, maar veroorzaakt ook schade aan de wereld. Zij worden “schadeveroorzakers” [“nizikin“] van de wereld genoemd. Zij zijn aanwezig door de eerste Kain [de moordzuchtige zoon Adam].

Jetro was van oorsprong een priester van afgoden. Hij vereerde exact deze kwade kant. Hij haalde van daaruit een negatieve geestelijke kracht in zich neer en om die reden werd hij een “Keniet” genoemd.

Alhoewel hij een Keniet werd genoemd nadat hij teshoewa had gedaan en terugkeerde tot G’D, was deze naam niet gegeven in een minachtende zin.

Hij hechte zich aan G’D en volbracht de goede kant die in Kain was.

Dus leren we van Jetro, zelfs als een persoon valt naar het laagste niveau, kan hij, door het leren van Thora en de praktische wegen van Mitzwot  te gaan, zijn negatieve natuur achter zich laten  en zich hechten aan het Heilige.

SHABBAT SHALOM

Shavoe’ot – WEKENFEEST

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

Likoetei Thora

Er is een passage in het Boek Spreuken waarin de Thora zelf de spreker is en zichzelf antropomorfiseert en beschrijft al te hebben geëxisteerd vóór de Creatie van het universum. Na uitspraken als “Toen G’D de hemelen vestigde, Ik was daar; toen Hij een cirkel trok over de oppervlakte van de diepten”, gaat de Thora verder met te zeggen, “Ik was met Hem als een zuigeling en Ik was elke dag Zijn vreugde, spelend voor Hem te allen tijden; spelend met de wereld, Zijn wereld en Mijn vreugde was met de zonen van de mens.” (Spreuken, 8:30-31) Deze uitspraken zijn niet alleen poëtisch, maar bevatten ook diepgaande esoterische verwijzingen naar de essentiële aard van de Thora die werd gegeven, hetgeen wij vieren op de feestdag van Shavoe’ot.  

De Thora’s beschrijving als zijnde een “zuigeling” (“amon” in het Hebreeuws) herinnert en verwijst naar Mozes vraag aan G’D nadat Mozes net heeft verteld  dat de Joden op miraculeuze wijze zullen worden voorzien van vlees in de woestijn en Mozes “zich, als het ware, beklaagt”, dat hij niet kan fungeren als een instrument van dat gebeuren: [Wie ben ik], zegt Mozes tot G’D, dat U zegt tot mij, Draag het [Joodse Volk]  aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft [in het Hebreeuws, “omen”] …. waar [haal] ik vlees vandaan?” (Numeri, 11:12-13)

[Zoals verklaard ergens anders in Likoetei Thora, komt Mozes’ ziel voort uit een uitermate subliem spiritueel niveau. Zijn ziel was zo verheven dat Mozes, die juist 40 dagen en nachten bovenop de Berg Sinaï had doorgebracht, in zo een krachtige staat van heiligheid verkeerde dat hij geheel werd onderhouden door spiritualiteit en geen behoefte had aan fysiek voedsel, hij voelde dat hij zich niet meer kon relateren aan zulke aardse dingen als vlees. Hij had het begrip verloren hoe hij het aan de gewone mensen verstrekt kon worden.

Op een vergelijkbare manier, had Mozes G’D duidelijk gemaakt dat hij ongeschikt was om G’D’s boodschap van verlossing over te brengen aan het Joodse Volk in Egypte omdat hij leed aan een spraakgebrek. De Chassidische leer verklaart dat Mozes’ bezorgdheid was dat zijn eigen verheven ziel niet in staat zou zijn om de kloof tussen de gewone Joden te overbruggen, zodat G’D’s boodschap niet succesvol zou worden overgebracht. G’D’s antwoord was dat Hij Mozes zou assisteren in het “overbrengen en het doen begrijpen van de boodschap”, Mozes moet zijn bijdrage leveren in het spreken tot het Joodse Volk en G’D zou ervoor zorgen dat de spirituele “kloof” werd overbrugd. Dus in plaats van met gewoon fysiek voedsel wordt Mozes geassocieerd met het Manna dat miraculeus neerdaalde van de hemel vanwege zijn verdienste (zie Taanit 9a; Zohar III 156a). Dit was spiritueel voedsel en iets waar Mozes zich aan kon relateren.]

Hier, de opmerking om een zuigeling te voeden duidt eerder op een diepere betekenis dan op eenvoudige literaire beeldspraak. Een pasgeboren baby is niet volledig ontwikkeld; een baby moet een heel groeiproces doormaken. In het begin is een kind bijna uitsluitend een creatuur van emotie, voelend plezier, angst, etc. maar niet in staat om te denken over of te begrijpen wat het ervaart. Zelfs zijn emoties hebben tijd nodig om zich te ontplooien en om al de nuances te ontwikkelen die zij in zich bergen. (Bijvoorbeeld, een kind ervaart niet “bitterzoet” of schrijnende gevoelens, alleen wilde vreugde en immens tekeergaan.)

Hoewel het waar is dat in moderne tijden vele zuigelingen geen borstvoeding meer wordt gegeven, symboliseert deze natuurlijke praktijk een zekere spirituele groei. In feite bevordert melk de ledematen van het kind, dus borstvoeding representeert en veroorzaakt de spirituele ontwikkeling en groei van de emotionele zieleigenschappen. Tijdens de periode van verzorging rijpen de emoties van de zuigeling en ontwikkelen zich. Nochtans is het niet veel later dat het intellect van het kind zich manifesteert, dat is waarom, ofschoon het bekwaam is in het voortbrengen van geluid ( en soms zelfs heel veel) is het niet in staat om intelligent te spreken. Dit latere stadium van ontwikkeling is mystiek geassocieerd met het spenen van het kind en het begin van vast voedsel, in het bijzonder brood, zoals de Talmoed leert, “Een kind weet niet “Vader” of “Moeder” te roepen tot het de smaak van graan heeft geproefd” (Berachot 40a, in ondersteuning van de uitleg dat de Boom van Kennis, die werd geïntroduceerd als intellectueel bewustzijn aan Adam en Chava, in feite graan was).

Kabbalistisch gezien, spelen de voorname Joodse Feestdagen, Pesach, Shavoe’ot en Soekot, een rol in de creatie van de Joodse zielen. Op de zevende dag van Pesach als het ware, waren nieuwe zielen “geboren”, in de zin dat zij voortkwamen uit de verheven spirituele sfeer van Atziloet, welke onafscheidbaar is  van G’D Zelf, in de relatief “lagere”sfeer van Beriya, worden zij beschouwd als separate entiteiten. Echter deze “nieuwgeboren” zielen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Zoals ergens anders verklaard, een ziel bezit tien spirituele eigenschappen, zeven overeenkomend met de emotionele eigenschappen van een persoon en drie intellectuele eigenschappen.

De nieuwgeboren ziel, net zoals een zuigeling, heeft tijd nodig voordat zijn emotionele vermogens volgroeid zijn; dit heeft in het bijzonder betrekking op de zo geheten “dierlijke ziel”, die de oorsprong is van iemands natuurlijke inclinatie. Ook deze, en niet alleen iemands spirituele tendensen, behoeven te worden ontwikkeld in instrumenten voor dienst aan G’D. Elk van de zeven emotionele eigenschappen, wanneer volwassen, is een compositie van alle zeven ( makend 49 emotionele componenten van ziel in totaal), en om deze “nuances” naar buiten te kunnen brengen, moet de ziel een periode ondergaan van spirituele “verzorging”. Dit refereert aan de 44 dagen van de Omer periode tussen de zevende dag van Pesach en de Feestdag van Shavoe’ot.

De Omer periode, de tijd in welke de Jood de dagen telt van de Exodus van Egypte tot het geven van de Thora op de Berg Sinaï, begint in de tweede nacht van Pesach en omvat 49 dagen in totaal. Deze corresponderen met de 49 emotionele eigenschappen van de ziel. Echter de eerste vijf dagen van deze telling ( met andere woorden, de vijf dagen van de telling) van de tweede tot de zevende dag van Pesach, representeren de mystieke vijf eigenschappen van goedheid ( de vijf Cheseds, de eerste vijf emotionele eigenschappen binnen de samengestelde eigenschap van Chesed, of goedheid zelf), welke de groei van de rest van de eigenschappen voortbrengt. De eerste vijf worden geïdentificeerd met de sfeer van Atziloet, overhoudend 44 die zich ontwikkelen na “geboorte”.

De mitzwa van het tellen van de Omer, dient de mystieke functie van verzorging van de ziel, en het ontwikkelen van hun innerlijke emotionele eigenschappen naar volwassenheid. Echter verzorging is niet een doel op zich zelf;  het leidt naar spenen en de bekwaamheid om vast voedsel  op te nemen. Dit wordt gesymboliseerd door brood en juist als “de smaak van graan” een nieuw niveau van intellectueel vermogen introduceert voor een kleuter, is het het spirituele “brood” dat de zielen na verzorging ontvangen, dat hun intellectuele eigenschappen zich uiten. Dit “brood” is de Thora zelf, die “voeding”  voor de ziel genoemd wordt (zie Talmoed Chagiga14a; Beréshiet Rabba 43:7), en waarover is geschreven, “Kom, eet Mijn brood.” (Spreuken, 9:5)

De feestdag van Shavoe’ot, toen de Thora aan het Joodse Volk werd gegeven, correspondeert dus mystiek met het “spenen” van de nieuwgeboren zielen. Dit is de reden dat ons op Shavoe’ot  wordt opgedragen een offer te brengen dat hoofdzakelijk bestaat uit twee broden (Leviticus. 23:17): één representeert de Geschreven Thora en de andere representeert de Mondelinge Thora (het gehele corpus Joodse Kennis, inbegrepen de Mishna en Talmoed, die de latente betekenis van de Bijbelse verzen openbaart). Dit niveau is ons door G’D verleend in antwoord op de zelf nullificatie van het Joodse volk uit eerbied voor Hem gedurende de overdenking van het Shema gebed, om die reden zegt het vers dat de twee broden gebracht moeten worden “vanuit je woningen” (in het Hebreeuws, “mimoshvateichem “), wat ook letterlijk van je “zittend” betekent, aangezien het Shema wanneer het gepast wordt gereciteerd zittend moet gebeuren.

“Verzorging” kan worden begrepen in de zin dat het een voorbereidende fase is leidend naar het eten van brood. Mozes, in al zijn nederigheid, voelde zich ongeschikt tot deze laatstgenoemde taak van het introduceren van “vast voedsel” van Thora aan het Joodse Volk, dat is wat hij bedoelde met het protest, “[Wie ben ik] dat U tegen mij zegt, “Draag [het Joodse Volk] aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft…” waar [haal] ik vlees vandaan?”

Men moet zich volkomen bewust zijn dat G’D absoluut transcendent en onkenbaar is. Elke relatie die wij hebben met Hem is een gift van G’D, die Hij verleent aan ons door overbrenging van de Thora: door Zich Zelf  “samen te persen” als het ware in de Thora, we zijn in staat om G’D Zelf te vatten door ons begrip van de Thora. De Thora zelf een is vat, het kanaal, dat deze G’ddelijkheid in zich draagt en doorgeeft  aan ons. Dit is waarom, ofschoon Mozes in zijn nederigheid voelde dat hij onbekwaam was in het overbrengen van G’ddelijkheid, helemaal afdalend naar ons niveau (dat van “brood”), de Thora zichzelf beschrijft als ze deze functie uitvoert, en zegt, “Ik was met Hem als een zuigeling.”

Het vers gaat verder met te zeggen, Ik was Zijn vreugde elke dag.”Dit verwijst naar de vreugde en het genoegen die alleen komt na intellectueel begrip. Niet alleen is de Thora een “zuigeling” die het intellectuele niveau van de ziel naar buiten brengt, het gaat zelfs verder met openbaren van diepere aspecten van  vreugde.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn    Numeri. 1:1 – 4:20

RABBI SHIMON bar JOCHAI

DE BRON VAN ALLE ZEGENINGEN

ZOHAR. P 118a

Rabbi Jehoeda was in de aanwezigheid van Rebbe Shimon en vroeg hem, “Vanuit welke plaats verkrijgt Israël zegeningen?”

The Mikdash Melech, commentariërend op deze vraag zegt, dat “Israël” de combinatie is van twee Hebreeuwse woorden, “li “, wat “aan mij” betekent, en “rosh“, wat “hoofd”, betekent, wat impliceert dat Israël het eerste is in het ontvangen van de zegeningen van het niveau van Atziloet.

Bovendien brengt hij naar voren dat de numerieke waarde van “Israël” 541 is,         hetzelfde als de eerste letters van elk van de sefirot. Dit impliceert dat Israël een volledige spirituele entiteit is. Rabbi Jehoeda vraagt van welke corresponderende sefira in Aziloet, zegeningen ten aanzien van Israël worden gegenereerd.

Rebbe Shimon antwoordde hem, “Wee degenen van de wereld die niet bewust zijn [ zorg te dragen in het uitvoeren van Mitzwot en het leren van Thora, wat zegeningen brengt aan heel de wereld]. Mensen zien niet de glorie van de Koning hierboven.

De moderne wetenschap kijkt naar de externe realiteit van deze wereld en probeert uit te leggen hoe het werkt. Dit concentreren op het uiterlijke laat een gapend gat achter in ons begrip van het realiteitsbewustzijn, omdat het geen antwoord geeft op hoe de wereld is zoals die is. Dit begrip van de innerlijke werking van de realiteit is het onderwerp waar de Zohar zich op richt. Zich bewust zijn van de spirituele structuur of aard van de wereld betekent, dat men zich bewust wordt van de glorie van de Schepper zoals die wordt weergegeven in Zijn werken. Dit stelt Israël in staat om zegeningen neerwaarts te halen vanuit de wereld van Atziloet en  Beriya. Rebbe Shimon treurt over de misleidende gerichtheid die mensen hebben op de realiteit, wat niet alleen resulteert in het niet zien, maar ook in het niet  brengen van zegeningen.

Kom en zie. Toen Israël waardig werd bevonden voor de Heilige, geprezen zij Hij en gegrondvest werd met Hem, gebonden aan de hogere heilige boom, die allen van levensonderhoud voorziet, werden zij gezegend vanuit deze plaats, welke een verzamelplaats is van alle zegeningen.

Het woord “waardig” (in het Hebreeuws, “zakain”) impliceert verdienste. Het is een spiritueel niveau dat voortkomt vanuit een passende vervulling van de mitzwot, met als gevolg dat de ziel wordt verfijnd naar het niveau waar hij het spiritueel licht waarneemt en beseft.

De “heilige boom” verwijst naar de boom van de sefirot en in het bijzonder naar de sefira van yesod van Zeir Anpin, welke is verbonden met tiferet, welke de “hogere heilige boom” wordt genoemd. Door zich te hechten aan deze boom, door het leren van Thora en het uitvoeren van mitzwot, verbindt men zich met de sefira van tiferet, die in zichzelf de overvloed verzamelt van alle sefirot van Atziloet. Wanneer er op een passende wijze door het Joodse Volk een verbintenis is, door de yesod van Atziloet, brengen zij spiritueel licht en wat nodig is om het leven te onderhouden naar al de lagere werelden van Beriya, Yetzira en Asiya.

SHABBAT SHALOM     

PARASHAT BECHOEKOTAI

In Mijn inzettingen Leviticus. 26:3 – 27:34

Maar als jullie niet naar Mij luisteren en jullie al deze mitzwot niet doen. (Leviticus. 26:14)

Er zijn verschillende meningen onder Kabbalisten ten aanzien van beloning en straf die de Thora voorspelt voor het in acht nemen en het niet in acht nemen van de mitzwot.

Nachmanides (Rabbi Moshe ben Nachman) opinie is dat, “De beloning die een persoon ten deel valt voor het doen van een mitzwa, of de straffen vanwege overtreding, alleen komt door het boven natuurlijke. Wanneer een persoon is overgeleverd aan zijn natuur en natuurlijke lot, zou de rechtschapenheid van zijn daden hem niets geven, en niets van hem nemen. Daarentegen zijn de Thora beloningen en straffen in deze wereld allen wonderen. Zij komen verhuld, zodat de in acht nemende denkt dat zij hebben plaats gevonden door de normale gang van zaken van de wereld; maar zij zijn in waarheid G’ddelijk verordende beloningen en straffen aan een persoon.”

Andere Kabbalisten echter, houden staande dat dit een natuurlijk proces is. In de woorden van de Shaloh: “De boven natuurlijke werelden reageren op de handelingen van de lagere wereld en vandaar spreid de zegen zich uit naar de gene die het heeft veroorzaakt. Voor de gene die deze waarheid begrijpt, is het geen wonder, maar de aard van de avodah ( menselijk levenswerk in het dienen van G’d)”.

Met ander woorden, juist zoals de Schepper bepaalde wetten heeft vastgesteld van oorzaak en gevolg die de natuurlijke werking van de fysieke wereld karakteriseren, zo ook bepaalde Hij een spirituele morele “natuur”, door welk goed doen resulteert in een goed en voldoening gevend leven en kwaad doen resulteert in negatieve en conflictvolle gewaarwording.

Een derde benadering associeert lijden met zonde als een bijproduct van G’Ds rehabilitatie van de snode ziel. De analogie is het verwijderen van een geïnfecteerde splinter van iemands lichaam: de pijn die wordt ervaren is niet een “straf” voor de onvoorzichtigheid van de persoon als zodanig, maar een onvermijdelijk onderdeel van het genezingsproces zelf. Het feit dat een vreemde substantie zich heeft ingebed in levend vlees welke tot bederf leidt, veroorzaakt bij verwijdering een pijnlijke gewaarwording. Hetzelfde gebeurt wanneer iets dat vreemd is aan de verbintenis van de ziel met G’D wordt ingebed, het onttrekken van dit vreemde lichaam en helen van de verbintenis wordt als pijnlijk ervaren zowel voor het lichaam als voor de ziel.

SHABBAT SHALOM