PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok Genesis 28:10 – 32:3

“Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe”, “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land. Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G'D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w. laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap. Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israëls imperfectie, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w. “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hen zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w. de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”
De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w. de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de be’èr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël. Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israëls vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, met andere woorden, Thora, Erets JisraëlOlam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, met andere woorden, De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het Kodesh Kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)


SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara (Genesis 23:1 – 25:18)

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij             Genesis 12:1 – 17:27

 

Rabbi Shimon bar Jochai.
Zohar, pg. 82a

De Zohar verklaart waarom de eerste zegen, in het Stille Gebed, Shemoné ‘Esré, “Geprezen U, Eeuwige, beschermer van Awraham” is. Het was Koning David, een soldaat, die streed met een fysiek schild, maar zich ook verliet op G’D’s bescherming. Waarom zeggen we dan niet “Beschermer van David”?

Rabbi Jossi opent zijn verhandeling [de uitzonderlijke natuur van Abraham uitleggend] met het citaat “U bent een beschermer voor mij,U houdt mij in ere en heft mijn hoofd op”. (Psalm 3:4) Hier zegt David, dat zelfs als de hele wereld zich tegen hem zou verenigen, om oorlog te voeren [zou hij geen vrees hebben voor een nederlaag] omdat “U bent een beschermer voor mij”. [m.a.w zij kunnen mij geen schade toebrengen.] Kom en zie. De Tekst zegt “een beschermer voor mij” dit betekenent dat David zegt tegen G’D, “Heer van het Universum, waarom is het dat mijn naam niet wordt gebruikt in het maken van een zegen in het Stille Gebed, zoals gedaan voor Abraham? Zoals is geschreven [dat G’D zei tegen Abraham], “Vrees niet Abram, Ik ben een schild voor je”(Genesis.15:1); en [om die reden] zeggen zij [in de eerste zegen van het Stille Gebed] ‘Beschermer van Abraham’.”

Abraham was het archetype van vriendelijkheid, dat voor misbruik natuurlijk vatbaar is. Aangezien hij het voorbeeld van zuivere vriendelijkheid in een gevaarlijke wereld was, beloofde GD om hem van iedereen te beschermen wie macht over hem zouden proberen te hebben. Koning David vraagt of hij eveneens in aanmerking komt voor een zegen voor beveiliging, aangezien hij ook goed bracht in de wereld, oprecht vertrouwde op GD als schild en beschermde bij vele gelegenheden.

De Heilige, Geprezen zij Hij, beantwoordde David door te zeggen, “Ik heb reeds Abraham [ met de 10 proeven, zoals in de Midrash aangegeven ] getest en hem gezuiverd [letterlijk, aangezien hij de oven overleefde waar Nimrod hem in wierp], en hij weerstond volledig [tegen zijn kwade neiging in] elke test.

Aangezien Abraham zijn kwade inclinatie geheel had overwonnen, konden de krachten,die door de Andere Zijde werden voortgebracht, geen enkele invloed over de zegen uitoefenen, die tot zijn verdienste was neergedaald.

Koning David zei tot Hem, dat als dit het geval is “Onderzoek me eveneens, GD en test me; zuiver mijn nieren en mijn hart “. (Psalm 26:2)

[Zo zond G’d hem een test door Bath Sheba] en toen hij handelde zoals hij deed, werd David herinnerd door GD met betrekking tot zijn verzoek. Vandaar dat hij zei “U heeft mijn hart getest” (Psalm.17:3); “U heeft mij ‘s nachts bezocht; U heeft mij getest en mijn gebrek gevonden; laat mijn mond geen overtreding begaan.”

David vraagt, “Ik vroeg U, onderzoek mij G’D en stel mij op de proef, en U testte mijn hart. Ik zei zuiver mijn nieren [om te zien of mijn raad goed was - aangezien zij de zetel van raad zijn], en U testte ze. Maar U stelde mij in gebreke. Anders gezegd, U vond me niet waardig. Ach, wat ik had gevraagd te gebeuren, had niet mijn mond mogen ontsnappen.”

Met al dat [omdat David zijn schuld erkende en berouw toonde], vergaf G’D hem, en om die reden eindigen wij een zegen met de woorden “Schild van David” [in de zegen na het lezen van deHaftara (Profetenlezing) op Shabbat]. Vanwege dit alles begreep Koning David dat G’D ook een waar schild was voor de sefira vanmalchoet, David zei in de boven aangehaalde quotatie, “En U, G’D, bent een schild voor mij; mijn glorie, en Degene die mijn hoofd opheft”, [dit betekenent] “Natuurlijk is deze sefira[malchoet] mijn eer en de ware kroon welke ik op mijn hoofd draag”.

Omdat de sefira van malchoet direct onder de sefirot van jesod entiferet is, in het diagram van de Boom van het Leven, worden alle zegeningen van de hogere sefirot direct er naar gekanaliseerd, via het middenpad. Dit houdt deze zegeningen uit de greep van de externe krachten en beschermt hen. Ook moet opgemerkt worden dat de kleur,die geassocieerd is met de sefira van malchoet, blauw is. Vandaar de Ster van David op de Israëlische vlag, welke een representatie is van zijn schild, met als kleur, blauw.

SHABBAT SHALOM