KONINGIN ESTHER FYSIEKE SCHOONHEID WAS EEN MANIFESTATIE VAN HAAR SPIRITUELE STATUS.

RABBI SHIMON BAR JOCHAI.

ZOHAR 169b.

Rebbe Shimon spreekt in deze passage met een ziel van de spirituele Tuin van Eden (Paradijs).

Rebbe Shimon zegt: Ik weet zeker dat daar [in de lagere Tuin van Eden] jullie gekleed gaan in de glorie van een lichaam dat puur en heilig is.

Dat lichaam van zielen is een lichaam van licht dat gemaakt is van het spirituele licht, dat is opgewekt door het verrichten van mitzwot in de fysieke wereld.

Was er ooit iets gelijk aan deze kleding in de fysieke wereld? Dat een persoon in deze wereld in het zelfde lichaam verschijnt zoals jij verschijnt in de spirituele werelden.

Rebbe Shimon wil weten of er mensen waren in de fysieke wereld die zo rechtvaardig waren dat hun lichamen een extensie was van hun zuivere spiritualiteit.

Hij antwoordde hem: “Twee jonge mensen, die gekleed waren te midden van ons stelden deze vraag aan het Hoofd van de Academie, nadat zij spijt ondervonden ten opzichte van een zonde, die ongeschikt is voor de openbaarheid. Dit is wat zij vroegen aan het Academie Hoofd, en hij antwoordden hen: Dat er wel degelijk zo een gebeuren was in de fysieke wereld. Van waar leren we dat? Van het vers: “ En het gebeurde op de derde dag[van haar vasten] dat Esther zich koninklijk (letterlijk “malchoet”) kleedde en in het binnenhof van het koninklijke paleis stond, tegenover de residentie van de Koning…..”(Esther 5:1). Dit betekent dat zij zich kleedde in het evenbeeld van de spirituele wereld, omdat het woord “koninklijk” verwijst naar de geest van heiligheid.

De [sefira] van malchoet, koninklijk, is van de hemelse sferen en [ondanks het feit dat het in de fysieke sfeer is] houdt het in zich, de atmosfeer van de hogere spirituele sfeer.

Na drie dagen van vasten en gebed, had Koningin Esther haar fysieke lichaam tot zo’n extensie gezuiverd en gepurificeerd, dat zij waardig was om de spirituele kleding te ontvangen, zelfs in deze fysieke realiteit.
Haar schoonheid moet een wonderbaarlijke aanschouwing geweest zijn, en verklaart waarom zij gunst vond in de ogen van Koning Achaswerus.

En toen Esther tegenover Koning Achaswerus stond en deze haar verschijning van spirituele licht zag, was haar voorkomen als een engel van G’D. Toen [hij haar zag], verliet zijn ziel hem voor een moment.

Eveneens zo was het met Mordechai, zoals is geschreven, “En Mordechai verwijderde zich van de aanwezigheid van de Koning in koninklijke kleren” ( Esther 8:15 ).
Dit was letterlijk de kleding, of externe verschijning van de sefira van malchoet
[van Zeir Anpin], het evenbeeld of gezicht van die hogere wereld.
Daarom is er geschreven dat “de angst voor Mordechai had hun bevangen” (ibid. 9:3).
Zij waren bang voor Mordechai wegens het angstaanjagende van zijn spirituele verschijning, en niet voor Achaswerus.

Goed Poeriem.

POERIEM

Er is iets vreemds aan de naam Poerim. Ten eerste, het is een Perzische naam ( betekenent “Loten” de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen tegen de Joden ). En ten tweede, refereert het eerder aan het gevaar waarmee de Joden geconfronteerd werden, dan naar hun eventuele redding. Bovendien is de Megilla, het boek Ester, uniek onder de boeken van Tenach door op geen enkele manier de naam van G’D te noemen. Al dit suggereert dat Poerim een symbool is van “versluiering” of “verhulling” van het gezicht van G’D. De naam “Ester” zelf gerelateerd aan het Hebreeuwse woord “Ik zal verhullen” wat voorkomt in Devariem waar G’D zegt “Ik zal Mijn gezicht zeker verhullen.” En toch is Poeriem een viering van een mirakel, een openbaring van Goddelijke voorzienigheid. De verhandeling, met het oplossen van deze ogenschijnlijke contradictie, onderzoekt het idee van een mirakel en hetzij een natuurlijke of een onnatuurlijke gebeurtenis. De onderliggende vraag van het modern denken in het bijzonder is ; betekent de verdwijning van de bovennatuurlijke openbaring dat het tijdperk van mirakels voorbij is?

POERIEM EN HET HEDEN

“Als iemand de Megilla leest in de verkeerde volgorde ( letterlijk, van achter naar voren ), heeft hij zijn verplichting niet vervuld.”( Mishna Megilla, beg. Hfst.2 )

De Baal Shem Tov (gequoteerd in Divrei Shalom, Parashat Bo ) legt uit dat dit refereert aan een persoon die de Megilla leest maar gelooft dat wat het verhaal zegt alleen een gebeurtenis van het verleden is ( dat wordt bedoeld met van achter naar voren, als een retrospectieve beschrijving ) en dat het mirakel van Poeriem niet het heden verdraagt.

Zo een persoon heeft zijn verplichting niet vervuld, want het doel van het lezen van de Magills is, hoe een Jood moet leren zich te gedragen in het heden.

Als dit van toepassing zou zijn op elk vers van de Megilla en de Megilla als geheel, richt het zich niettemin toch meer tot het vers welk verklaart hoe het Poeriemfeest zijn naam heeft verworven.

Want een naam voor iets is een essentieel teken van zijn karakter.

En de innerlijke betekenis van het lezen het vers, welk ons verteld van Poeriem alsof het zich alleen richt op het verleden, mist zijn eeuwig zijnde boodschap aan Israël en de Jood.

DE NAAM VAN POERIEM

Het vers ( Ester 9, 26 ) zegt: Daarom noemen zij de dagen Poeriem ( loten )de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen om de Joden te vernietigen.

Het woord “Poer” is geen Hebreeuws maar Perzisch ( Ibn Ezra op Ester 3, 7 . Dus de Tenach, wanneer zij het aanhaalt, vertaalt in het Hebreeuws: “Poer: dat is, de Goral (lot)”. ( Ester 9, 24 ) Waarom dan wordt het feest genoemd bij de Perzische naam, Poeriem, in plaats van de Hebreeuwse equivalent, Goralot? Alle andere feesten, inclusief Chanoeka ( de andere die geïnstitueerd door Rabbijnen ) hebben Hebreeuwse namen.

Er is nog een ander enigma. De andere feesten herinneren aan mirakels van verlossing en noemen de feiten bij hun namen. Poeriem, in plaats dat het genoemd wordt naar de verlossing van Haman’s decreet, is daarentegen genoemd naar het gevaar zelf. De loterij waarbij Haman de dag vaststelde met de intentie “om hen te verteren en te vernietigen,” G’D verbiedt.

DE NAAM VAN G’D

Een ander bijzonder kenmerk in de Megilla, het boek van Ester is, dat de naam van G’D er niet in wordt genoemd. Alle andere boeken van Tenach bevatten vele malen de naam van G’D. Deze zeer opmerkelijke omissie is suggestief voor een extreme verhulling.

Iedere Jood, zelfs wanneer hij spreekt over seculaire aangelegenheden zou als een vertrouwd iets de “de naam van G’D op zijn lippen ” moeten hebben. Zeker wanneer hij schrijft, ook over seculaire zaken, is het een universeel gebruik ( en een Joods gebruik als deel van de Thora ) met de afgekorte letters van de woorden “Met G’D’s zegen,” “Met Hemelse hulp”, of zoiets dergelijks te beginnen ( zie geheel bovenaan ). Het is daarom zeer opmerkelijk dat de naam van G’D in èèn van de boeken van de Tenach geheel verstoken is.

VERHULLING EN OPENBARING

Zoals reeds boven is aangehaald is de diepere betekenis van iets een aanduiding voor zijn naam. De naam Ester suggereert de verhulling die we aantreffen in de Megilla. “Ester” komt van de zelfde stam als “Hester”, (verbergen). En inderdaad zinspeelt het op een dubbele verberging, aangegeven in de Thora? In het vers ( Devariem 31, 18 ) Ik zal verbergen, ja verbergen Mijn gezicht. ” Maar zo is ook openbaring impliciet in de naam Megilla Ester, want Megilla betekent “openbaring”.( Thora Or, 119a, citerend Pri Etz Chayim )

Zoals we in de titel van het boek twee contradicties kunnen onderscheiden, verhulling ( Ester ) en openbaring ( Megilla ), kunnen we dat ook in het feest zelf. Aan de ene kant ligt het idee van verhulling achter de naam van Poeriem, een Perzisch woord, en een met de link naar het decreet tegen de Joden. En van de andere kant is het een feest welke in zijn wijze van viering alle andere te boven gaat en zelfs zover dat men dronken moet worden tot aan “men niet meer het verschil kan onderscheiden tussen “Gezegend zij Mordechai en “Vervloekt zij Haman” ( Megilla 7b ), een viering zonder limiet.

DE HANDELINGEN VAN ESTER EN MORDECHAI

Om deze ogenschijnlijke contradicties te begrijpen moet men een zeer speciaal karakter in acht nemen.

In de tijd van Haman’s decreet, had het Joodse volk hooggeëerde vertegenwoordigers aan het koninklijke hof. Mordechai was gewoon te “zitten aan de poort van de Koning”,( Ester 2,19 ) en onze geleerden vertellen ons, “en werd geconsulteerd door Achasferos om advies”. ( Megilla, 13a ) Bovendien had hij het leven van de Koning gered. ( Ester 2, 21:23 ) Ester was koningin en vond “gunst en genegenheid in zijn aanblik “, ( Ibid 2,17 ) Vanuit dit gezichtspunt, toen de Joden hoorden van het decreet, zou men veronderstellen dat zij als allereerste gebruik zouden maken van deze vertegenwoordigers om te proberen invloed uit te oefenen op Achasferos om het teniet te doen. Maar we zien in de Megilla dat Mordechai’s eerste handeling was dat hij “zichzelf hulde in zak en as en naar het midden van de stad ging”( Ibid 4,1 ). Hij bekeerde zich tot berouw, en verzocht bij de overige Joden dit eveneens te doen. ( Ibid 4,3 ) Daarnaar pas zond hij Ester “naar de Koning om bij hem voor haar volk te smeken en te pleiten.”( Ibid 4,8 )

Ester gedroeg zich op de zelfde wijze. Toen het nodig werd voor haar om naar de Koning te gaan, verzocht zij Mordechai als eerste “Ga en verzamel alle Joden ……en zij zullen voor mij vasten , noch eten noch drinken voor drie dagen en nachten.” ( Ibid 4, 18 ) Ester voegde hier aan toe, mijzelf inbegrepen: “Ik zal eveneens vasten.”

Het schijnt voor haar essentieel om gunst te vinden in de ogen van Achasferos. Haar binnenkomen in het hof van de Koning was “niet volgens de wet.” ( Ibid 4,18 ) Het houdt een dodelijk risico in:” iedereen…die zal komen in het binnenhof van De Koning en niet is geroepen, zal ter dood staan door wet,” ( Ibid 4, 11 ) Ester kon niet geheel zeken zijn van koninklijke gunst : ” Ik ben niet ontboden….de laatste dertig dagen”.( Ibid 4,11 ) Als dat zo is, hoe komt zij te overwegen om drie achtereenvolgende dagen te vasten, een handeling die normaal zou resulteren in het afnemen van haar schoonheid?

OORZAAK EN WERKING

De reden is dat Mordechai en Ester absoluut zeker waren dat Haman’s decreet niet een historisch accident was, maar een falend gevolg binnen het Joodse volk. (Ram Bam, Hilchot Taaniot 1,2-3.) Aangezien men niet geheel een effect ( decreet ) kan verwijderen zonder de oorzaak te vernietigen, daarom was hun eerste handeling het bijeen roepen van het Joodse volk voor berouw en vasten. Het was niet een ongedefinieerde oproep: het articuleerde naar een specifieke zonde die moest worden gerectificeerd.

De Midrash ( Jalkoet Shimoni, Ester,begin hfst.5 ) becommentarieert Ester’s woorden “en zij zullen vasten voor mij en noch eten en drinken,”met “jullie vasten omdat jullie aten en dronken aan het feest van Achasferos.”

Zij wendde zich toen tot Achasferos met het verzoek om annulatie van het decreet, omdat dat G’D er naar verlangt de mens te zegenen “door alles wat je doet ” op een natuurlijke wijze. Het gaan naar Achasferos was een wijze ( en niet meer dan dat ) om een Goddelijke voorzienigheid mogelijk te maken via de natuurlijke kanalen. De ware reden van de verlossing lag niet in de beslissing van de Koning, in vasten en berouw van de Joden. Dus ondanks dat Mordechai en Ester natuurlijke betekenissen gebruikten, lag de nadruk van hun bezorgdheid in de onderliggende spirituele oorzaken.

NATUURLIJKE EN BOVENNATUURLIJKE ZEGENINGEN

De achterliggende moraal is duidelijk. In een periode van tegenspoed zijn er, die geloven dat de eerste en cruciale stap om te proberen de situatie bestrijden, op een natuurlijke wijze moet zijn. De Megilla leert het tegengestelde : dat de beginhandeling van iemand moet zijn het versterken van de band met G’D, door leren het van Thora en het in acht nemen van de Mitswot. Alleen dan pas moet men zoeken naar fysieke kanalen door welk de verlossing kan vloeien. Als men op deze wijze handelt, zal iemands verlossing bovennatuurlijk zijn, in welk natuurlijke uiterlijk manifestatie dan ook.

Dit geldt voor beide, de individueel en de gemeenschap. De Jood is overtuigd van het besef dat hij is verbonden met G’D en dat G’D niet gebonden is aan de natuurlijke grenzen, zelfs als Hij Zijn zegeningen zend in de vorm van natuurlijke gebeurtenissen. De Mens moet dit kanaal voorbereiden “door alles wat je doet. ” Maar aangezien dit niet meer dan een kanaal is, moet zijn voornaamste streven van voorbereiding, om de Goddelijke zegen te ontvangen, zijn, het leren en het vervullen van de Thora.

De inspanning door de natuurlijke betekenis is analogisch aan het uitschrijven van een cheque, die geen enkele waarde heeft als hij niet is gedekt door geld op de bank De spirituele handelingen is het “geld.”

Mogelijkerwijs denkt men dat dit alleen van toepassing was op de periode van tijd dat G’D’s aanwezigheid zich manifesteerde: m.a.w. nu dat het Joodse volk in verbanning is ( de Babylonische ), in een staat van extreme duisternis, in plaats van openbaring, zou men wellicht denken dat G’D zijn voorzienigheid zou hebben toevertrouwd aan het domein van de natuurwetten.

Poeriem weerlegt deze twijfel.

Want het mirakel van Poeriem vond plaats toen de Joden in verbanning waren, “verstrooid onder de volkeren” ( Ester 3,8 ). Evenmin beëindigde het achteraf de verbanning. Maar de verlossing kwam, niet door natuurlijke oorzaken, maar doordat de Joden drie dagen vasten.

Dit verklaard waarom Poerim in zijn Perzische naam verhulling suggereert, genoemd na verwezenlijking van het decreet van Haman en in de Megilla te zijn verstoken van G’D’s naam. Het is het thuis brengen van de waarheid dat de Jood niet is gebonden aan de natuurlijke wetten, niet alleen in zijn spirituele leven en niet in zijn omgang met zijn mede Joden, maar zelfs ook in zijn relatie met de seculaire wereld: Wanneer hij is gedwongen een andere taal te spreken, wanneer decreten uitgevaardigd zijn tegen hem, wanneer hij bang is om G’D’s te schrijven, in zaken dat het ontwijdend is. ( Shoelchan Aroech, Orach Chaim, hfst.156. In de diepste verhulling, vindt men openbaring. In de Naam Megilla Ester, naast Ester ( verhulling ) is Megilla ( openbaring ) In de loting ( Poeriem ) vindt men het symbool van het onvoorstelbare, het bovennatuurlijke. Wanneer G’D zegt, “Ik zal verhullen, ja Ik zal Mijn gezicht verhullen,” zegt Hij ” Ondanks dat mijn gezicht is verborgen, kan je de “Ik” bereiken, Ik als Ik ben boven alle namen”. ( Likkoetei Thora Pinchas, 80b ) En zoals de laatste verlossing kracht geeft voor de volgende verlossing, zo zal vanuit Poeriem de Messiaanse tijd vloeien,

Wanneer verhulling zal worden gekeerd door openbaring, en “nacht zal schitteren als de dag” ( Psalmen 139, 12. ).

PARASHAT TETSAVÈ

Je zult gebieden                          (Exodus 27:20 – 30:10)

Zohar, pagina 182b

Rebbe Jehoeda, de offergaven, genoemd in dit wekelijkse Thoragedeelte analyserend, vergelijkt hun puurheid met de gevolgen van razernij. Het verband ligt in het feit dat een persoon, die woedend is zijn positieven offert aan het bloed van zijn gevoelsuitbarsting. Dit is een vorm van afgoderij.

Toen De Heilige, Geprezen zij Hij, de Mens creëerde, schiep Hij hem in de vorm van de spirituele wereld. Hij blies [ademde] in hem een heilige ziel bestaande uit drie delen.

Het Hebreeuwse woord voor “ziel” is “neshama”, het woord voor “adem” is “nishima”. Dit verklaart waarom ademhalingsoefeningen uitwerking hebben op de ziel. En ook waarom woede “kotzer roe’ach”, “kortademig”, de ziel verzwakt door ademnood. Een andere naam voor “woede”is “af” wat “neus” betekent.
Woede is kenbaar aan trillende neusvleugels vanwege gebrek aan adem. Het beheersen van woede door middel van diepe ademhaling werkt versterkend voor de ziel.

Zoals we hebben geleerd, bestaat de ziel uit de Nefesh, Roe’ach en Neshama. De meest spirituele onder hen is de Neshama, welke ook de meeste kracht bezit. De functie van de Neshama is, het leren en het houden van de geboden van de Heilige, Geprezen zij Hij. Als nu de heilige Neshama zich beweegt naar een andere verering [b.v. afgoderij/woede] wordt zij ontwijd, en wordt daardoor van de dienst aan haar Meester afgehouden. Dit komt omdat deze drie vermogens één identiteit zijn. De Nefesh en de Roe’ach en de Neshama participeren samen en worden, omdat zij in alle lichamelijke activiteiten van een persoon gezamenlijk werkzaam zijn, één geheel. Dit alles is gelijk het hoge mysterie.

Omdat de drie niveaus samen handelen, als de Neshama wordt verontreinigd, zijn alle drie aangetast, en de persoon is compleet verwijderd van verering van de Schepper. De hogere mysteries zijn de spirituele bronnen van deze drie.
De Nefesh is van malchoet, de Roe’ach is van de zes tussenliggende sefirot, en deNeshama is van bina. Juist zoals deze drie spirituele constellaties zich als één richten op de dienst van G’D, zo ook doen hun lagere tegenhangers. Het lagere is een vehikel voor het hogere, maar wanneer het is verontreinigd veroorzaakt het een uit elkaar vallen van de éénheid van de hogere niveaus. Dit maakt de weg vrij voor de negatieve separatie machten en staat hen toe om te floreren.

Als blijkt dat een persoon al deze drie niveaus van de ziel heeft {omdat hij Thora leert, het vereren van zijn Meester en het praktisch uitvoeren van mitswot} hoe kan men weten om hem een vriendschap aan te gaan?
Hoe kan worden bewezen of hij bewust is (van de existentie van deze drie niveaus) in zijn eigen gedrag? Wanneer een persoon kwaad is herken je zijn ware aard. Wanneer iemand zijn ziel niet beschermd, maar wegrukt uit zijn omgeving, omdat hij is beïnvloed door zijn eigen ego (spirituele afgoderij), dan is hij niet een waardig persoon. Als hij zijn heilige ziel beschermt terwijl hij kwaad is, dan is hij een waardig persoon. Dan is hij een ware dienaar van zijn Meester, een kompleet mens.

Dit type persoon wordt kwaad, maar verliest nooit zijn beheersing door het zeggen van slechte dingen of ongecontroleerd gedrag, welke uiterlijke manifestaties zijn van innerlijke verdeeldheid, en die alle spirituele niveaus aantast, zoals bovenstaand is uitgelegd.

Als een persoon haar niet beschermt [zijn Neshama], en hij ontwortelt deze heiligheid uit zijn vertrouwde omgeving, en de Andere Zijde ertoe brengt daar in plaats te verblijven, rebelleert deze persoon met absolute zekerheid tegen zijn Meester. Het is verboden hem te benaderen of met hem bevriend te zijn.

Wanneer eenmaal de eenheid is verbroken, en de Andere Zijde controle heeft over de persoon zodat zijn verstand wordt geregeerd door drift, is zijn lichaam zonder heiligheid en komt ook niet terug, zelfs wanneer zijn woede is afgenomen.

Dit is het persoonstype dat wordt beschreven in het vers “Mijd een persoon wiens adem in zijn neusvleugels is; want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” (Jesaja 2:22). Dit omdat zijn heilige ziel is geïrriteerd en onzuiver is geworden vanwege zijn eigen woede. Hij heeft de wijze van ademen gewisseld [in het Hebreeuws “nishima”] in zijn neusvleugels.

-

Het woord voor woede in het aangehaalde vers is “apó” wat ook “neus” betekent. Het woord voor “ziel”, “ Neshama” , duidt aan, ademen. Daarom zinspeelt het vers dat de heilige ziel is heengegaan, de gesperde neusgaten zijn het bewijs.
Het woord “bemà”, “wat is” (waar voor hij aansprakelijk is) in het aangehaalde vers, heeft ook een dubbele betekenis. Door de klinkers te veranderen kan met de zelfde letters “bamà” worden uitgesproken, wat “altaar” betekent.

“Want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” Hij is [alleen] waardig voor afgoderij, [aangezien hij een altaar is geworden voor offers van de andere zijde].
Degene die met hem bevriend raakt en degene die met hem spreekt, is als iemand die zich bindt aan afgoderij. Hij heeft de hogere heiligheid ontworteld [door zijn woede], in haar plaats verblijft afgoderij in hem, een vreemde mogendheid.

In plaats van G’D’s wil te accepteren, gelooft de kwade persoon dat woede hem brengt wat hij denkt nodig te hebben. Hij plaatst zijn vertrouwen in een vreemde mogendheid omdat hij iets wil van buiten zijn situatie, waarmee hij is geconfronteerd. Deze specifieke situatie komt van G’D en toch is hij er razend over!! Zijn visie is een misconceptie en daarom gevaarlijk ten aanzien van een persoon die vertrouwd op de G’ddelijke voorzienigheid en doet wat G’D wil.

Het is zoals gezegd wordt over vereren van afgoden: “Wend je niet tot de afgoden” (leviticus19:4) [dat het verboden is om te staren naar afgodische afbeeldingen] m.a.w. op de zelfde wijze is het verboden om in het gezicht van een woedend persoon te kijken.

De boodschap is zeer duidelijk, zorg er voor dat je niet betrokken raakt in woede van de persoon, maar, wanneer mogelijk, hem aan te moedigen om diep adem te halen.

Sefira Niveau Ziel Niveau Omzetting Belevenis Activiteit
bina Neshama Adem Vitaliteit intelligentie Thora Leren
zes intermediaire sefirot Roe’ach wind of geest Vitaliteit emotie Gebed/Verering Van G’D
malchoet Nefesh Gecreëerde ziel Fysieke vitaliteit Praktische mitswot

De wijzen leren, dat als een persoon een Thorageleerde is, zijn wijsheid vervaagt omdat hij zijn kwaadheid niet kan onderdrukken. Van de bovenstaande tabel kan men zien, dat als het Ziel Niveau “vervaagt”, veroorzaakt door woede, dat ook een smet werpt op de corresponderende activiteiten. Dus, studie verdwijnt met deNeshama, een verstoorde geest heeft een uitwerking op verering, het breken met praktische mitswot, zoals andere niet in verlegenheid brengen of nodeloos breken van bepalingen. De woedend zijnde persoon heeft zijn gezicht/partzoef fysiek veranderd, door woest trillende neusvleugels en bloeddoorlopen ogen. Dit brengt een verandering teweeg in het hogere gezicht/partzoef. Het is een reden temeer om degene op dat moment niet in zijn gezicht/partzoef te zien.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing           Exodus. 25:1 – 27:19


Rabbi JItzchak Luria


Arken en Engelen


Geschriften van de Ari

Dit Thoragedeelte bespreekt het Tabernakel. De binnenste kamer van het Tabernakel huisvestte de Ark van het Verbond, die de Tafelen van het Verbond bevatte, waarop de Tien Geboden waren ingegraveerd.

Er waren eigenlijk drie arken, de een in de ander (Rashi, Exodus. 25:11). Deze reflecteren het feit dat er drie Namen Elo-hiem zijn in Zeir Anpin van Atziloet, corresponderend met [Zijn] Bina, Gevoera en Malchoet. De numerieke waarde hiervan is 258, ook de numerieke waarde van “Charan”.  Bezalel maakte drie arken corresponderend met deze drie Namen.

Elo-hiem: alef-lamed-hei-joed-mem= 1+30+5+10+40=86. 3×86=258

Charan: chet-reech-noen= 8+200+50=258

De Naam Elo-hiem betekent samentrekking, restrictie [Tzimtzoem], oordeel [Din] en strengheid [Gevoera]. Er kan ook aangenomen worden dat elke sefira deze eigenschappen blijkt weer te geven.

Zoals we eerder hebben verklaard, is Bina het vermogen van het intellect het inzicht van Chochma te analyseren en evalueren en het daarbij te ontdoen en te zuiveren van te eventuele inhoudelijke additieven van subjectiviteit. Het is dus werkzaam op het gebied van beoordeling en strengheid. Gevoera is de Sefira wiens taak is om de zonder enig onderscheid makende liefdadigheid van Chesed te limiteren, zodat goedheid alleen wordt verleend aan ontvangers die het verdienen.

Charan was de stad in Mesopotamië waar Abrahams familie zich vestigde na Oer Chaldea te hebben verlaten. Abraham zelf trok verder naar het Land Israël, zijn uitgebreide familie achterlatend. Charan representeert dus op thematische wijze het idee van de voorkeur geven aan de G’ddelijk oproep tot vervolmaking van de wereld en dit te prefereren boven het achter blijven in de wereldse goddeloze verlokkingen. De laatste zin van parashat Noach (Genisis. 11:31), die als geheel G’D’s ontevredenheid beschrijft met de keuze van de mensheid voor wetteloos en bandeloos leven boven G’ddelijke discipline, die onmiddellijk voorafgaat aan G’D’s oproep aan Abraham “ga voort”, aan het begin van parashat Lech Lecha is “en Therach (Abrahams vader)stierf in Charan” (Genesis. 11:32). Veelzeggend, het woord Charan betekent “woede” verwijzend naar G’D’s frustratie over het feit dat de mensheid  Hem afwees voorafgaand aan Abraham. (zie Rashi op deze verzen)

Dus deze drie Namen Elo-hiem vormen de volle manifestatie van G’D’s eigenschappen van striktheid. De drie arken die de Ark van het Verbond vormen waren bedoeld om deze drie Namen Elo-hiem een tegenwicht te geven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsregels (Exodus 21:1 – 24:18)


Rabbi Shimon bar Yochai


Zohar, pagina 118a

Dit gedeelte van de Zohar belicht een aspect van de parasha welke handelt over wetten die de interactie bepalen tussen mensen en de manier waarop rechters en rechtbanken de orde van de spirituele werelden weergeven.
De “Trouwe Herder” is de ziel van Mozes die zal komen om Rabbi Shimon te onderwijzen over de esoterische aspecten van de geboden.

[Rabbi Shimon zegt] “Halt Trouwe Herder, ontluik je zelf en verklaar de [geheimen achter de civiele] wetten.” De Trouwe Herder opent zijn verhandeling door het vers “Heer, open mijn lippen en mijn mond zal lof over U verkondigen” te citeren. (Ps. 51:17)

Door te openen met dit vers vroeg hij assistentie van G’D om hem te helpen in het verklaren van de vier categorieën van civiel recht met betrekking tot hun esoterische betekenissen.

Alvorens echter, verklaarde hij de wijze waarop de letters van de heilige namen het niveau van recht weergeven in de fysieke wereld. Bemerk daarbij dat het bovengenoemde vers ook het beginvers is van Shemoné Esré, het achttiende gebed, wat aangeeft dat men er zeer bewust van moet zijn dat zelfs de “eenvoudigste” der bewegingen, het openen van iemands mond, afhankelijk is van de barmhartigheid van G’D.

Het woord Ado-nai {“Heer” in het aangehaalde vers} wordt met de zelfde letters gespeld {alef, dalet; noen en yoed.} als het woord “dina”, gerangschikt in de tegengestelde orde. {“dina”betekent in het Aramees “recht”}. Om die reden leerden de Meesters van de Mishna, “De wet van het land is de wet”.(Gittin 10b)

De simpele betekenis van de Mishna is, dat een Jood de wetten van het land moet eerbiedigen. De Zohar brengt nu meer duidelijkheid over de diepere betekenis van het vers. De spirituele bron van al het fenomene gebeuren in deze wereld is geopenbaard in de letters van het Hebreeuwse alfabet. De orde van deze letters geven eveneens hun bovennatuurlijke bron weer.
Rabbi Moshe Cordevero verklaart het verschil tussen het G’ddelijk Recht en de wetten van het land als volgt:

1) Yoed

chochma

grote barmhartigheid

Abba

Hei

bina/in

recht

Imma

Vav

chesed

minder barmhartigheid

Zeir Anpin

Hei

malchoet

recht

Malchoet

2) Alef Dalet Noen Yoed
3) Dalet Yoed Noen Alef
4) Hei Hei Vav Yoed

De eerste rij toont de heilige naam van G’D in de spelling YoedHeiWavHei (bekend als Havaya). Elke letter verwijst naar de spirituele eigenschappen van een sefira in het bijzonder en ook naar een partzuf (uiterlijk facet), zoals blijkt.
De reeks begint met de eigenschap van barmhartigheid. Pas naderhand geven de letters het recht aan. Maar zelfs nadat het recht is voorafgegaan door de eerste barmhartigheid, wordt zij verder getemperd door de letter vav, welke ook barmhartigheid representeert.

De tweede rij is de naam Ado-nai, elke letter is verwijsbaar naar een corresponderende letter van de eerste rij.

De derde rij toont de letters van het woord dina.

De vierde rij toont de letters van de naam Havaya, zoals zij corresponderen met de letters van de naam Ado-nai, en in de reeks van de letters van het woord Dina.

Het resultaat in rij vier is dat de naam Havaya, in plaats van te beginnen met chesed, en din met chesed te variëren, eerst wordt gespeld met de twee letters van din (recht). Dit resulteert in het wrede recht van deze wereld, waar “De wet van het land is de wet”, welke niet gereduceerd is door barmhartigheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT JITRO

Jitro             Exodus 18:1 – 2023


G’DDELIJKE NAMEN, G’DDELIJKE DIMENSIES


Rabbi Isaiah Horowitz


Shné Loechot HaBriet

Ik zal nu trachten enkele esoterische dimensies te verduidelijken van de Tien Geboden, waarvan vijf zich verhouden tot onze Maker en vijf tot het welzijn van onze medemens.

We zijn onszelf al zeer bewust dat de gehele Thora bestaat uit permutaties van de Naam van G’D, permutaties die zich eindeloos uitstrekken in alle richtingen van het Universum.

De onuitsprekelijke Vier Letter Naam, joed, hé, vav, hé, (Havaya) is de Naam die G’D’s essentie symboliseert. Al de andere Namen zijn op een of andere manier afgeleid van deze Vier Letter Naam; deze verschillende “pseudoniemens” van G’D’s Naam zijn  ondergeschikt aan deze Naam Havayah. Er is geen woord of letter in de Thora die niet in een bepaalde vorm, hetzij direct of indirect, verwijst naar een Naam van G’D en die op zijn beurt aansluit bij de onuitsprekelijke Vier Letter Naam. Dit betekent dat de “Thora van G’D volkomen is” en al zijn aspecten op een of andere manier terug leiden naar de  Vier Letter Naam.

Met dit in gedachten is het eenvoudig te begrijpen dat de Tien Geboden in zich de hele Thora in “miniatuurvorm” bevatten.

De Tien Geboden bestaan uit 620 letters, corresponderend met de Kroon van de Thora (in het Hebreeuws, Keter, die een numerieke waarde heeft van 620).

613 van deze letters representeren de 613 geboden en verboden van de Thora die aan het Joodse Volk zijn opgelegd, terwijl de andere 7 de 7 Noachidische Wetten representeren, opgelegd aan de hele Mensheid. Het is vrij duidelijk dat de Tien Geboden, meer dan enig ander deel van de Thora, de esoterische dimensie van de Onuitsprekelijke Naam bevat.

De vorm en de afmeting van de Tafelen waarop de Tien Geboden zijn ingegraveerd verwijzen naar de letters van de Onuitsprekelijke Naam. Het cijfer 10 corresponderen met de letter joed van die Naam. De vijf geboden ingegraveerd op elk van de Tafelen correspondeert met de letter van de Onuitsprekelijke Naam. De letter vav representerend de hoogte, de breedte de dikte van de Tafelen, die elk 6 handbreedten waren. [De respectievelijke numerieke waarden voor de letters joed, hé en vav zijn 10, 5, en 6.]

Wanneer we de dimensies van de Tafelen “kuberen” 6 bij 6 bij 6, verkrijgen we 216 kubiek handbreedten. Dit cijfer is gelijk aan de letter voor letter van de Onuitsprekelijke Naam, beter bekend als “AB”, de numerieke waarde van 72.   Dit cijfer, gezien in de drie dimensies van de Tafelen, bereik je 3×72=216. Dit cijfer correspondeert met het aantal [drie keer 72 in elke vers] in de drie successievelijke verzen in Exodus. 14:19-21, beschrijvend de tussenkomst van G’D’s engel tussen het kampement van de Israëlieten en dat van de Egyptenaren…

De eerste vijf van de Geboden spreekt over de Naam van G’D zoals die wordt gespeld, met andere woorden, joed, hé, vav, hé, terwijl de laatste vijf geboden spreken over die Naam zoals die wordt geschreven, met andere woorden, zoals de Naam Ado-nai, de oorsprong van Israël [aangezien deze vijf Geboden gedrag reguleren tussen Joden en Joden.] In essentie is alles in wezen één. Alles leidt terug naar de Onuitsprekelijke Naam.

Dit, in grote lijnen, heb ik overgenomen van de geschriften van Nachmanides waar hij stelt dat de dualistische natuur van de Tafelen, met andere woorden 2 Tafelen in plaats van één, Hemel en Aarde, bruidegom en bruid, symboliseren.

Alles is gebaseerd op de esoterische dimensie van de Onuitsprekelijke Naam hetzij gespeld als, joed, hé, vav, hé, of als Ado-nai.

SHABBAT SHALOM