PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

We moeten altijd uitgaan van de stelling, dat heel Israël wordt gezien als nèfèsh echad, één ziel, één levenskracht. Israël als geheel wordt aangehaald met de titel adam. Als geheugensteuntje voor dit feit dienen Ja’akov’s familieleden, zesenzestig in aantal, welke verhuisden van het land Kana’an naar Egypte in Genesis 46,26 en waar zij verwezen worden als nefesh, ziel, of persoon, in het enkelvoud. Juist zoals een lichaam 248 ledematen en organen heeft, bestaat het nationale Joodse lichaam, adam, eveneens uit een groot aantal delen.
De Zohar verwijst naar deze delen als sheeivà degoeva, spaanders of splinters van een lichaam.
Er zijn uiteraard importantieverschillen tussen de diverse delen van een regulier lichaam. Dit geldt eveneens in de beschrijving van de lichaamsdelen die de Joodse Natie vormen. Er is een hart, een oog, een hand, etc. Echter, juist zoals alle delen verenigt een heel lichaam vormen, vormen alle delen van de Joodse Natie een unit. De unit, gecreëerd door deze verschillende delen, verenigt en vormt vervolgens in zich, de markawa, voertuig, de spirituele tegenhanger van de terrestrische mens in de Celestische Regionen.
Deze celestische adam is verstandelijk waarneembaar als zittend op de troon welke één van de 248 spirituele ledematen en organen is dat de basis vormt van 248 positieve geboden, welke, indien uitgevoerd door de terrestrische mens, zijn ware bron van leven is “oeshmartem èt-choekotai we’èt- mishpatai asher ja’asèotaam ha’adam wachai bahem ani hashem” “Houden jullie je aan Mijn wetten en aan Mijn rechtsvoorschriften; de mens die deze nakomt zal er door leven”. (Leviticus 18,5)
Met als resultaat dat een persoon die zich separeert van de gemeenschap en een lifestyle nastreeft die niet acceptabel is aan 18,5, zich afzondert van het leven. Als een ledemaat zich losmaakt van zijn lichaam, zal hij sterven.
Dit is de betekenis van het opleggen van een chèrem, een ban, of excommunicatie. Z’n persoon is op weg naar chormah, vernietiging. (Deuteronomium 1,44)
Daarom is de numerieke waarde van het woord chèrem, 248. Israël’s essentiële voordeel over de andere volkeren is, dat het een samengesteld geheel vormt, een unit. Onze wijzen hebben dit duidelijk onderstreept toen zij het Shabbat Mincha, middaggebed, hebben samengesteld waarin zij benadrukken dat juist zoals G’D uniek is in Zijn één zijn, ook Israël uniek is in het zijn van één enkel unit als een volk.
Net zoals is gezegd van de Onuitsprekelijke Naam “G’D is ÉÉN en Zijn Naam is ÉÉN,” (Zacharia. 14,9) zo zijn Ja’akov en de twaalf stammen de parallel van de twaalf combinaties waarop de Onuitsprekelijke vierletter Naam van G’D kan worden geschreven. En de Zohar op parashat Wajeetsée verklaart: De verhouding tussen ‘Ja’akov en de twaalf stammen’ en ‘Josèf en de twaalf stammen’ is respectievelijk analoog aan de verhouding tussen “hashem èchad, G’D is ÉÉN” en “weshemo èchad, Zijn Naam is ÉÉN”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond (Genesis 32:4 – 36:43)

Zohar pagina 165b: “wajishlách ja’akov mal’achiem levánáv el- ésav achiev arsta se’ier sedé èdom,” “Ja’akov zond engelen voor zich uit naar zijn broer Esav, naar de rode velden van het land Se’ier.” (Genesis. 32”4)
Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met vers: “Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen.” (Psalm. 91:11)
Dit vers is door de medegeleerden verklaard met de betekenis dat, wanneer een persoon in deze wereld komt, de jetzer hara reeds op hem wacht.
“Kwade Inclinatie” is de meest kenmerkende vertaling van “jetzer hara.” De stam van het woord “jetzer” is “veroorzaken, teweegbrengen ”en refereert aan hoe iemands instinctieve dierlijke driften op bepaalde tijden vragen om aan zijn“behoeften” te voldoen.
De jetzer hara is voortdurend bezig een persoon te strikken om kwaad te doen en als aanklager te dienen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers: “De zonde [hebreeuws, chatat] ligt voor de deur op de loer, klaar om aan te vallen.” (Genesis. 4:7)
Wat is het, wat loert, wat wacht, om zich te storten op een persoon die het lichaam van zijn moeder verlaat en in deze wereld komt?
Het is de Jetzer Hara, Koning David verwijst eveneens naar de Jetzer Hara als “Chatat”, als hij zegt: “En mijn zonde [Hebreeuws, chatati] me steeds voor de geest staat”. (Psalm. 51,5)
De Jetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, om een persoon ertoe te brengen verkeerde dingen te doen in de ogen van G’d en verlaat hem niet vanaf het moment dat hij geboren is.
Daarentegen komt de Jetzer Tov [Goede Inclinatie] in een mannelijk persoon, wanneer hij de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt, bij meisjes bij twaalf, welke de leeftijd is die een persoon in staat stelt zichzelf te purificeren en te verbinden met zijn spirituele wortels bij het uitvoeren van mitzwot.
Op die leeftijd, wanneer een persoon verplicht is om mitzwot te doen, komt de Jetzer Hara om hem te assisteren en de twee inclinaties fuseren met de persoon, de Jetzer Tov aan zijn rechterzijde en de Jetzer Hara aan zijn linkerzijde. Deze twee inclinaties zijn eigenlijk in feite engelen, puur spirituele krachten, die belast zijn met de bescherming van de persoon voor alles dat hem zou kunnen schaden. Nooit en te nimmer verlaten zij een persoon.
Wanneer hij besluit om zichzelf te purificeren en terugkeert naar zijn spirituele wortels [teshoewa], zwicht de Jetzer Hara voor de Jetzer Tov, en de goede inclinatie heerst over de kwade. Beide verenigen zich in een wederzijdse overeenkomst om de persoon op de weg die hij gaat te behoeden om slecht te doen.
Daarom zegt het vers: “Hij geeft opdracht aan Zijn engelen, bij jou, om op je te passen en zich om je te bekommeren, waar je ook gaat. De engelen verwijzen naar de twee inclinaties en wanneer een persoon besluit om zijn goede inclinatie sterker te laten zijn dan zijn kwade inclinatie, zegt de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil in: “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe” “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land. Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G’D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap. Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israël’s zonden, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hun zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”
De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de beèr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël. Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israël’s vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9)

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, m.a.w Thora, Erets Jisraël, Olam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, m.a.w De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het kodesh kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara (Genesis 23:1 – 25:18)

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéénvolgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adam’s origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam niet gezondigd, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Sinds hij had gezondigd, werd hij verdreven uit de tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijden, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in gan eden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar gan eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Eva daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Eva gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar gan eden. Adam had in gan eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéénvolgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, matriachen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Eva, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM